De architecten van mijn geest (1)

Iedereen heeft wel mensen gekend die een meer dan gemiddelde invloed hebben gehad op hun latere leven. Ouders, vrienden, leraren of schrijvers. In deze aflevering zet ik mijn favoriete leraren in het zonnetje.

Allereerst was daar natuurlijk de onderwijzer die mij vijf jaar lang, van de tweede tot en met de zesde klas van de lagere Montessorischool probeerde voor te bereiden op het leven. Het was toen ook al bijzonder dat je op de lagere school langer dan een jaar dezelfde onderwijzer had. Tegenwoordig komt dat al helemaal niet meer voor. Terecht meent men thans dat de invloed van een onderwijzer gedurende langer dan een jaar ook wel eens nadelig zou kunnen werken.

Van Praag heette mijn meester. Max van Praag. Een bevlogen joodse Antwerpenaar die op de een of andere manier na de oorlog in Den Haag terecht was gekomen en in een huis aan de Daal en Bergselaan leefde met maar liefst twee vrouwen tegelijk. Eerst wisten we dat nog niet. Dat bleek pas later, toen hij de hele klas in het vijfde leerjaar bij hem thuis uitnodigde om joodse matses-koeken te komen proeven. Matses is brood zonder zuurdesem ter herinnering aan de Joodse slavernij en bevrijding en Van Praag achtte het onontbeerlijk voor onze opvoeding om van die matses te hebben geproefd.

Hij was een bevlogen, kleine, ietwat gezette man. Een beetje kalend met rood krullend haar. Zijn compassies probeerde hij op ons over te dragen. Vijf jaar lang. En dan kan het bijna niet anders of er moet wel iets blijven hangen. Zo herinner ik mij nog goed zijn ‘maandagmorgenwijdingen’. Want volgens hem moest iedere nieuwe week worden ingewijd. Met een koffergrammofoon midden in de klas waarop iedere week weer dezelfde plaat werd gedraaid: ‘Abide with me (fast fall the eventide. The darkness deepens: Lord abide with me’, 1861 H.F Lyte). Echt helemaal niets voor tien-twaalfjarigen dus. Maar op den duur moet er iets van de inhoud zijn blijven hangen. Zelfs nu nog kan je me ’s nachts wakker maken om de eerste drie coupletten foutloos uit mijn hoofd te laten zingen.

Na het zingen vertelde hij een verhaaltje. Steeds met een moraal. Gelukkig ben ik die inmiddels allemaal vergeten. Hoop ik. Want achteraf gezien was het natuurlijk wel pure indoctrinatie.

Goethe, Dalcroze, Beethoven
Na de ochtendwijding zongen we nog wat liedjes met elkaar. Zoals ‘La Marmotte’ (1793) met woorden van Goethe en muziek van Beethoven. ‘Mon Hameau’van Dalcroze en een nog een liedje van diezelfde Dalcroze dat begon met ‘Je suis descendu, bourdonnant, bourdonnette…’, waarvan ik de titel vergeten ben.

En dan kon de gewone les beginnen.

Ook die gewone lessen waren vaak wat hoog gegrepen. Waardoor de helft langs ons heen ging. Want het wemelde bij Van Praag van de volwassen, culturele bezieling uit heden en verleden.

Maar als je het me nu vraagt, vind ik dat, ondanks zijn wat eenzijdige keuzes, eigenlijk nog steeds beter dan al dat kinderachtige gelummel en geneuzel waarmee de jeugd van tegenwoordig op scholen onnodig lastig wordt gevallen.

‘Vrijheid in gebondenheid’
Op mijn volgende school, de Dalton HBS aan de Haagse Aronskelkweg, ontbrak het ook al niet aan bevlogen leerkrachten. Dat kon natuurlijk ook niet anders. Want op de Dalton (schoollied: ‘Dalton, als ‘k je noem zie ik jouw verrijzen, aan de rand van Westlands tuin…’) heerste het credo van Helen Parkhurst: ‘Vrijheid in gebondenheid’. En de leraren die daar lesgaven dienden dat in hun lessen te onderstrepen. De één deed dat meer dan de ander. Maar je móest dus niks op de Dalton. Je mócht er leren. En dus leerde ik er niks en bleef zitten in de tweede zowel als de derde klas en halverwege de vierde vluchtte ik naar de Kweekschool.

Maar als ik zeg: ‘ik leerde er niks’, bedoel ik eigenlijk dat ik er geen vreemde talen, geen wiskunde, aardrijkskunde of andere vakbekwaamheden leerde. Maar ik leerde er wel degelijk een heleboel. Toneelspelen. Zingen. En belangrijke zaken over het leven zelf. Daar had ik het zo druk mee, dat ik geen tijd had voor mijn taken en mijn huiswerk.

Als ik aan mijn leraren op de Dalton denk, springen er direct een paar namen naar voren. Allereerst Henk Wage, leraar Nederlands. Maar vooral schrijver van de toneelstukken, die we regelmatig in aula ten overstaan van een zaal vol ouders en andere belangstellenden ten uitvoer brachten.

‘Geen gesneden beeld’, heette zo’n drama bijvoorbeeld. ‘Geen beeld is een mens, deze bloedwarme grens tussen leven en dood…’, herinner ik me. Ook mijn liefde voor literatuur heb ik van Wage. Zijn credo luidde: ‘Het enige dat je voor de klas kunt doen is enthousiast zijn en in je eigen waarheid geloven. Ook al weet je dat die waarheid een illusie is’.

‘Wat vind je er zelf van?’
En dan was er Sipke de Jong, muziekleraar en koorleider. Omdat Kees van Kooten en Wim de Bie (ze zaten een klas hoger dan ik) op het Daltonkoor bij de bassen zaten, wilde ik ook op het koor. Maar dan natuurlijk wel bij de bassen.

Dus vroeg ik op een dag met een overdreven zware, lage stem aan De Jong: ‘Meneer, mag ik ook bij het koor?’

‘Natuurlijk, jongeman’, antwoordde hij. ‘En aan je stem te horen, moet je bij de bassen’.

Enige maanden later zongen we onder zijn leiding de musical van Ignace Lilien: ‘A Negro-girl goes to school’. Dat was naar aanleiding van het toendertijd actuele gegeven dat het eerste negermeisje in de VS naar een blanke school ging. In die musical maakte ik deel uit van het boze, blanke publiek en moesten we heel hard roepen: “‘Spit on her!’, screamed misses Haddebox.”

En natuurlijk zal ik tekenleraar Van der Spek ook nooit vergeten. Van hem mochten we tekenen, schilderen of krijten wat we wilden. Enorme tekenvellen legden we op grote houten zit-schildersezels met een krukje ervoor. De grote plastic potten Talens plakkaatverf waren niet aan te slepen. Als je werkstuk klaar was moest je daarmee naar hem toe. Hij zat op zijn troon midden in het lokaal en verzocht je vriendelijk je resultaat tegen een soort bord acht meter verderop te zetten. En dan moest je naast hem gaan staan terwijl hij langdurig peinzend naar je werk keek. Nadat hij daarmee klaar was vroeg hij meestal: ‘Wat vind je er zelf van?’ En dan wist je gelijk dat hij bemerkingen had. Pas als hij zijn gepeins beëindigde met enkele lovende woorden zat je goed. Al gauw had ik door, dat hij lef en eigen initiatief altijd ruimschoots beloonde.

De ‘zwaarste’ tekening
Sommige mede-leerlingen hadden dat ook door.

Daarom deden wij tijdens zijn ‘lesuren’ vaak een wedstrijd wie de ‘zwaarste’ tekening had. Dat wil zeggen, wie het meeste plakkaatverf op zijn papier durfde te kwasten. Karel Appel was ons daarin immers al met succes voorgegaan. Meestal won ik de wedstrijd. Dat leverde dan ook al gauw een tien voor tekenen op mijn rapport op.

En dat was in de vierde klas dus zo ongeveer mijn enige voldoende.

Reden om naar de Kweekschool te gaan teneinde uiteindelijk leraar tekenen en handvaardigheid te worden.

Ook lovende herinneringen aan de architecten van uw geest? Mail het naar: julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann