Belevenissen van een Haags oorlogsmeisje

Mijn kinderen en kleinkinderen vragen me regelmatig om mijn herinneringen uit de Tweede Wereldoorlog op te schrijven. Omdat de tijd gaat dringen en er nu nog altijd kinderen in een oorlogssituatie opgroeien, te midden van geweld en angst, zal ik proberen terug te gaan naar mijn kindertijd. Als kind vroeg ik me al af hoe sommige vaders en moeders ten tijde van oorlog tot zulke afschuwelijke daden in staat waren. Vaders en moeders die hun kinderen leren wat goed en kwaad is en die de kinderen veiligheid en geborgenheid moeten bieden.

Nu ga ik proberen om voor de mensen die De Oud-Hagenaar lezen, hier en daar stukjes uit mijn boek beknopt over te nemen, zodat deze verhalen gelezen worden en niet zullen worden vergeten.

Zo begon de oorlog voor mij als meisje van elf jaar.

Houdt dat vreselijke geluid nooit op. Ik word gek van dat lawaai. Mijn moeder staat buiten in de tuin en klopt als een bezetene de gangloper. Ze zwaait als een gek de mattenklopper heen en weer. Aan die loper komt geen eind, meters en meters schuift hij op. Helemaal alleen zit ik daar met mijn handen tegen mijn oren gedrukt.

Oh, moeder, stop hier toch mee! Maar het tumult neemt alleen maar toe. Is mijn lieve moeder gek geworden? Opeens staat ze daar niet meer alleen. Om hun matten te kloppen , duwen een heleboel huisvrouwen elkaar opzij.

Op deze tijd van de dag is het verboden om matten te kloppen, denk ik. Straks krijgen ze allemaal een flinke boete, net goed. Maar het lawaai houdt aan en ik begin zacht te huilen.

Plotseling begin ik te gillen: “Stop hiermee, stoppen.” Dan word ik bij mijn arm gepakt en zacht heen en weer geschud. “Kind wakker worden, word eens wakker!”

Verward kijk ik mijn moeder aan en vraag haar waarom ze niet stopt met dat vreselijke geluid. “Moeder, mattenkloppen mag nu helemaal niet.”

“Kind, het geluid dat je hoort is helemaal niet van mattenkloppen. Word wakker, het is oorlog en dat lawaai is afweergeschut. De Duitsers zijn ons land binnengevallen en er wordt op de vliegtuigen geschoten.”

Geschrokken spring ik op en loop achter mijn moeder aan naar het grote bed waar mijn broertjes en zusjes slaperig bij elkaar zitten. Oorlog hier, dat kan helemaal niet. Dat gebeurt alleen ergens anders, maar niet hier bij ons.

Pappa komt de kamer binnen en ik vraag hem meteen hoe het kan dat het hier nu toch bij ons oorlog is. “Je hebt ons steeds gezegd dat ons land neutraal zal blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog.” Pappa wrijft even over zijn ogen en zegt dan: “Ja, lief kind, daar heb je gelijk in, maar de Duitsers hebben zich niet aan hun afspraak gehouden. Ze zijn vanmorgen heel vroeg onverwachts met vliegtuigen ons land binnen gevallen.”

Mijn jongste broertje, hij is nog zes jaar oud, vraagt: “Moeder, is het nu echt oorlog, gaan we nu allemaal dood?” Dan begint hij hard te huilen en even later huilen wij allen vijf.

Pappa is de enige van ons gezin die zijn brood heeft gegeten in de huiskamer. Daar kan hij ongestoord de nieuwsberichten op de radio volgen. Hij komt de keuken binnen met de mededeling dat alle vliegvelden worden gebombardeerd en er parachutisten landen op Ypenburg. Hij loopt recht door de tuin in en even later zie ik hem op ons schuurtje staan.

“Mag ik naar pappa toe?”, vraag ik aan moeder. Ze knikt en waarschuwt me voorzichtig te zijn. “Pappa, kom gauw van de schuur af, straks word je nog getroffen door een kogel,” roep ik geschrokken. In de verte hoor ik nog steeds het afweergeschut. Hij kijkt omlaag en wenkt me. “Klim maar naar boven en kom ook kijken.” Via het kolenhok klauter ik behendig op de schuur. Mijn vader pakt mijn hand en zegt: “Kijk, daar zie je de parachutisten dalen boven Ypenburg. Dat zijn Duitse militairen. Ze droppen een heel leger, zo te zien.” “Kom pap, laten we maar weer naar binnen gaan,” zeg ik niet op mijn gemak en ik trek hem aan zijn arm richting kolenhok.

Als we ’s avonds al een poosje in bed liggen, hoor ik vreemde geluiden uit de woonkamer komen. De deur van onze slaapkamer mag altijd open blijven staan en daardoor hoor ik duidelijk dat het niet normaal klinkt. Nog even luister ik ingespannen en dan hoor ik het. Huilt moeder daar zo verdrietig? Ik waarschuw mijn zusje en samen luisteren we, zittend in bed, naar dat angstige geluid. Als moeder huilt, huilen we vaak allemaal mee. “Zullen we naar de kamer gaan en kijken wat er aan de hand is?” Maar het is ons verboden om uit bed te komen, alleen voor een plas wordt een uitzondering gemaakt. Zo zacht mogelijk stappen we uit bed en lopen sluipend een stukje de gang in. Met ingehouden adem luisteren we aan de kamerdeur die op een kier staat. Ja, nu horen we duidelijk dat moeder huilt. We lopen behoedzaam de kamer binnen om te vragen wat er aan de hand is. Dan wordt ons vertelt dat oom Piet is gesneuveld. “Wat is er dan met hem gebeurd?” Wij kennen het woord gesneuveld niet. Moeder begint weer te snikken en dan zegt pappa: “Oom Piet is door de Duitsers doodgeschoten.” Die vrolijke jongere broer van moeder, dat moet een vergissing zijn. Zo maar dood, voor altijd weg, nog maar 29 jaar oud. Dan denk ik aan mijn kleine neefje, die nu geen vader meer heeft en begin ik verdrietig te huilen.

“Pappa, waarom is hij dan soldaat geworden?”, vraag ik huilend. “Omdat hij geen keus had, kind. Hij moest voor zijn nummer opkomen. In oorlogstijd worden alle jonge mannen opgeroepen om mee te vechten.” Moeder zit nog steeds te snikken, wat verschrikkelijk voor haar om een broer te verliezen. Ik moet er niet aan denken om één van mijn broertjes kwijt te zijn. Dan zou ik liever ook dood zijn. Bij die gedachte kijk ik naar mijn moeder en denk ik met schrik: zou zij nu ook liever dood zijn? Nee, dat zal ze niet willen. Wat moeten wij beginnen zonder moeder?

Na de middagboterham gaat pappa weer naar Piet, de kapper, om het laatste nieuws te bespreken. Daar komen nog meer mannen samen, een soort mannenvriendenclubje of zoiets. Als hij weer thuis komt, is hij erg somber. Hij vertelt ons dat Rotterdam in lichterlaaie staat. De hele stad brandt. Duizenden mensen zijn dakloos en er zijn veel doden en gewonden. Gelukkig hebben wij daar geen familie wonen.

Maar pappa vertelt ook dat alle grote steden zullen volgen. Dat is schrikken, want Den Haag, waarin wij wonen, is ook een grote stad. Utrecht zal als tweede aan de beurt zijn en dan volgen Amsterdam en Den Haag. Angstig bedenk ik: zijn die moffen van plan om heel Nederland te vernietigen? We eten vroeg die avond, omdat we niet veel anders te doen hebben. Dan komt pappa met het verpletterende bericht dat Nederland zich heeft overgegeven.

Na hevige gevechten met tienduizenden doden en nog veel meer gewonden, zijn we in Duitse handen en bezet gebied. Ik vind het wel geruststellend dat we nu niet gebombardeerd zullen worden, want dat maakte me toch erg bang.

De komende tijd zal er veel veranderen. Nadat de Nederlandse militairen uit onze school vertrokken zijn, zitten er nu Duitsers in. Pas als die ook vertrokken zijn, krijgen we bericht dat we halve dagen school hebben, omdat de benedenschool bezet is door een kweekschool.

We hebben flink gehamsterd. In de geheime kast onder het portiek naar de bovenburen staan wel twintig flessen sla-olie en een heleboel levens- en schoonmaakmiddelen, die niet bederfelijk zijn. Ook hebben we allemaal twee paar nieuwe schoenen op de groei gekregen.

Pappa heeft samen met een medewerker van zijn bedrijf de verduisteringspanelen in elkaar getimmerd. Er komt geen straaltje licht doorheen, want dat levert een vette boete op.

De stad is verduisterd en we mogen na tien uur in de avond niet meer buiten komen.

Pappa luistert naar Radio Oranje, maar hij noemt dat ‘de Engelse zender’, omdat hij niet voor een koningshuis is. Dat is streng verboden en als je gesnapt wordt, pakken ze je op en ga je naar een concentratiekamp. Dat is een soort gevangenis, waar mensen gemarteld worden. Iedere keer als ‘de Engelse zender’ aan staat, ben ik ongerust.

Ik ben ook heel vaak bang als het luchtalarm gaat. Een tijdje geleden, toen ik op de Dierenselaan een boodschap voor moeder moest doen, ging het ook af en iedereen die daar was, moest de schuilkelder in. Eerst wilde ik niet, maar een man van de luchtbescherming duwde me er gewoon in. Het was vreselijk daar onder de grond, ik ga er echt nooit meer in.

Al jaren heb ik me verheugd over het feit dat we in de zesde klas voor drie dagen op schoolreis gaan en nu hebben we gehoord dat het niet doorgaat in verband met oorlogsgevaar. Vijf jaar lang had ik een droom, een droom die de moffen me nu afnemen.

Alles wat die moffen verzinnen, heb je maar gewoon te doen. Zo hebben we al heel wat moeten inleveren. Voor ons mooie, ingeleverde zilveren geld, kregen we echt heel lelijk zinken geld terug. Voor de grote zilveren guldens en rijksdaalders een vodje papier.

Ter informatie
Ik heb hier en daar stukjes uit mijn boek ‘Mattenkloppen’ overgenomen. Als u benieuwd bent naar mijn hele geschiedenis, dan kan het boek op internet besteld worden via uitgeverij Boekscout.nl. Online via www.boekscout.nl. ISBN: 978-90-8834-287-5 of anders via de auteur.

Deze verhalen mogen niet vergeten worden.

Helena Schuemie
helena.schuemie@ziggo.nl
070-3994464

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann