Bijna in de top in jaren ’70, nu gewoon solide

Hij weet als geen ander helder en inspirerend te vertellen over de historie van ‘zijn’ DUNO (geen bijzondere lettercombinatie, maar gewoon het woord Duinoord verkort tot vier letters), waarvan hij als 9-jarige in 1958 lid werd. Maar ‘Mr Duno’ wil hij niet genoemd worden. “Daar houd ik niet zo van”, zegt hij meteen in het begin van het gesprek. Maar wat hij over de rijke historie van deze voetbalclub vertelt, getuigt niet alleen van enthousiasme, maar ook van besef voor maatschappelijke ontwikkelingen in de loop der jaren. Want zonder enige hapering neemt hij je mee ‘van toen naar nu’.

“Als 9-jarige werd ik lid van DUNO. De keuze voor voetbal was logisch, voetballen was in die tijd het goedkoopst. Bedenk wel, dat in mijn jeugd de keuzemogelijkheden niet zo groot waren als tegenwoordig. Je kon lid worden van een sportvereniging of van een muziekvereniging. En wellicht ook van de padvinderij. Voor mij werd het voetballen, een balletje trappen. We speelden al dag en nacht op straat en voor het weekend werd je tasje klaargezet. Dan was je klaar voor de eerste wedstrijd en na afloop wachtte je in spanning af of je misschien nog bij een andere ploeg of training kon invallen, zowel op de zaterdag als op de zondag. Desnoods ging je de elftallen langs met de vraag: ‘Hebben jullie nog mensen nodig?’ Overigens waren we toen een zondagsvereniging en speelde op zaterdag alleen de jeugd. Let wel, er was niets anders te doen dan buiten spelen en lid zijn van een vereniging. Er was geen tv, geen computer, geen tablet en geen smartphone.” De tijd van ‘toen geluk nog heel gewoon was’.

DUNO was dus een zondagsvereniging, werd later meer een zaterdagclub, maar daarover straks meer. “DUNO stond in de maatschappelijke rangorde, als je dat zo noemen mag, min of meer in het rijtje van de tweede garnituur. Begrijp me niet verkeerd, niemand noemde het zo, maar iedereen begreep het wel. Quick, HBS en HVV, dat waren in Den Haag toch een beetje de eliteverenigingen, daar werd ook zwaar geballoteerd. DUNO en onder meer Die Haghe zaten daar net onder, we waren een vereniging voor familieleden, waar plaats was voor iedereen, in prestatief opzicht niet op het hoogste niveau, ook niet zo ambitieus. Dat is trouwens toch moeilijk, je kunt ook vandaag alleen in de amateurtop meedraaien als je behoorlijk betaalt. En dan zeg ik altijd: ‘Laat de gekken maar hun gang gaan.’ DUNO was gewoon en is altijd gewoon, met beide benen op de grond, gebleven. Ja, je had ook nog een derde niveau, als je het zo mag noemen: de échte volksverenigingen, zeg maar de clubs van de arbeiders, de loodgieters, de stukadoors. Clubs zoals ODB en Maasstraat.”

Geen stervoetballer
Alphons was zelf een redelijk getalenteerde voetballer, maar behoorde niet tot de echte top van DUNO. “Ik was geen stervoetballer, zat in de rangorde altijd op de twaalfde of dertiende plaats. Net geen vanzelfsprekende keus voor een basisplaats in de selectie dus. Ik had al vroeg belangstelling voor de meer bestuurlijke activiteiten en kwam op m’n 26e al in het bestuur terecht, hetgeen voor die tijd relatief jong was.”

DUNO maakte in de jaren zestig een enorme sportieve sprong als zaterdagvereniging toen een paar spelers van Holland Sport (dat werd geliquideerd) overkwamen naar DUNO. “Dat waren legendarische namen zoals IJspelder en Buis. Andere legendarische spelers zoals Spaans, V.d. Linde, de Zwart en Wijngaarden zorgden er mede voor dat DUNO vanaf het laagste niveau doorstoomde naar de derde klasse, wat toen erg hoog was. Deze welbekende spelers voelden zich thuis bij ons en hebben onze club eigenlijk op de kaart gezet. Een tweede belangrijke periode was in de jaren zeventig en tachtig. We bereikten toen de tweede klasse. Zaten toen in een poule met ARC – ‘s-Gravenzande – DUNO voor promotie naar de tweede klasse. Dat is gelukt tegen ARC. Stonden 3-0 voor. Het werd 3-3, maar wij eindigden het hoogste in de poule. Om in de amateurtop mee te kunnen draaien, moet je spelers behoorlijk betalen en word je erg afhankelijk van sponsors en de vraag is of je dat moet willen en of je dan niet erg kwetsbaar wordt. Ik verkies persoonlijk een gezonde vereniging en dat zijn we nu.”

Op het lijf geschreven
Alphons Pije combineerde zijn sportieve taken (deel van de selectie van 1 en 2) dus al snel met bestuurlijke taken. “Ik deed voetbalzaken zaterdag, dus vooral jeugdzaken, toen we nog een gecombineerde zondag-zaterdagclub waren. Dat was toen de rode draad voor mij: jongeren en leden enthousiasmeren en binden. Later, nu nog steeds, werden het meer de algemene zaken, ging ik zo’n beetje het bedrijf runnen.” Met inmiddels veertig jaar business-ervaring en een breed netwerk aan relaties is die rol hem ook op het lijf geschreven. Hij heeft visie en weet die met kracht en overtuiging te presenteren. Maar Mr. DUNO? Nee, dus. Die kwalificatie wijst hij af.

Vol trots laat hij in het prachtige clubhuis (dat een bijzondere financieringsvorm als ‘Buurthuis van de Toekomst’ kent) de foto’s uit de rijke historie van zijn club zien. Zijn club, want het kan natuurlijk geen toeval zijn, dat hij mij eerst vanaf zijn mooie terras hoog aan de Groen van Prinstererlaan zijn uitzicht op de DUNO-velden laat zien. “Kun je je voorstellen, wat je in handen hebt als je vanaf deze plek de wedstrijden van de jeugd zou filmen? Daar zouden ze pas veel van kunnen leren, zien wat er fout is gegaan in een wedstrijd.”

Maar praten met Alphons over het roemruchte verleden van DUNO is vrijwel onmogelijk zonder de link te leggen naar de ontwikkelingen in de loop der jaren en naar het heden. Oké, dit is weliswaar een periodiek vol nostalgie, maar de situatie van nu bespreken moet ‘effe kunnen’.

“Ik lig niet wakker van het feit dat we niet tot de top behoren. Het kost veel geld en daar hebben we de middelen nu eenmaal niet voor. Het zorgt er veelal ook voor dat je verenigingsleven naar de knoppen gaat. Sponsoren staan ook niet meer te springen, stellen terecht de vraag ‘what’s in it for me’. Maakt je ook erg afhankelijk. Daarnaast heb je nu ook een kaderprobleem. In vergelijking met de jaren vijftig en zestig, toen lid zijn van de sportvereniging een levensvervulling was, is er nu minder betrokkenheid. In de jaren zestig smeekten ouders om iets te mogen doen bij de club: timmeren, lijnen kalken, noem maar op. Nu heb je het tegenovergestelde, passief gedrag, lastig om kader te krijgen, mensen hebben geen tijd. Zeggen ze, want het is vaak een kwestie van keuzes maken in je leven. Het spelen van uitwedstrijden ging altijd op de fiets. Nu wordt zelfs binnen Den Haag de auto als vanzelfsprekend beschouwd. Ben ik negatief of somber? Nee, helemaal niet, alleen vraagt deze tijd om andere oplossingen, ook omdat het financieel allemaal anders in elkaar steekt. Destijds kon je de club draaiend houden van de contributies, clubhuizen werden gebouwd door de leden, die timmerman waren of loodgieter. Nu moet je een vereniging in financieel opzicht anders structureren en in dat opzicht heeft het concept ‘Buurthuis van de toekomst’ ook DUNO erg geholpen. En daarbij gaat het niet alleen om idealisme, maar ook om financiële noodzaak. In dit concept hebben zowel de gemeente als de vereniging financieel voordeel. De gemeente moest veel (niet rendabele) wijkgebouwen sluiten en voor de herintegratie van ouderen en andere buurtbewoners (‘doe mee’) de bestaande infrastructuur van verenigingen benutten. En zo heeft deze alternatieve tak van inkomsten aan het voortbestaan van deze middelgrote vereniging (circa 500 leden) bijgedragen. Los daarvan bied je mensen en organisaties (Sanguin bloedbank en 2Samen hebben ieder een deel van de benedenruimte gehuurd) de faciliteiten om maatschappelijk betrokken te blijven. Natuurlijk is iedereen ook welkom als lid van de vereniging, maar dat is geen doel op zich. Er gebeurt hier van alles: kaartje leggen of meer in het bijzonder bridgen, jeu de boules, vergaderingen, sporten voor ouderen. En er is DUNO, voetbalclub en Buurthuis van de Toekomst. Club met een rijke historie, maar ook een club met toekomst. Maar naast dit deel van het huidige financiële concept maakt DUNO ook gebruik van professioneel ondersteuning van stagiaires van de Hogere Hotelschool.”

Pije zal het blijven volgen, zowel vanuit zijn functie van een soort ‘general manager’, als vanaf zijn terras. Met smaak zal hij blijven vertellen over het roemruchte verleden van de jaren zestig, maar zijn blik blijft gericht op de toekomst van zijn DUNO.

Ton van Rijswijk
avanrijswijk@kpnmail.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann