Spui tussen Lange Poten en Kalvermarkt, rechts de Kalvermarkt (circa 1935). Foto: collectie Haags Gemeentearchief

Beerputten aan het Spui opengetrokken

Wie nu over het Spui loopt vanaf de Kalvermarkt in de richting van de Lange Poten, zal zich waarschijnlijk niet realiseren dat dit stukje Den Haag al meer dan zeshonderd jaar oud is. Archeologische opgravingen uit 2012, die vooraf gingen aan de bouw van het Amadeuscomplex, hebben interessante informatie opgeleverd over de geschiedenis van deze buurt en zijn bewoners. In een fraai uitgegeven publicatie hebben archeologen van de gemeente Den Haag verslag gedaan van hun bevindingen. Zij hebben daarbij letterlijk beerputten opengetrokken. Want beerputten bevatten vaak een schat aan archeologische informatie en die aan het Spui vormen daarop geen uitzondering. Het archeologisch onderzoek strekte zich uit over het terrein waar tot het begin van de 21e eeuw drie 19e-eeuwse panden stonden met de huisnummers 24, 26 en 28a. Voor een actuele plaatsbepaling: nu is daar boekhandel Van Stockum gevestigd.

Het Spui behoort tot een van de oudste delen van Den Haag. Bijna zeven eeuwen geleden werd het gegraven, ongeveer een eeuw nadat was begonnen met de bouw van het Binnenhof. Het zorgde voor een verbinding met de Vliet en stimuleerde zo de economische ontwikkeling van dit deel van – het toen nog heel dorpse – Den Haag. Tal van ambachtslieden, zoals leerlooiers, schoenmakers, wolwevers en bierbrouwers, vestigden zich in de directe omgeving van het Spui. Eind 19e eeuw werd het in etappes gedempt en sinds 1904 is het gedeelte tussen de Lange Poten en de Bierkade bestraat.

Wie in het gedeelte van het Spui woonde waar de archeologische opgravingen hebben plaatsgevonden behoorde tot de betere kringen. Hoe dichter bij het bestuurlijk centrum van het Binnenhof, hoe belangrijker men was. Zo is uit onderzoek gebleken dat in 1604 de procureur-generaal van Holland, Gilles van Flory, en schoenmaker Jacob Dirksz, buren waren. Overigens werd deze schoenmaker op latere leeftijd ook lid van de vroedschap van Den Haag en zelfs schepen, zodat hij in sociaal opzicht nagenoeg de gelijke was van zijn buurman. Hun welstand nam nog toe, toen het stadsbestuur de woningeigenaren van dit deel van het Spui toestemming verleende om het vrijgevallen terrein van het voormalige klooster St. Maria in Galilea aan te kopen. Dit nonnenklooster achter de Lange Poten was in 1572 door het protestantse stadsbestuur onteigend en daarna afgebroken. Een andere interessante bewoner van het Spui was ene Anthony Laignier, wiens naam in 1610 voor het eerst wordt vermeld als hij samen met zijn broer Johan een kasteeltje koopt in de Betuwe en zich vanaf dat moment heer van Wayestein mag noemen. Twee jaar later koopt hij de woning die later bekend zal staan als Spui 26. Anthony Laignier moet een rijk man geweest zijn. Hij werd in 1625 voor de belasting aangeslagen op grond van een geschat vermogen van 50.000 gulden, een enorm bedrag voor die tijd. Hij behoorde in dat jaar tot de honderd rijkste Hagenaars. Anthony Laignier overleed in 1629 en zijn vrouw Elisabeth van der Does drie jaar later. Veel is over hem verder niet bekend, maar de inhoud van de beerput van zijn woonhuis heeft toch enkele geheimen van zijn bewoners prijsgegeven. De beerput is ooit grotendeels geleegd, maar in de 20 cm dikke laag beer die overbleef troffen de archeologen enkele bijzondere objecten aan die de Laigniers hadden afgedankt. Zo vonden zij twee glasscherven, waarop naar alle waarschijnlijkheid de naam en het wapen van de familie Laignier zijn aangebracht.

Schat aan informatie
De verschillende (cilindervormige) beerputten en (doosvormige) beerkelders in de achtertuinen van de drie panden aan het Spui bevatten voor de archeologen een schat aan informatie. Zo werd achter Spui 26 een essenhouten schaal gevonden met een doorsnee van bijna 40 cm, op een draaibank gedraaid uit een flinke stam. In de beerput van Spui 28 werd een heel bijzondere hoorn aangetroffen: een zogenaamde aakhoorn. De naam van dit voorwerp verwijst naar de stad Aken, die al sinds de Middeleeuwen bekendstaat als bedevaartsoord. Zo’n aakhoorn was een belangrijk relikwie voor pelgrims. Nog steeds trekt de Dom van Aken veel pelgrims uit de gehele wereld. Sinds 1239 wordt er het gewaad (tunica) van Maria bewaard. De eerstvolgende gelegenheid om dit relikwie te gaan bekijken is in 2021. Hoorns worden er tegenwoordig niet meer verkocht.

Het al eerder genoemde nonnenklooster St. Maria in Galilea bevond zich tussen het Spui, de Lange Poten en de Korte Houtstraat. Het werd gesticht in 1465 en heeft dus tot de sluiting in 1572 maar betrekkelijk kort bestaan. De enige bekende afbeelding van het klooster staat op een geschilderde kaart van Den Haag uit 1570. De slopers uit die tijd zijn wel heel rigoureus te werk gegaan, want van het complex is niet meer teruggevonden dan zeven stukjes glas. Geen gewoon vensterglas, maar lichtgroen glas dat waarschijnlijk onderdeel was van een gebrandschilderd raam met een bijbelse voorstelling. Een deskundige heeft nog enkele 15e-eeuwse gotische letters op de scherven kunnen ontcijferen en zelfs twee complete woorden gevonden, maar de betekenis ervan is niet duidelijk. De conclusie moet zijn dat de restanten van dit eens zo grote kloostercomplex wel heel erg pover zijn.

De meest verrassende vondst die de archeologen aan het Spui deden was een 50 cm lang walvisbot. Het werd overigens niet in een beerput of beerkelder gevonden. Over de herkomst doen verschillende speculaties de ronde. Vermoedelijk moet de verklaring worden gezocht in het feit dat aan de overzijde van het Spui verschillende Scheveningse groothandelaren vis kochten en weer doorverkochten. Een van hen was Cornelis Corneliszn. Jongeneel, die ook schepen was van Scheveningen. Hij huurde in 1577 een visbank van de St. Jacobskerk om daar zijn waar aan de man te brengen. Op 15 november 1566 ving hij een bijzondere vis bij Scheveningen, volgens latere beschrijving een monster met ‘een krommen, zwarten en harden bek, haaringscherwijze en met zes lange snebben bezet met ronde napkens’. Weliswaar geen walvis, maar bijzonder genoeg om door P.C. Hooft in een van zijn werken te worden beschreven. Een tijdgenoot van Jongeneel was Adriaen Coenen (1514-1587). Zowel naar hem als naar Jongeneel zijn op Scheveningen straten vernoemd. Coenen was de auteur van een in zijn tijd veelgelezen Visboeck, waarvan hij in 1574 een exemplaar cadeau deed aan prins Willem van Oranje. Later bracht hij ook een Walvisboeck uit. Coenen woonde in 1540 aan het Spui in een huis genaamd De Gulden Steur of In de Steur. Het waterdichte bewijs ontbreekt, maar uitgesloten is het niet dat het gevonden walvisbot via een van deze Scheveningse vishandelaren daar terecht is gekomen.

Hans Lingen
hrlingen@gmail.com

Wonen langs het Spui, Opgravingen in hartje Den Haag; uitgave: Uitgeverij De Nieuwe Haagsche in samenwerking met gemeente Den Haag, afdeling Archeologie & Natuur- en Milieueducatie; prijs: 12 euro.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann