De laatste jaren van oma Pasgeld (5)

Dementerende ouders. Wat gaat er in ze om? Zullen we dat ooit weten? Misschien maken we het wel erger dan het is. Want tijdens die dementie zijn er toch ook momenten om te koesteren.

Februari 2003. Oma Pasgeld verhuist van de zesde etage van het verzorgingshuis Sonnenbergh aan de Loevesteinlaan naar de derde etage van het Gulden Huis aan de Melis Stokelaan.

Dat is niet alleen een eind verder wandelen naar het Zuiderpark, maar ook het verplegend personeel aldaar moet, voor wat betreft de eigenaardigheden van oma, weer geheel opnieuw worden ingewerkt.

De beveiliging is echter stukken beter. Liften en deuren gaan alleen maar open met codes, die zorgvuldig voor de patiënten geheim worden gehouden. Bezoekers krijgen de codes, die eens per maand veranderd worden, bij de balie.

‘Laat de deur maar open hoor. Ik moet er straks toch nog even uit’, wordt mij herhaaldelijk door de bewoners en bewoonsters van het verzorgingshuis toegeroepen als ik een deur weer achter me wil sluiten. Het wordt me treurig te moede als ik bedenk hoeveel naargeestige ervaring en denkwerk er achter deze geraffineerde vluchtpogingen zit.

Met mijn moeder rij ik de huiskamer in. Daar word ik verwachtingsvol aangestaard door een vijftiental medebewoonsters die denken dat ik de directeur geneesheer ben. Dus geef ik ze een hand, informeer naar hun welbevinden, stel ze op hun gemak en bevestig aldus hun indruk.

‘En? Hebben we nog gelachen vandaag?’, vraag ik mevrouw Van der Tulp die ik bewonder, omdat ze er zo goed de moed weet in te houden.

‘Weet ik niet dokter. Dat ben ik vergeten’, antwoordt ze vrolijk.

Een nauw verholen boosheid
De vijftien dames in de huiskamer existeren, al naar gelang de ernst van hun aandoening, in een eigenaardige wereld van verschoven tijdsbesef, van onvoldoende verwerkte hoogte- en dieptepunten in een doorgaans boeiend leven van hard werken en van een nauw verholen boosheid over de ingrijpende ontworteling aan het eind van datzelfde leven. Verder liggen er nog enige patiënten in hun kamer op hun bed, peilloos verwikkeld in een vooraf niet te bevroeden definitieve afhandeling. Die de natuur soms volbrengt met onbegrijpelijk geduld.

‘Dokter, ik moet plassen. Kunt u me even helpen’, roept mevrouw Zonnebloem uit een stoel even verderop. Een druk doende verzorgster in de buurt krijgt de slappe lach. ”Hè, ja, dokter’, zegt ze tegen me. ‘Helpt u die mevrouw even op het toilet’. Maar aan haar pretogen zie ik dat ze gelukkig niet van me verwacht dat ik demente oudjes assisteer bij hun stoelgang.

Na onze gewoontegetrouwe wandeling in het Zuiderpark treffen we in de huiskamer van het Gulden Huis een groepje dames dat voor de tv de avonturen van Bugs Bunny volgt. Een van de dames, mevrouw Goudenregen, staat ineens op, wijst naar me en roept luid: ‘U bent helemaal geen dokter!’ Mevrouw Goudenregen heeft zichzelf het toezicht op een ordentelijke gang van zaken in de huiskamer opgelegd. En het moet gezegd, dat ze ze die taak met een aan terreur grenzende ijver uitoefent. ‘Die man geeft misschien wel goeie raad, maar hij is zeker geen dokter’, stelt ze nogmaals vast.

‘O, nee? Wie bent u dan?’, vraagt mevrouw Zonnebloem aan mij. ‘Ik ben de zoon van oma Pasgeld’, zeg ik. ‘Oma Pasgeld zit dáár.’ Ik wijs naar de hoek waar oma Pasgeld scheefgezakt in haar rolstoel broos en transparant zit te wezen. ‘En eigenlijk kom ik om met haar te wandelen in het Zuiderpark.’

Dat is aan geen dovemansoren gezegd. Het wantrouwen dat was ontstaan door het vermeend onbevoegd uitoefenen der geneeskunde maakt plaats voor een hevige drang deelgenoot te mogen zijn aan dit uitstapje.

‘Ik ga vast bij de deur staan’, zegt mevrouw Magnolia.

‘Denkt u dat ik een jas aan moet?’, vraagt mevrouw Phlox.

En mevrouw Van der Tulp meent, dat ze in het Zuiderpark ongetwijfeld haar broer tegen het lijf zal lopen.

‘Het spijt me, dames’, zeg ik. ‘Ik kan maar met één tegelijk wandelen. Er is onvoldoende verplegend personeel om te helpen.’ Op weg naar mijn eigen huis klink het wanhopige geroep me nog lang na in de oren.

Rochelende ademhaling
Uit de voortgangstrapportage van het Gulden Huis:

28/1 (2004): Mw. was rustig aanwezig in de huiskamer.

29/1: Mw. kreeg bezoek van haar dochter en kleindochters.

31/1: Mw. in bed heel ziek aangetroffen. Mw. gloeide, voelde erg warm aan en had een rochelende ademhaling. Om 8:10 u. had mw. 39,5. Een voedingssupplement gegeven. Om 9:00 u. had mw. een temp. van 38,7. Mw. hield ook haar mond dicht, kreeg geen drinken naar binnen. Arts laten komen. Heeft mw. onderzocht. De longen klinken vol. Medicatie is gestopt. Mw. krijgt 3xdg een voedingssupplement.

Comfortabele lighouding en goede mondverzorging gegeven. Zie verder artsenblad voor verdere afspraken. Zoon is op de hoogte. Deze is door de arts gebeld. Bloeddruk 110/80. Pols 60.

Mw. is om 20 uur rustig overleden.

Een lange rit
Het was een lange rit voor oma Pasgeld. Misschien was ze op het laatst wel in de ban van een wereld vol luister en ongedachte schoonheid. Wie zal het zeggen? Nooit zullen we de kwaliteiten van haar laatste lotgevallen kunnen duiden.

Het was aan mij om haar ogen te sluiten.

Weer thuis moest ik er even van huilen. Ik weet niet waarom.

Want hoe hadden we toch met z’n allen uitgezien naar het moment dat het afgelopen zou zijn met haar onontvankelijk gejammer.

Nu had ik toch verdriet.

Gelukkig was het gauw weer over. En ik vertelde mevrouw Pasgeld, dat het weldra mijn beurt zou zijn. Ja. Dat moesten we maar eens eerlijk onder ogen zien, zei ik.

Ik ben twaalf jaar ouder dan mevrouw Pasgeld en als het leven zich ontvouwt naar haar ware aard en betekenis, dan ben ik thans de eerste die in aanmerking komt om me in de ontevreden zelfzucht, waarmee dementie zo dikwijls gepaard gaat, op te sluiten.

Alvast wennen
Behept met de juiste genetische motoriek begon ik me derhalve alvast passend door de kamer te bewegen, daarbij een imaginair looprek hanterend. Vervolgens nam ik met trillende handen een kopje thee van mevrouw Pasgeld aan, er daarbij zorg voor dragend, dat ik de helft van mijn chocoladekoekje kwijlend op mijn overhemd morste.

‘Dan kan je er alvast aan wennen, als het eenmaal zover is’, zei ik.

Maar mevrouw Pasgeld vond het niet leuk.

‘Ik bekijk het wel als het zover is’, zei ze. ‘Je hoeft echt niet nú al zo lullig te gaan doen. Gezien de duur van de ongemakken van je moeder zullen we jouw ouwe dag vast ook nog wel lang genoeg beleven.’

En toen ze dat zei, zag ik in, dat ze gelijk had. Op sommige dingen kun je maar beter niet voorbereid zijn.

En ik veegde de kruimels van mijn overhemd, nu het nog kon.

Reacties?

julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann