Herinneringen aan het Bezuidenhout

Op mijn eerste stukje over het Bezuidenhout in de Oud-Hagenaar van 7 maart j.l. mocht ik een flink aantal waarderende reacties krijgen met veel herkenning. Ook een ‘corrigerend’ mailtje vol rode potloodstrepen, maar eerlijk is eerlijk: het monument op het Stuyvesantplein zat inderdaad anders in elkaar; het standbeeld van Juliana van Stolberg met haar vijf zonen heeft daar blijkbaar nooit gestaan. In ieder geval voldoe ik graag aan veler verzoek om hierbij deel twee te presenteren met mijn herinneringen. En om dhr. Carl Doeke Eisma aan te halen: mocht e.e.a. eens niet honderd procent kloppen, het boeiende van de herinneringen heeft de voorkeur.

Een tijdje geleden stond een fotootje in De Oud-Hagenaar van de bevrijdingsbeker uit 1955. Deze staat bij mij thuis ook op een prominent plekje. Elke keer dat ik ‘m zie, denk ik aan die warme voorjaarsdag dat ik de Van Heutszstraat uitliep in de richting van de scholen en het sportveld erachter, op de kop van de Loudonstraat. Daar werden ter gelegenheid van de tien jaar bevrijding allerlei activiteiten georganiseerd, zoals hardrennen, zaklopen, etc. Ook kregen alle kinderen zo’n beker met daarin oranje boterbabbelaars in cellofaan. Die kan je trouwens nog steeds krijgen bij Jamin, erop sabbelen brengt mij terug naar dat gelukzalige moment van toen. Op het Stuyvesantplein zat op de hoek van de Juliana van Stolberglaan ook nog een speelgoedwinkeltje. Daar kon je van Airfix vliegtuigbouwpakketjes kopen in plastic zakjes, 75 cent, als ik mij wel herinner. Ze hingen aan een groot draaibaar rek. Ook wat duurdere bouwdozen. Op de hoek van de De Sillestraat en de Altingstraat zat drogisterij De Boer. Dit maakt de weg vrij naar herinneringen aan de familie Jetten, kapelaan Mudde en katholieke jongerenbijeenkomsten in de pastorie van de Goede Raadkerk. De tijd van experimentele missen met bandjes. Niet echt wat voor mij trouwens.

Soms sprak ik met mijn vader af dat ik hem kwam ophalen op zijn werk. Dat was bij het ministerie van Economische Zaken, toen gehuisvest in het noodgebouw ‘Ter Noot’. Een twee etages hoog complex van crèmewitte planken op de plek waar nu het ministerie van Buitenlandse Zaken staat. Een kantine met daarbij een naam ‘Ancher’. Was dat de kantinebaas? De naam werd met een zeker respect uitgesproken.

Als ik daar naartoe liep door het toen nog grotendeels uit puin bestaande Bezuidenhout, had je links op het eind, vóór de oude wijk die zich voor het emplacement van het SS bevond, een stuk open veld, met vlak voor het Schenkviaduct een oud schoolgebouw (Prins Bernhardschool?). Daar zou ik in de tweede klas van de MULO komen. Mijnheer Van Dijk, een sympathieke oude baas, was schoolhoofd. De school verdween i.v.m. de aanleg van de Utrechtsebaan. De school verhuisde naar de Van der Parrastraat. Het schoolblad ‘De Parragraaf’ werd opgericht. Met klasgenoot Ferry werden oude radio’s en versterkers geruild. Hij had een boel broers en zussen. Onder andere mooie Lies. Die vroeg ik een jaar later mee uit op het lustrumfeest van de HTS op de Koninginnegracht. Dat werd gehouden in de Houtrustrotonde. Zij zei ja. Het was erg druk en gezellig. Op een gegeven moment stelde ik voor om te dansen. We stonden op en liepen naar het podium. Halverwege zag ik pas dat er slechts vijf of zes paren aan het stijldansen waren. Oeps! In plaats van even met elkaar te hebben overlegd en teruggelopen te zijn (wat ik nu zou doen) besloot ik om door te lopen en we klommen het trapje op naar de dansvloer. Daar gingen we niet stijldansen, want dat kon ik in ieder geval niet. Het werd dus ‘slijpen’, temidden van prachtig om ons heen wervelende paren met een glimlach op het gezicht. Toen het optreden was afgelopen werden de stijldansers beloond met een dik applaus van de zeker duizend man in de zaal. Of gold dat ook ons doorzetten? Ik weet het niet, maar op één of andere manier voelde het wel stoer en ook Liesje scheen het niet bezwaarlijk te hebben gevonden; een supercoole ‘Faux-pas de deux’!

Mariahoeve
Terug naar de tienjarige die de ontsluiting van Mariahoeve meemaakte. We woonden vlakbij de Nieuwe Veenmolen, in de verste Oosthoek van Den Haag. Het begon met vrachtwagens die naast deze molen, als een verlengde van de IJsclubweg, over een betonnen duiker een hoop zand stortten over de Molensloot die langs de Carel Reinierszkade liep en die de noordrand van de stad vormde. Over deze zandhoop, niet veel later omgevormd tot een weg die de weilanden in liep, liep ik het nieuwe speelgebied in. Hoewel de weilanden al eerder bereikbaar waren door over hekjes en slootjes te springen, al dan niet met behulp van een plank. Ik trok er ook vaak alleen op uit, op zoek naar kikkers, salamanders en stekelbaarsjes. De bewaker die in een kleine keet naast de ingang van het werkterrein werd neergezet, maakte vliegers. Nét op de rand van herinneringen zie ik zijn gestalte en gezicht nog voor me. In ieder geval dat het een vriendelijk iemand was. Ik herinner me nog goed hoe ik van mijn spaargeld een vlieger bij hem mocht kopen met een soort reepje dat rond kon draaien en daarbij geluid maakte. Supertrots op dat ding, maar weinig herinneringen aan veel gevlieger. Óf ik kon het niet goed óf hij was snel kapot. Begin 1958, kort na mijn tiende verjaardag, stond ik op die weg die inmiddels Boekweitkamp heette, te kijken naar een betonnen paal die de grond werd ingeheid voor de eerste woningen die daar kwamen. Dat ging Gerstkamp heten, alwaar ik veertien jaar later vaak op zondag zou gaan kaartspelen bij de familie Weergang. Intussen was het geluid van heien, dat vaak ik ons huis hoorbaar was, tot het ‘geluidsbehang’ gaan horen.

Het dijkje achter de Molensloot (die langs de Carel Reinierszkade liep) had aan de andere kant ook een slootje, de zogenoemde ‘Twee cents sloot’. Als kind speelden we vaak op dat dijkje. Op een dag liep ik daar met mijn vriendjes, toen een paar jongetjes uit de Pijnacker Hordijkstraat met steentjes naar ons begonnen te gooien. Wellicht had dat te maken met een soort ‘klassenstrijd’ tussen de straten. In ieder geval vonden wij het gegooi niet fijn. Ik bedacht zo jong als ik was, een supertruc; ik liet me na een gegooid steentje dat in de buurt kwam opeens op de grond vallen terwijl ik een gil slaakte en met mijn hand naar mijn hoofd greep. Vervolgens siste ik: “Kom om me heen staan!” Aldus geschiedde. Uit onze ooghoeken zagen we dat de branies het op een hollen zetten, waarna we weer opstonden om verder te spelen. Achteraf vind ik dit wel erg slim van zo’n jochie!

Later begon de bouw van Mariahoeve echt gestalte aan te nemen. We struinden de bouwwerken af op zoek naar plastic elektriciteitspijp waarvan we pistolen maakten voor papieren pijltjes of witte besjes. Soms waren die pistolen of mitrailleurs ware kunstwerken met draaiende pijltjesmagazijnen en zo. Zo’n pijltje draaide je in elkaar en trok je in model rond een vinger en de punt maakte je hard door spuug erin te draaien. Vervolgens scheurde je het laatste stuk eraf, zodat het pijltje netjes paste. Jelle Dijk heeft nog zo’n pijltje in zijn oog gekregen, maar volgens mij is dat goed afgelopen. De grote flats aan het Hendrinaland, je kon daar gewoon in en had boven een fantastisch uitzicht over Leidschendam, Leiden, de zee, enzovoort. Vlakbij het paleis stond een oud gebouwtje aan een sloot. Het Kleine Loo? Dat gebouwtje intrigeerde me en ik heb daar wel eens omheen gelopen en naar binnen gegluurd. In mijn herinnering was dat een atelier en vaag zie ik beelden staan in een schemerige ruimte. Niet ver achter het sportveld bij de Loudonstraat stond, achter een grote rij enorme populieren, de ‘Scheermesjesfabriek Indiana’. Nadat de fabriek gestopt was, werd het een clubgebouw voor de padvinders en in 1961 brandde het gebouw af.

Ik werd bij de zondagse kaartmiddagen van de familie Weergang op de Gerstkamp geïntroduceerd door mijn vriend Dick Zeldenrust. Vader Weergang was ook ouderling bij Dick’s kerk en moeder Claske zorgde voor de gezelligheid. Ik herinner mij haar als een hartelijke Friezin waar je niet omheen kon.

Dochter Ria had een vriendje die op een zondag zijn twee zusjes meebracht. Eén van die zusjes trok mijn bijzondere aandacht, hetgeen als snel mijn eerste serieuze relatie tot gevolg had. Nieuwsgierig als Dick en ik waren, gingen we een keer mee naar elkaars kerkdienst. Herinner me wel dat Dick en Henk den Broeder (zoon van een andere ouderling) het erg apart vonden dat wij in de katholieke kerk almaar moesten gaan staan en weer gaan zitten. Gelukkig hadden we afgesproken dat ze maar moesten doen wat de anderen ook deden.

Zondags gingen we onze brommers opvoeren. Dick had een Zündapp, ik een Tomos. Onder het viaduct bij de olieboring door kwam je in de weilanden en het weggetje dat uiteindelijk uitkwam bij de begraafplaats in Leidschendam. Dat was een flink stukje om volgas te geven. Net zolang aan de sproeier prutsen tot de snelheid rond de zestig kilometer per uur kwam. Wat een leuke tijd was het! De tijd van ons eerste stereoplaatje van de Beatles Magical Mystery Tour. De tijd van brommers, hormonen en te laat thuiskomen (en dus op je flikker krijgen). Het concert van de ‘Kinks’ in de Houtrustrotonde met mijn neef ‘uut Twenthe’. Staande direct voor de gigantische geluidsboxen naast het podium voelde ik mijn maag resoneren en werd ik misselijk. Het zelfstandige leven was bijna begonnen!

Ik kan weer contact maken met het rusteloos in mijn bed liggen luisteren naar de nachtelijke geluiden. Een motor die met afnemend gebrul langzaam in de verte verdwijnt (richting Mariahoeve). De klok die twee keer slaat in de verder doodse stilte. Mijn leven met al zijn plannen, verwachtingen, frustraties, verlangens. Het mysterie van het ‘zijn’ dat je heel in de verte begint te vermoeden.

Rob Stappers
rob.stappers@oriste.dds.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann