‘We kunnen blijven navelstaren, maar we moeten realiseren’

Het Planbureau voor de Leefomgeving en het Centraal Bureau voor de Statistiek verwachten nog tientallen jaren een sterke bevolkingsgroei voor de grote steden, zoals Den Haag. Wat doet de provincie Zuid-Holland om vraag en aanbod op de woningmarkt tot elkaar te laten komen? In deze Woonspecial van De Oud-Hagenaar schetst gedeputeerde Adri Bom-Lemstra (CDA) haar rol en de visie van de provincie Zuid-Holland.

Tussen 2010 en eind 2016 zijn zo’n 75.000 woningen gebouwd binnen Haaglanden, Rotterdamse Regio, Holland Rijnland, Drechtsteden en Midden-Holland. Maar dat is nog lang niet genoeg. Daarom heeft de ‘alliantie Oude Lijn’ (Den Haag, Rijswijk, Delft, Schiedam en Rotterdam) bij de provincie het aanbod gedaan om binnenstedelijk 120.000 woningen te bouwen. Zoetermeer wil 15.000 huizen erbij, in Leiden gaat het om 15.000 woningen. Tot zover de plannen van de gemeenten.

Volgens de provincie zijn er nu genoeg woningbouwplannen om aan de extra vraag van ongeveer 140.000 woningen tot aan 2025 te kunnen voldoen. Zuid-Holland riep begin oktober gemeenten en woningcorporaties op de woningbouw te versnellen, omdat er woningnood in de provincie dreigt te ontstaan. Bij gemeenten is die urgentie ook doorgedrongen.

Tussen de start van de bouw van een woning en de daadwerkelijke realisatie ervan gaan er jaren voorbij. Gedeputeerde Bom-Lemstra: “De druk is hoog, dus we hebben ruim een jaar geleden een ‘Citydeal’ gesloten tussen Rijk, provincie Zuid-Holland, Bouwend Nederland en ontwikkelaars. In de tijd van de crisis is de woningbouw stil komen te liggen. Het duurt even om dit proces weer aan de praat te krijgen, om die bulk weer in beweging te krijgen.”

Minder van afstand toekijken
Ook al heeft de provincie niet de taak om te bouwen, ze heeft wel een wettelijke verantwoordelijkheid bij een goede programmering van de woningbouw”We hebben een coördinerende kant: we vragen gemeenten om woonvisies te maken. Gemeenten krijgen van ons input over ontwikkelingen op het gebied van bevolking en woningbehoeftecijfers. Gemeenten moeten daarop hun woonvisies schrijven, zodat wij in kaart hebben of er voldoende plannen worden gemaakt. Het gaat niet alleen om aantallen, maar ook om de plek en de kwaliteit van woningen. Aan ons is de taak om de visies te beoordelen die in regionaal verband worden opgesteld. Daarmee krijgen we oog voor de aantallen, de kwaliteit en waar er een tandje bij moet. Maar we zijn niet alleen van het monitoren en het aanspreken, we gaan ook steeds minder van een afstand toekijken of zij het goed doen. We gaan ook helpen.”

De provincie is niet alleen betrokken bij de plannenmakerij. Ook kijkt Zuid-Holland naar de regelgeving. Gedeputeerde Bom-Lemstra noemt gemeentelijke regelgeving, zoals een parkeerverordening, als voorbeeld. “In gemeenten geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per huishouden. De grote trend is dat tachtig procent van de woningbouwopgave binnenstedelijk moet plaatsvinden, maar daar zit ook veel openbaar vervoer en mensen die bij veel openbaar vervoer wonen, hebben niet 1,8 auto. Wij hebben onderzoek gedaan waaruit blijkt dat veel parkeerruimte onbenut blijft en binnenstedelijke woningbouw soms niet van grond komt omdat het maken van genormeerde parkeerplekken te duur is. Dus zou je die norm dan niet kunnen moeten versoepelen?”, vraagt de provinciebestuurster zich hardop af.

Zuid-Holland richt zich ook op landelijke regelgeving, zoals milieunormen. “Het ministerie van Sociale Zaken zit in een prachtig hoog gebouw. Omdat het ministerie uit het gebouw ging, leek het een geweldige locatie om woningbouw toe te passen. Minister Blok (destijds belast met Wonen en Rijksdienst): ‘Nou, gemeente Den Haag, dan ga je daar toch even flink woningen bouwen?’ De Haagse wethouder Joris Wijsmuller wilde dat wel doen, maar de regelgeving liet het niet toe. ‘De regelgeving?’, vroeg Blok toen. Er bleek een zendmast naast te staan, dus dan mag je niet hoger dan zestig meter bouwen.”

Steentje bijdragen
Verder probeert de provincie ook een steentje bij te dragen aan ontwikkelingen in de woningbouw. “De trend is dus dat tachtig procent binnenstedelijk wordt gebouwd, omdat mensen daar willen wonen en omdat het ook handig is vanuit het oogpunt van openbaar vervoer. Maar als je daar wilt bouwen: ik heb geen steden met openliggende weilandjes in het centrum, waarvan je zegt: doe die maar. Dat zijn de stadsparken en die open ruimte wil je als stad openhouden. Dat betekent dat je niet alles vol moet bouwen, maar dat je ook groen en water moet hebben. Dus als je in de binnenstad wilt bouwen, zal je iets moeten slopen of transformeren.” Dat is het moment waar de provincie wil bijdragen. Bom-Lemstra: “Die business cases zijn moeilijk rond te rekenen. Dus wij zijn bezig met het rijk en gemeenten om te kijken hoe we die middelen op tafel krijgen. Ik vind dat ook de provincie zich daar niet aan kan onttrekken, dus ook wij zijn aan het kijken welke middelen we kunnen aanwenden.”

Geen leegstand van woningen
“Heel veel niet-stedelijke regio’s vragen nu aan mij: laat ons nu maar die woningbouwbehoefte van de grote stad opvangen, want zo houden wij onze kernen vitaal. Maar neem het voorbeeld van Rotterdam: als mensen in Rotterdam werken en daar ook willen wonen, maar daar geen woning kunnen vinden, dan komen ze misschien wel even tijdelijk naar een kleinere gemeente in de omgeving, maar uiteindelijk wil men dan toch in Rotterdam wonen. Dus ik wil ook niet woningen op allerlei plekken laten bouwen, die over tien tot twintig jaar weer leeg komen te staan. Want ik heb al leegstand in kantoren en detailhandel; waarom zou ik het probleem van leegstand van woningen ook faciliteren?”

Bouwen waar de vraag is
Het vestigingsklimaat is gebaat bij woningen, maar is ook gebaat bij een omgeving waar mensen kunnen recreëren. Dus ook het Groene Hart en Midden-Delfland, open rond en om de stad, is van levensbelang, vertelt de gedeputeerde. “Dat wil niet zeggen dat er in het Groene Hart geen woningen bij komen, maar je gaat niet de verstedelijkingsopgave in het Groene Hart neerleggen. Want dan hebben we straks niets meer van het groen of ons fraaie landschap over. Wij worden in het buitenland geroemd om onze ruimtelijke ordening. En een goede ruimtelijke ordening betekent de juiste woning, op de juiste plek. Dus daar bouwen waar de vraag is en waar de nieuwbouw ook duurzaam is.”

Zuid-Holland heeft met veel gemeenten te maken waar woningen staan van woningcorporatie Vestia. Rond 2011 kwam Vestia in grote financiële problemen en dreigde andere woningcorporaties mee te sleuren in zijn val. Hoe gaat de provincie om met deze gemeenten? “Dat is best wel een uitdaging”, vindt Bom-Lemstra, “want Vestia heeft minder geld, moet ook investeren in energietransitie en nieuwe woningen. Vestia heeft dus keuzes moeten maken waar ze gaan investeren. Dat is Rotterdam geworden, maar wat betekent dat voor Delft en nog een stuk of acht gemeenten? Om investeringen te kunnen doen, zullen ze hun eigen bezit moeten verkopen. In Barendrecht verkoopt Vestia 600 woningen, maar als het wordt geliberaliseerd, gaan de prijzen omhoog en zijn de woningen niet meer toegankelijk voor de doelgroep waar wij het voor doen. Uiteindelijk zijn er 600 woningen in dat segment verdwenen, maar Vestia heeft het geld ook nodig om te kunnen investeren. Kortom: het is een lastig probleem waar wij op dit moment proberen te helpen.”

Welke toekomstvisie heeft Zuid-Holland als het gaat om het huisvesten van alle inwoners? Is iedereen welkom om in onze provincie te komen wonen of heeft Zuid-Holland bepaalde voorkeuren? Het antwoord op die vragen luidt heel simpel, als het aan gedeputeerde Bom-Lemstra ligt: “Vraag en aanbod moet in balans zijn.” Ze legt uit: “We moeten onze eigen mensen huisvesten en we moeten ervoor zorgen dat onze economische clusters voldoende mensen hebben die daar kunnen werken. Als de bedrijven in onze provincie willen groeien, hebben ze mensen nodig die goed opgeleid zijn en die mensen hebben een huis nodig.Alle groepen moeten een plek krijgen. Sociale huur maar ook bijvoorbeeld de dure appartementen voor het toenemend aantal ouderen.”

Over de ouderen gesproken, stelt de gedeputeerde zichzelf hardop de volgende vragen: “De bejaardentehuizen zijn weg, dus hoe ga je er in de diverse gemeenten ervoor zorgen dat er echt aandacht is voor mensen die zorg nodig hebben? Ga je die bij elkaar zetten? Verspreid je die over de wijk? Hoe komen ze bij hun voorzieningen? We zijn nu begonnen om in kaart te brengen waar de zorgvragers zitten en of zij voldoende voorzieningen hebben om dat meer op elkaar af te stemmen. De kennis die we daaruit opdoen, wordt straks landelijk gebruikt.”

Niet langer navelstaren
Aan het einde van dit interview blijkt: Bom-Lemstra wil niet langer praten over de woningbouw, maar vooral aan de slag. “We kunnen heel lang blijven navelstaren. Maar we weten nu de grote trends, we kennen de grote behoefte, dus ik zou veel meer onze energie willen zetten op realisatie van woningen. Dus zet je energie daarop, in plaats van nog een onderzoekje te doen of het een onsje meer of minder mag zijn. Als je naar de grote lijnen kijkt, denk ik: wat we ook gaan doen, als we nu maar gaan realiseren.”

Ivar Lingen (hoofdredacteur)
redactie@deoud-hagenaar.email

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann