Enrico Giuseppin, een Haagse Italiaan

Wie kent ze niet, de Italiaanse families die decennia geleden uit Noord-Italië naar Den Haag trokken om daar een beter bestaan op te bouwen dan in hun vaderland mogelijk was? Velen gingen hier aan de slag als terrazzowerker (granietwerker) of in het schoorsteenvegersvak. Weer anderen openden een ijssalon, zoals de familie Talamini die al sinds 1932 ijs verkoopt onder de bekende naam Florencia. Maar een Haagse Italiaan die schrijver wordt bij de Postcheque- en Girodienst mag wel tamelijk uitzonderlijk heten. Dat is in 1939 de eerste betrekking van de dan achttienjarige Enrico Giuseppin (1921-1992). Over zijn veelbewogen leven is recent een boek verschenen van de hand van zijn zoon Paolo, die het boek aan zijn vader (“carissimo babbo”) heeft opgedragen.

De familie Giuseppin is afkomstig uit een klein dorpje in de provincie Venezia in Noord-Italië, op ongeveer honderd kilometer van de gelijknamige hoofdstad en veertig kilometer van de Dolomieten. Cultureel behoort het dorp echter tot de aangrenzende regio Friuli. Zo wordt er bijvoorbeeld een variant van het Friulaans, een erkende minderheidstaal, gesproken, Economisch gaat het in Italië in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog slecht. De vader van Enrico zag geen toekomst in het boerenbedrijf en liet zich omscholen tot terrazzowerker, maar ook in deze sector was het moeilijk de kost te verdienen voor zijn gezin dat inmiddels vier kinderen telde. Emigratie is het toverwoord, maar over de bestemming zijn Enrico’s ouders het niet eens: wordt het Amerika of Nederland? In beide landen wonen kennissen van de familie, die vervolgens worden aangeschreven. Afgesproken wordt dat het land van waaruit het eerste bericht komt het land van bestemming zal worden. De eerste brief komt weliswaar uit Amerika, maar Enrico’s moeder die niets wil weten van emigratie naar het verre Amerika houdt deze brief achter. Het wordt dus Nederland en Enrico’s vader vindt in Den Haag werk als terrazzowerker. Na enige tijd kan hij zijn gezin laten overkomen. Op donderdagochtend 4 juli 1929 arriveert moeder Giuseppin met vier kinderen en in verwachting van nummer vijf op Station Staatsspoor. Het gezin vestigt zich in de Wolmaransstraat 75. Daar zal het gezin een jaar lang inwonen bij Jan en Anna Buteijn, die op nummer 77 een café biljart uitbaten. De emigrantenfamilie woont boven het café, dat ’s avonds en op zondag hèt trefpunt is van de Friulaanse gemeenschap in Den Haag. Enrico Giuseppin tekent in zijn dagboek op: “Altijd op zondag om twaalf uur gaan de mannen, na de Heilige Mis in de Brandstraat-kerk, in ‘fila indiana’ (achter elkaar lopend) naar het café. Maar om twee uur gaan zij op huis aan en is het café voor even uitgestorven. Thuis staat dan de spaghetti dampend klaar.”

Na de zomervakantie in september 1929 gaat Enrico voor het eerst in Nederland naar school, naar de R.K. Jongensschool St. Tarcisius C in de Kritzingerstraat 75. De school is vernoemd naar een Romeinse jongeman die in de derde eeuw stierf voor het christelijk geloof. Met de letter C wordt aangeduid dat het de derde rooms-katholieke school in de Kritzingerstraat betreft. Het waren overduidelijk de gloriejaren van het rijke roomse leven, waar de Italiaanse gemeenschap in Den Haag volop aan deelnam. In de loop van de tweede helft van de vorige eeuw waren die gloriejaren voorbij. De Tarcisiusscholen werden in 1983 gesloten. Enrico doorloopt de lagere school zonder problemen en gaat op voorspraak van bovenmeester De Zeeuw naar de R.K. (M)ULO voor jongens St. Tarcisius, eveneens in de Kritzingerstraat maar dan op nummer 71. Later vervolgt hij zijn studie aan de R.K. Handelsdagschool voor jongens. In augustus 1930 had de familie de beschikking gekregen van een eigen huurwoning in de Wolmaransstraat 73, één verdieping hoger. Weer later, in 1937, werd verhuisd naar nummer 307, een parterrewoning met een kleine tuin. Het gaf aan dat de Italiaanse familie, die inmiddels uit negen personen bestond, aan een langzame klim op de maatschappelijke ladder was begonnen. De woning was overigens naar huidige inzichten erg krap voor het grote gezin: drie slaapkamers en een alkoof. Maar in die tijd geen ongebruikelijke woonsituatie. Waar de Friulanen in Den Haag erg van op keken was het houden van duiven, een populaire bezigheid voor veel inwoners van de Transvaalwijk. Ook in de Friulaanse gemeenschap zijn duiven populair. Maar, zoals Enrico in zijn dagboek enigszins omfloerst schrijft, eigenlijk alleen in het voorjaar wanneer ze nog lekker jong zijn. En dan heeft de schrijver het uiteraard niet over duiven mèlken. De Zwarte Vogel in de Schalk Burgerstraat was ook in dit opzicht een begrip in de Haagse duivenwereld, zeker ook onder de Italiaanse gemeenschap.

Inmiddels had Enrico op 16 maart 1939 een aanstelling gekregen als schrijver bij de Postcheque- en Girodienst aan het Spaarneplein 2 voor een beginloon van 30 gulden per maand voor de eerste zes maanden, oplopend tot 40 gulden vanaf oktober 1939. Zijn ambtelijke carrière verliep de eerste jaren voorspoedig. Van de sorteerafdeling werd hij overgeplaatst naar de tikkamer, maar daarvoor moest Enrico wel kunnen aantonen over voldoende plaatsnamenkennis te beschikken. Op 30 december 1941 kreeg hij schriftelijk te horen dat “…de door U afgelegde proef heeft uitgewezen, dat Uw plaatsenkennis van Nederland voldoet aan de deswege door mij gestelde eischen. In Uw eigen belang raad ik U aan ervoor zorg te dragen, dat deze kennis ten minste op hetzelfde peil blijft.” Deze enigszins neerbuigende, maar waarschijnlijk goedbedoelde waarschuwing aan het adres van de jonge Enrico bleek echter al snel geheel zinloos. De oorlog greep steeds dieper in in het dagelijks leven in Nederland en liet ook de familie Giuseppin niet onberoerd. Enrico, nog steeds Italiaans staatsburger, kreeg op 18 februari 1942 een oproep van het Italiaanse consulaat in Rotterdam om zich daar te melden, voorzien van paspoort en zes pasfoto’s. De brief werd ondertekend met “fascistische groeten”. Italië, bondgenoot van Duitsland, riep zijn dienstplichtigen onder de wapenen en ook Enrico ontkwam niet aan deze plicht van wat nog steeds zijn vaderland was. Hij kreeg ontslag bij de Postcheque- en Girodienst en vertrok samen met enkele vrienden naar Italië.

Het boek dat zijn zoon Paolo aan het bijzondere leven van zijn vader heeft gewijd is hoofdzakelijk gebaseerd op de uitgebreide correspondentie van Enrico met het thuisfront gedurende de oorlogsjaren. De titel van het boek luidt Carissimo figlio. De brieven van de vader van Enrico aan zijn zoon begonnen steevast met deze woorden. De correspondentie geeft een indringend beeld van de gevoelens van Enrico aan het oostfront en van die van zijn familie in Den Haag tijdens de drie laatste oorlogsjaren. Natuurlijk kan gesteld worden dat Enrico aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond. Had hij dienst moeten – of kunnen – weigeren? Het zijn morele vragen, waar geen gemakkelijk antwoord op is te geven. In elk geval verkeerde zijn familie in Nederland voortdurend in angst en onzekerheid over zijn lot. En hoewel Enrico na de oorlog weinig mededeelzaam was over zijn ervaringen, is wel duidelijk geworden dat hij verschillende keren aan de dood is ontsnapt. De menselijke kant van een oorlog die ook de familie Giuseppin, evenals zovele andere gezinnen, is overkomen, komt in het boek helder naar voren en maakt het tot een boeiend tijdsdocument.

Eenmaal terug in Den Haag bleek het voor Enrico moeilijk om voldoende inkomen voor zijn grote gezin te verwerven. Met allerlei baantjes probeerde hij de eindjes aan elkaar te knopen. Zo gaat hij langs de deuren om poppen te verkopen en importeert Italiaanse parfum. Pas later vindt hij een vaste baan als chef inkoop bij de importeur van Olivetti-schrijfmachines en weer later wordt hij procuratiehouder van een importfirma van Italiaanse rijwielonderdelen. Naast zijn werk blijft hij werkzaam als vertaler Italiaans in handelszaken. Bij de keuze van zijn werkzaamheden verloochent hij zijn afkomst in elk geval niet. Het lot bracht hem naar Den Haag, maar zijn wortels lagen in Italië.

Hans Lingen
hrlingen@gmail.com

Paolo Giuseppin, Carissimo figlio, Het oorlogsverhaal van een Haagse Italiaan, Uitgeverij De Nieuwe Haagsche, 19,95 euro

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann