Muziek met vallen en opstaan

Lastig gevallen worden met het Ros Beiaard en Bobbejaan klim die berg, terwijl The Everley Brothers, Paul Anka en Franky Avalon toch duidelijk je voorkeur hadden. Een basgitaar aan een heel lang snoer. Het leven van een muzikant in spe gaat niet over rozen.

De eerste muziek die ik hoorde, moet wel haast van mijn vader afkomstig zijn geweest. Dat was als hij uit volle borst stond te zingen terwijl hij zich ’s ochtends voor de spiegel boven de wastafel stond te scheren. Hij was zich nauwelijks bewust van het effect op mijn moeder en mij. Want als ik zeg dat hij er regelmatig naast zat is dat nog heel voorzichtig uitgedrukt. “Kan het niet wat zachter?”, vroeg mijn moeder dan. Of ze deed uit eigener beweging de deur van de badkamer harder dicht dan nodig was.

Zijn gezang was echter nog niets vergeleken met zijn vioolspel. Hij had voor de Tweede Wereldoorlog op de kweekschool gezeten en had toen, zoals alle leerlingen op die school, verplicht een muziekinstrument moeten aanschaffen en leren bespelen.

Indertijd had mijn vader voor viool gekozen. Heel af en toe haalde hij die na mijn geboorte nog wel eens tevoorschijn om een muziekstuk ten gehore te brengen. Zijn favoriet was de befaamde Radetzkymars van Johan Strauss (later door Jan Wolkers in Turks Fruit nóg beroemder geworden met: ‘Tiete kont, tiete kont, tiete kont, kont, kont’.

Om enig tegenwicht te bieden aan het muzikale geweld van mijn vader kwamen mijn ouders na lang beraad overeen, dat er ook een piano in huis moest komen. Om door mijn moeder te worden bespeeld. Zij had vroeger immers pianoles gehad en kon, om maar eens wat noemen, redelijk uit de voeten met Mozart’s Kleine Nachtmusik, het menuet in G-majeur van Bach en Beethoven’s Für Elise.

Dat deed ze zelfs zo goed, dat pa z’n viool definitief aan de wilgen hing en het ook voor de scheerspiegel wat rustiger aan ging doen. Vooral als mijn moeder tijdens dat zingen nogal fors De Hongaarse Dans van Brahms inzette.

Juffrouw Van Dam
Het kon dus niet uitblijven. Toen ik tien werd achtten mijn ouders het wenselijk dat ook ik mij ging bekwamen op muzikaal gebied. “Wat wil je?”, vroegen ze me nog voor de vorm. Waarop ik antwoordde dat mijn voorkeur uitging naar een gitaar. Terwijl ik ook heus wel wist dat het toch gewoon piano zou gaan worden, omdat we die toevallig al hadden staan.

En zo kwam juffrouw Van Dam iedere maandagmiddag langs om mij bij te staan in de muziekleer en het notenschrift in het algemeen en het ten gehore brengen van welluidende pianomuziek in het bijzonder. Het staat me nog bij als de dag van gisteren. Ik wilde zo snel mogelijk de Radetzkymars en The Entertainer onder de knie krijgen. Maar juffrouw Van Dam bleef maar hameren op eenvoudige etudes en overzichtelijke loopjes.

Nóg word ik wel eens badend in het zweet wakker in de volle overtuiging dat het maandagmiddag vijf voor vier is. En dat juffrouw Van Dam elk moment kan verschijnen om te beluisteren hoe ik al die loopjes en etudes, die ze de week daarvoor in een klein notitieboekje ter beoefening had voorgeschreven, door dagelijkse oefening had weten om zetten in vloeiend, routineus pianospel. Terwijl ik de hele week geen toets had aangeraakt.

Juffrouw Van Dam was een schat van een mens. Ze was al wat ouder, was vrijgezel en had een bocheltje. Ze vond het nooit erg als bleek dat ik niet had geoefend. Ze woonde in de Frederikstraat waar alle leerlingen van haar elkaar eens per jaar ontmoetten om elkaar te trakteren op het pianostuk, dat ze het allerbeste beheersten. In ruil voor een geweldig stuk taart en een glas limonade van juffrouw Van Dam.

Wat mijn pianospel betreft kan ik kort zijn: het is nooit wat geworden.

Meneer Bekker
Maar mijn moeder gaf het niet op. Ik was vijftien. “Wil je nou echt geen muziekinstrument leren bespelen?”, begon ze weer.

“Jawel, gitaar”, zei ik. “Dat had ik toch al gezegd?”

En ja, hoor. Deze keer kreeg ik mijn zin. Er werd zowaar een Spaanse gitaar voor me aangeschaft. Hoewel ik natuurlijk had aangedrongen op een elektrische. “Leer het nou maar eerst eens op deze”, bemoeide ook mijn vader zich ermee.

Een leermeester werd gevonden in de vorm van meneer Bekker, die op de eerste etage van de Goudenregenstraat een muziekschool had. Iedere week ging ik erheen met mijn gitaar in een zwarte, plastic hoes.

Meneer Bekker bleek een man met moderne opvattingen. Via het zingen van liedjes, die ik op mijn gitaar diende te begeleiden zou ik de akkoorden leren. Eerst de C, de G en de F. De moeilijke kwamen later.

Nou, dat was natuurlijk prima. Maar niet heus. Het was in de tijd van Paul Anka. Het Kingston Trio. The Kalin Twins. Pat Boone.

Maar meneer Bekker kwam aandragen met het Ros Beiaard, Das Wandern ist des Müllers Lust, Bobbejaan klim die berg en Daar was laatst een meisje loos.

Dat leek op geen enkele manier verenigbaar met mijn wensen. Maar nadat ik aanvankelijk wat akkoorden onder de knie had gekregen via Onze fiere Pinksterblom en de Drie Schuintamboers bleek meneer Bekker ontvankelijk voor mijn verzoek om meer eigentijdsheid in het repertoire aan te brengen.

En na een jaar had ik meneer Bekker niet meer nodig.

In de Tuney Tunes stonden soms akkoorden bij de liedjes. En zo langzamerhand kon ik ze er zelf ook bij verzinnen.

En zo bracht ik ’s avonds urenlang liedjes ten gehore die ik begeleidde op mijn gitaar. Maar alleen als er niemand thuis was, want het gezang van mijn vader voor de scheerspiegel stond me nog te na. En laten we eerlijk zijn: ook ik was niet altijd geheel zuiver op de graat waar het de juiste toonhoogte betrof.

Ik koester nog steeds een schrift vol van die liedjes.

‘Why must I be a teenager in love?’

‘There goes my baby, with someone new’

‘Oho, oho, I love you baby. I love you so’

‘When, when you smile, when you smile at me…’

‘I’m so young and you’re so old’.

‘Klere herrie’
Nu, zestig jaar later, kijk ik wat meewarig glimlachend terug op al die muzikale aspiraties.

Ooit maakte ik zelfs drie jaar lang als bassist deel uit van de band ‘Dy-na-mo-hum’, onder leiding van John de Jong.

Maar toen de bandleden mij tijdens het repeteren in het Haags Popcentrum in mijn eentje met mijn basgitaar (en een heel lang verbindingssnoer naar hun eigen oefenruimte) in een andere ruimte hadden gezet, omdat ik steeds zo aan het zeuren was over ‘die klere herrie’ en ‘of het niet wat zachter kon’, heb ook ik mijn instrument maar aan de wilgen gehangen.

Ook ooit muzikale aspiraties gehad die niet uitkwamen? Mail het naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann