Verdrongen tanden- en kiezenleed

In de oorlog geboren. Vader op een fiets met houten banden op zoek naar voedsel. Gebrek aan kalk in dat voedsel. Aan de eerste voorwaarde voor een slecht gebit leek in ieder geval voldaan.

Mijn gebitshistorie is bepaald niet om naar huis te schrijven. De enige reden, dat ik hier toch enige dieptepunten belicht, is dat mijn leeftijdgenoten zich wellicht in sommige details zullen herkennen. En gedeelde smart is na al die jaren nog steeds halve smart.

Het begon al direct. Wat er in de eerste 2,5 jaar aan melktanden en -kiezen bij mij doorbrak, had al direct veel van het spreekwoordelijke afgebrande kerkhof.

Dat kwam, zo legde de tandarts aan mijn verontruste ouders uit, vanwege gebrek aan kalk. Geboren in 1943. Het eind van de oorlog. Weinig voedsel. En het voedsel dat er was -vaak haalde mijn vader dat op het platteland op met een fiets die was uitgerust met houten banden – muntte niet uit in gezondheid. Nauwelijks groenten. Tulpenbollen in plaats van aardappelen. Van opa uit Purmerend kregen we af en toe wat aardappelen toegestuurd. Geen bouwstoffen voor goeie tanden en kiezen dus.

Toch mocht ik mij de eerste zes tot tien levensjaren de trotse bezitter noemen van twaalf melktanden en acht dito-kiezen. Maar nooit allemaal tegelijk. Dan weer brak er een tand af als er een kies op komst was. Dan weer andersom. Maar dat gaf niks, zei mijn moeder. Want de natuur zou mij weldra voorzien van een blijvend gebit. Nou, dat heb ik geweten.

Op deze plek is het niet meer dan passend de rituelen te noemen, die er destijds rond de overgang van het melk- naar het blijvende gebit heersten.

Eerst natuurlijk het buitengewoon afschrikwekkende gebruik om een losse tand te verwijderen met een touwtje dat aan de ene kant om je tand zat en aan de andere kant aan de deurklink van een openstaande deur. Samen met mijn buurjongen Maarten probeerde ik dat uit toen het zover was. Maar ach, steeds bleef het touwtje slap hangen als we de deur dichtsloegen. Dan weer gleed het touwtje van de tand af. Allemaal omdat we de afstanden verkeerd hadden ingeschat. Er moest werkelijk een vader aan te pas komen om het werk tot een bevredigend eind te brengen.

En als de tand er dan uit was, werd ons door onze ouders met een stalen gezicht voorgehouden dat als je die tand onder je kussen legde, hij in de loop van de nacht werd vervangen door een geldstuk. Meestal een dubbeltje. Maar een kies deed ook wel eens een kwartje. Jazeker. Er bestond namelijk een speciale tandenfee die dat wonder voor haar rekening nam. Natuurlijk geloofde je er niks van. Net zomin als je in Sinterklaas of in God geloofde. Maar als je dat hardop zei, was de kans groot, dat je dat geldstuk misliep.

Hoe het verder ging, wilt u niet weten. Lees dus maar niet verder. Voor controle van het gebit hoefde ik in ieder geval niet naar de schooltandarts. Want mijn ouders hadden een briefje aan de meester gegeven, dat ik toch al 24 keer per jaar naar onze eigen tandarts ging. Gelukkig maar. Want het gerucht ging, dat de schooltandarts nog een trapboor had en wel eens moe werd van het trappen, zodat de boor dan knersend en piepend tot stilstand kwam in je rotte kies.

Met mijn eigen tandarts kreeg ik op den duur een soort haat-liefdeverhouding. Steeds was er wel wat. Steeds stelde hij mij gerust. Het zou allemaal goed komen. Dat kwam het ook. Maar anders dan hij had gedacht.

Mijn eerste echte tand, een hoektand boven, wist van geen ophouden met groeien. Zodat hij tenslotte aan het officiële tandartsencriterium ‘olifants-tand’ voldeed.

Die moest er dus direct uit. Anders zou hij wel eens een zogeheten ‘gehemeltespleet’ kunnen veroorzaken. En dan waren we toch echt verder van huis.
Mijn tweede echte tand, een voorsnijtand boven, verloor ik met wortel en al toen ik op mijn vijftiende jaar op een brommer uit de bocht vloog. Dat werd dus een ‘plaatje’ met een kunsttand eraan. Dat zakte steeds naar beneden. En dat werd nog erger, toen mijn tweede snijtand boven, de tand direct naast mijn gebroken voortand dus, afbrak toen ik tijdens een trektocht met een vriend na een lange fietstocht de Sont bij Kopenhagen indook. Ik had op school geleerd dat de Sont de belangrijkste verbinding was tussen de Oostzee en de Noordzee. En dat hij dus wel diep zou zijn. Maar op de plek waar ik erin dook, bedroeg de diepte slechts vijftig centimeter.

De hele terugweg naar huis moest ik met mijn mond dicht fietsen. Want het deed behoorlijk pijn als de wind tegen de blootliggende zenuw aanblies.

Aan het plaatje kwam dus een tweede kunsttand, nadat de tandarts met veel bemoedigende woorden de wortel met de openliggende zenuw verwijderd had.

Een keurige prothese
Moet ik echt nog verder gaan? Moet ik het nog hebben over de kiezen die vooral in het bovengebit er vanzelf uit schenen te vallen, nadat ze een keer of drie waren gevuld? En hoe ik samen met de tandarts op mijn 26ste jaar besloot, dat het maar eens afgelopen moest zijn met alle ellende?

In één keer trok hij alles eruit wat nog restte van de bovenkant van wat mijn vrienden begonnen te betitelen als ‘fietsenstalling’.

Alles werd in een keer vervangen door een keurige prothese. Die draag ik nog steeds. Met veel plezier.

Het ondergebit dreigde dezelfde kant op te gaan. Behalve zes tanden en drie kiezen verwijderde de tandarts ook daar alles en verving dat door een zogenoemde partiële prothese. Die heb ik twee weken ingehad en daarna nooit meer.

Om de een of andere wonderlijke reden heb ik die zes tanden en drie kiezen na 45 jaar nog steeds. Terwijl ik al die jaren nooit meer naar de tandarts ben geweest.

Nou. Dat was het. De historie van mijn gebit. Hier en daar wat opgepoetst. Maar nimmer bezijden de waarheid. Daarvoor staat alles me nog teveel bij.

Ook aan het sukkelen geweest met het gebit? Mail uw verhaal dan naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann