Zonder computer ben ik nergens

In deze bijdrage wil ik je meenemen op mijn zoektocht naar een artikel voor De Oud-Hagenaar. Waar haal je het onderwerp vandaan en hoe zorg je dat dit vorm krijgt op een manier die mensen aanspreekt? Ik heb iets met Art Nouveau en deze kunstvorm is dan ook al enkele malen zijdelings in een van mijn verhalen ter sprake gekomen. Voldoende reden om er hier iets meer over te vertellen. Kortom, het onderwerp is voor mij al duidelijk.

Los van mijn computer – met alle mogelijkheden van dien – ga ik op zoek naar ter zake doende boeken in mijn boekenkast. Ik kan me al bijna niet meer voorstellen hoe ik vroeger zonder die computer te werk ging. Eén ding is zeker, ik was met grote regelmaat in het Gemeentearchief van Den Haag te vinden. Dat kostte tijd, veel tijd. Allereerst moest je er maar achter zien te komen welke boeken en geschriften je nodig had en vervolgens duurde het wel even voordat ze voor je op tafel lagen. Hoewel je er ook wel kopieën kunt laten maken, heb ik er bloknoten volgeschreven. Dat gaat nu anders. De computer is niet alleen voorzien van een woordenboek, maar ook van een wereldomvattende encyclopedie. Ook de bijbehorende illustraties kun je er vaak vinden, al is het wel zo dat je niet alles zomaar klakkeloos mag overnemen. Ik schreef mijn eerste boek – een letterkundemethode voor de middelbare school met een bloemlezing – toen ik een jaar of 25 was en hier heb ik, weliswaar in de avonduren, minstens een jaar over gedaan. Via de computer heb ik ook inzage in oude kranten en artikelen die over het betreffende onderwerp gaan. Voldoende gereedschap en dat is het halve werk – zoals je weet. Aan het werk dus.

Een eerste opzet
Je moet je in eerste instantie afvragen voor wie je zo’n artikel schrijft. Is er sprake van een specifieke doelgroep? Natuurlijk, deze krant is voor mensen van boven de vijftig bedoeld, maar dat wil niet zeggen dat hij niet door jongeren gelezen wordt. Hij heet niet voor niets De Oud-Hagenaar, dus die beperking lijkt me redelijk. De verhalen moeten iets met Den Haag te maken hebben. Laat ik er rekening mee houden dat mijn bijdrage niet te lang, maar ook niet te kort wordt. De ervaring leert dat schrappen van een deel van de tekst vaak een beter resultaat oplevert. Soms vraagt de hoofdredacteur of ik in verband met plaatsing op de voorkant van de krant de tekst iets kan inkorten en dat werkt eigenlijk altijd positief. Zo kun je de franje er afknippen. Een korte inleiding – waar gaan we het over hebben – en een pakkend slot is wenselijk, maar dit lukt niet altijd. Mijn vrouw is zo lief om mijn teksten na te kijken en al levert dit enige discussie op, ze haalt er altijd fouten uit. Soms lees je bij herhaling over zo’n fout heen. Je ogen zien wat er zou moeten staan en niet wat er in werkelijkheid staat. En wat de indeling betreft, ga ik eerst iets in het algemeen over dit onderwerp schrijven, gevolgd door een specifiek voorbeeld. Ik denk dat ik maar eens aan het verhaal zelf ga beginnen. En mocht je commentaar hebben, in wat voor zin dan ook, mijn mailadres staat hieronder.

Art Nouveau
Als reactie op het Impressionisme ontstond er rond 1890 een nieuwe stroming in de kunst. In Duitsland en enkele andere landen sprak men van Jugendstil. In München was een blad voor jongeren verschenen, Die Jugend, vandaar de naam. In Frankrijk sprak men van Art Nouveau en in ons land werden beide termen gebruikt. De vertaling Nieuwe Kunst kwam ook wel voor. Hoewel er veel verschillen zijn aan te wijzen, was er zeker ook sprake van overeenkomsten. Een geloof in de toekomst, het gebruik van nieuwe technieken en het gebruik maken van bloem- en vogelmotieven kwam veelvuldig voor. Zowel in de architectuur als in de schilderkunst leefden de kunstenaars zich uit, maar vooral in gebruiksvoorwerpen komt men deze kunstvorm tegen. Denk maar aan vazen, sieraden en meubels. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de aardewerk- en porseleinfabriek Rozenburg die tot 1916 op het adres Zuid Binnensingel ( het huidige Buitenom) gehuisvest was. Ik wil me hier tot de architectuur beperken. Op dit moment zijn er ruim dertig voorbeelden van gebouwen die in deze stijl gebouwd zijn in onze stad te vinden. Eén als voorbeeld.

Laan v. Meerdervoort 164-168
Deze panden op de hoek van de Waldeck Pyrmontkade zijn in 1903 gebouwd en in 1997 gerestaureerd. De architect was J. Olthuis. Aanvankelijk ging het om vier herenhuizen. Op dit moment zijn er ook enkele winkels in gevestigd. Hoewel deze vier huizen een eenheid vormen, zijn er ook verschillen aan te wijzen. Zo verschillen de vensters, de erkers en de balkons van elkaar. De oranjerode stenen die gebruikt zijn, zijn vervaardigd van een vette kleisoort en dat heeft tot gevolg dat ze glimmen wanneer de zon erop schijnt. De vele kleurrijke tableaus, voorzien van de eerder genoemde bloemmotieven, zijn door de Delftse aardewerkfabriek de Porceleyne Fles gefabriceerd.

Jan Olthuis
Met betrekking tot de architect van deze huizen heb ik niet zo heel veel kunnen vinden. Hij is in 1851 in Purmerend geboren en in 1886 getrouwd met Antonia Elisabeth Brand. Ze kregen een zoon, Gerard, die in 1910 in ’s Gravenhage getrouwd is. In 1895 werd Jan eigenaar – samen met een vijftal hoofdonderwijzers – van de Coöperatieve Bouwvereniging Eigenhuis te
‘s-Gravenhage. Deze vereniging had ten doel aan ieder harer leden een eigen woning met tuin te verschaffen. In 1896 woonde hij op de Regentesselaan en hij is op 17 september 1921 overleden. Op dat moment woonde hij op het adres Beeklaan 268.

En nu maar hopen dat deze bijdrage je aangesproken heeft, zoals ik in het begin schreef.

Carl Doeke Eisma
carleisma@planet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann