De Woerdense Kaasboertjes

Hoe kom je aan zo’n naam? Velen in de dertiger jaren werden, door armoede gedwongen, om een negotie te beginnen in een omgeving die voor hen vaak volledig onbegrijpelijk was en toch voor die mogelijkheid kozen.

Evert Doornebal, zoon van een failliete boer uit de omgeving van Woerden, had waarschijnlijk nog nooit van Den Haag gehoord. Hij was omstreeks dertig jaar oud en kwam met geleend geld van zijn broer, een kaashandelaar uit Woerden, naar het ‘wilde westen’ om een winkel in boter en kaas te beginnen. Geleend geld: 250 gulden. Eerst begon hij zijn geluk op de Frederik Hendriklaan, doch na een jaar kreeg hij in 1938 een aanbod in de Reinkenstraat. Intussen trouwde hij met een winkelmeisje uit Hilversum.

Als hij de winkel op nummer 15 huurde, kon hij de winkel ernaast gratis erbij krijgen tot een nieuwe huurder zich aandiende. Het was de tijd dat de verhuurder het huis nog gratis liet behangen. Kom er nog eens om?

Reinkenstraat
Ook in die tijd was de Reinkenstraat een fantastische winkelbuurt. Slagers: Westphal, Van ’t Riet en anderen, kruideniers: Jan Fris, Rotteveel, groenteboeren: de Ster, Westmaas, boekhandel Viel met z’n ronde etalageraam, melkboeren Sierkan en Siesterman, ijzerwaren Nadorp en nog vele anderen. Heden ten dage is het bijna onbegrijpelijk dat al die middenstanders met vrijwel dezelfde negotie hun brood konden verdienen. Tot het begin van de oorlog verkochten mijn ouders: kaas, boter en eieren. In diezelfde Reinkenstraat bevonden zich nog diverse winkels met hetzelfde assortiment. Zo zaten er vier slagers en diverse kruideniers en comestibeles-winkels.

Ikzelf weet niet veel van de toenmalige omstandigheden: Ik werd in 1939 geboren. Toen ik min of meer tot mijn menselijke positieven was gekomen, was in Nederland de pleuris uitgebroken. Als ik mijn jeugd vergelijk met die van mijn eigen kinderen, waren wij in latere jaren nogal vrijgevochten.

‘Lief meisje’
Mijn moeder, die liever een dochter had gekregen, liet mijn haar groeien. Tot het ogenblik dat een passant in de Reinkenstraat mij over de bol aaide en mij een ‘lief meisje’ noemde. Volgens de geschiedenis was ik daar niet van gediend en ik verkocht hem een schop tegen de schenen. Het moment was aangebroken dat mijn moeder mij mee naar de kapper nam. Het haar bevindt zich nog steeds in de familie.

Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken en al die jonge winkeliers gevaar liepen om te worden opgepakt voor de Arbeidsdienst, zochten zij een onderkomen. Het waren jongens tussen de 30 en 45 jaar. Die vonden een schuilplaats op de zolder van Gerard Meijer in de Reinkenstraat. Oom Gerard had een bloemenzaak, tegenover zijn woning. Dat onderduiken ging niet altijd goed. Mijn vader bracht kaas, drankenzaak Richters bracht de spiritualiën, ook kruidenier Rotteveel was scheutig. Kortom, oom Gerard moest, uit lijfsbehoud, meermalen tot kalmte manen. Hij woonde ter tenslotte wel samen met zijn tante Stien.

Akeleistraat
Hoe jong je ook bent, je herinnert je zaken die later niet normaal blijken te zijn. Een V1, waarvan de motor stopt in de lucht, was een gevaar. Hoe oud was ik: 5 jaar? Ik ging met mijn vader naar de Akeleistraat, waar zo’n kreng was neergekomen. Ik herinner mij de ellende op de gezichten van de mensen die daar een huis hadden gehad. Het bombardement op het Bezuidenhout, je ging erheen als toerist, onbegrijpelijk. Een rokende vlakte.

Op het middenpad van de Laan van Meerdervoort haalden we sintels onder de geteerde deklaag vandaan, die we verkochten. Hoe oud was je? Je zag mensen op straat dood in elkaar zakken vanwege de honger en je liep door. Ik ging met een vriendje naar de gaarkeuken in de Van Merlenstraat. Iedereen vond dat het er stonk, maar ik herinnerde mij de lucht van een boerderij waar ik wel met mijn vader was geweest. Het viel wel mee. Alles is dus blijkbaar betrekkelijk.

Ik heb het later vaak vergeleken met de jeugd van mijn eigen kinderen en vond dat zij een luxe leven leidden.

Op een zekere zondag werden mijn ouders vereerd met het bezoek van een Duitse soldaat, die een zak aardappelen aanbood. Vraag me niet wat hij ervoor terug wilde, maar er vond geen ruilhandel plaats.

Feest met optochten
Toen de vrede uitbrak, vierde de Reinkenstraat feest met optochten en ondergetekende liep mee als boerenmeisje. Ik schaam mij nu nog. Wellicht een vondst van mijn ouders. Intussen had ik een zusje bekomen in 1944.

Na de oorlog werd het nog vreemder. Op de Groot Hertoginnenlaan haalden wij het lood uit de ramen van de gebutste huizen, waarvan wij loden soldaatjes smolten. Wij rotjongetjes speelden op het mijnenveld dat met behulp van het Duitse leger volkomen was geëgaliseerd tussen de Groot Hertoginnenlaan en de Valeriusstraat. Niet te vergeten: de tankgracht waar je fantastisch kon vissen en waar gevangen genomen NSB’ers, na de oorlog, stenen moesten bikken voor – onder andere – Moerwijk. Wij voeren in het Verversingskanaal op samengebonden blikken van door de geallieerden uitgeworpen blikken scheepskaak.

Het klinkt nu misschien cru, maar achteraf was het een fantastische tijd.

Toen werd het tijd om naar de lagere school te gaan.

Wat moeten die onderwijzers (die heetten toen nog zo) geleden hebben onder dat vrijgevochten zooitje dat zij in de klas kregen.

Ruud Doornebal
r.doornebal@hetnet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann