De laatste jaren van oma Pasgeld (4)

Dementerende ouders. Wat gaat er in ze om? Zullen we dat ooit weten? Misschien maken we het wel erger dan het is. Want tijdens die dementie zijn er toch ook momenten om te koesteren.

Voor echte avonturen moet je in het verzorgingshuis zijn. Mijn moeder zit daar nu al bijna weer drie jaar met naar binnen gerichte zintuigen die als blinde vingers tasten in een onnoemelijk duister waar ze voortdurend struikelt over de ruïnes van haar eigen trots, boosheid en wilskracht.

De uitbundige bloei in het Zuiderpark waar ik haar wekelijks in haar rolstoel doorheen duw dwingen mijn gedachten een halve eeuw terug naar haar eigen bloeiperiode. Uitbundig was die niet.

Zelfs toen moesten we dikwijls raden naar haar gemoedsbewegingen die, als ze zich al kleurden, vaak tot ons kwamen in de vorm van de iets te harde geluiden waarmee ze het bestek in de keukenla deed als ik weer eens te beroerd was geweest haar uit mezelf te helpen bij de afwas.

De Tweede Wereldoorlog had een heleboel jonge ouders getransformeerd tot beschouwende bejaarden die zichzelf niet zelden tot belangrijkste doel hadden gesteld herhaling van het oorlogsleed te voorkomen.

Zo ook mijn moeder, die haar kinderen via onderhuidse zinspelingen en rammelend bestek het naamloze verband trachtte bij te brengen tussen spontane hulpvaardigheid en een wereld zonder conflicten.

En nu, bijna driekwart eeuw later, zo peins ik verder, wordt de samenleving vooral gekenmerkt door het eigenaardige verschijnsel dat wijsheid en inzicht in de samenhang der dingen worden afgedaan als tijdelijke, zinledige producten van de ouderdom.

Cynisch gepeins
‘Hou toch eens op’, hoor ik plots iemand reageren op mijn sombere bespiegelingen. En omdat er niemand in de buurt is, veronderstel ik gemakshalve dat mijn moeder haar spraakvermogen als door een wonder ineens weer terug heeft gekregen.

‘Hou toch eens op’, hoor ik haar weer. Maar als ik goed luister, hoor ik haar dat in mijzelf zeggen. En ze vervolgt met: ‘Je cynische gepeins heeft verdacht veel weg van mijn gerammel in de keukenla.’

Verbluft ga ik op een bankje zitten en controleer of haar handen niet al te zeer zijn afgekoeld tijdens de wandeling. Ze zijn nog warm.

Maar als ze straks, onverhoopt de stilte van de definitieve kou omhelzen, hoor ik dat bestek in de keukenla voorlopig nog wel even rammelen.

Weer terug in het verzorgingshuis wordt mevrouw Phlox een paar tafeltjes verder door een verpleegster gevoerd. Mevrouw Phlox is een wat oudere, blijmoedige dame met kleine, feestelijke, witte krulletjes. Ze is op tamelijk omslachtige wijze de weg kwijt. Hoe de verpleegster het ook probeert, de bloemkool gaat er bij haar niet in.

‘Deze bloemkool is schadelijk voor de gezondheid en kan kanker veroorzaken’, zegt mevrouw Phlox resoluut.

‘Nou’, antwoordt de verpleegster blij van zin. ‘Laten we dan nog één hapje proberen.’

‘Weet u wat we doen met iemand die een dergelijk onzinnig voorstel te berde brengt?’, vraagt mevrouw Phlox vriendelijk, maar zeer beslist.

Nee, dat weet de verpleegster niet. En oma Pasgeld en ik, die de ontwikkelingen op enige afstand geboeid volgen evenmin. Maar dat duurt niet lang. Mevrouw Phlox brengt enige stukjes bloemkool op haar lepel, spant de lepel als een soort middeleeuwse blijde tussen de duim van de ene hand en de wijsvinger van de andere, telt zorgvuldig tot drie en schiet de stukjes bloemkool pardoes in het gezicht van de verpleegster.

‘Socialisten sluit de rijen!’
De apotheose die daarop volgt tart iedere beschrijving.

Mevrouw Phlox staat op en vangt, na zich te hebben verzekerd van ieders aandacht, plechtig, haarzuiver en angstwekkend hoog, een gezang aan.

‘Socialisten sluit de rijen! Kom socialisten, wees paraat!’, schalt het door de eetkamer van de demente oudjes.

Oma Pasgeld haakt, in haar anti-omvalstoel, met een verbazingwekkend gevoel voor anarchie in met duidelijk gearticuleerde, maar verder onsamenhangende klanken zoals ‘Aaarch! Oooink!’ en ‘Ohee!’

Het geheel wordt opgeluisterd met een striptease act, uitgevoerd door mevrouw Violet. Want gecombineerd met haar eigen gekwelde geestesleven, ziet zij onmiddellijk een gelegenheid zich weer eens van haar rok, panty en plasluier te ontdoen.

Hier helpt geen lieve moedertje meer aan.

Het verplegend personeel weet met forse hand de orde weer te herstellen. Zonder het respect en de menselijkheid uit het oog te verliezen. Mijn bewondering voor hen wordt er in die paar jaar dat ik hun werk nu van dichtbij mag aanschouwen alleen maar groter op.

Muur van het verzorgingshuis
Even later is het weer rustig. Alleen meneer Van Baarsel is om de een of andere reden nog niet geheel in balans. Meneer Van Baarsel was vroeger tuinder in De Strijp en slijt zijn dagen thans in riemen gesnoerd in een stoel. Voor zijn eigen bestwil uiteraard. Want als hij gaat staan valt hij om.

Geagiteerd wijst hij bij voortduring naar de muur.

‘Die staat scheef’, zegt hij steeds. ‘Straks valt het gebouw nog om.’

Ik leg mijn hoofd tegen de muur en kijk er met een scheef oog langs.

‘Nee, hoor’, zeg ik. ‘Volgens mij valt het erg mee.’

Maar meneer Van Baarsel houdt vol. De muur staat scheef en er dreigt gevaar voor instorting. Ik beloof hem de volgende week een schietlood mee nemen. Dat is een metalen ding aan een touwtje. Als je dat langs de muur houdt, kan je zien of hij scheef is. En dan kunnen we samen bepalen of hij gelijk heeft.

Want in de gezondheidszorg kan je tegenwoordig maar beter het zekere voor het onzekere nemen.

Als de week daarop na herhaalde metingen blijkt dat het verpleeghuis er kaarsrecht en vlekkeloos bijstaat, meent de heer Van Baarsel zonder blikken of blozen, dat het dan binnenkort wel scheef zal staan. Hetgeen ik zeker niet uitsluit.

‘Vraaggestuurd zorgstelsel’
Het is inmiddels 2004. In de krant lees ik, dat de overheid meent dat we patiënten moeten gaan beschouwen als cliënten. Want alleen zo kan goed worden ingespeeld op hun wensen. En alleen zo heeft het ‘vraaggestuurde zorgstelsel’ waar het kabinet op uit is, kans van slagen. Prachtig! Maar tussen droom en daad staat een wereld vol bezwaren. Hoe moet dat dan bijvoorbeeld met dementen. Als je gaat inspelen op de wensen van dementen liggen binnen de kortste keren alle vloeren van alle verzorgingshuizen vol met bloemkool. Dan moeten de ramen op één dag 580 keer open en dicht. Dan loopt men gedurende de hele dag spiernaakt en blij van zin overal in de gangen te piesen en te poepen. Nee, dus. Liever niet. De wensen van demente bejaarden dienen daarom in alle redelijkheid te worden ‘vertaald’ door ervaringsdeskundigen. En wie kunnen dat beter zijn dan het huidige verplegende en verzorgend personeel dat iedere dag maar weer voor de patiënten klaarstaat.

De week daarop verneem ik, dat de afdeling van het verzorgingshuis waar mijn moeder verblijft moet sluiten. Ze zal, na vier jaar vallen en opstaan, moeten verhuizen naar elders. Waar nieuw verplegend personeel opnieuw alles over haar zal moeten leren.

De volgende en laatste aflevering van deze serie gaat erover hoe dat afliep.

Reageren? Mail naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann