Mijn laatste bezoek aan de Haagse Dierentuin

Nadat ik de voorpagina van De Oud-Hagenaar van 2 mei had gelezen over ‘Jongen uit Spoorwijk beleeft einde WO II’, was ik even sprakeloos. Ik ben toen ook diezelfde avond gearresteerd en zat in dezelfde groep. Maar met mij is het anders verlopen. Ik noem mijn verhaal: ‘Mijn laatste bezoek aan de Haagse Dierentuin’.

Ik woonde aan de Alberdingk Thijmplein, hoek Vosmaerstraat, tegenover de school. Op die bewuste avond, eind februari 1945, zat ik – net 17 jaar oud – met mijn ouders aan tafel. Mijn twee jaar oudere broer was niet thuis, hij werkte ’s nachts in de gaarkeuken aan de Gaslaan. We zaten te koukleumen en op tafel stond een oliepit als verlichting, want gas en elektriciteit was er niet meer. Opeens werd er aan de voordeurbel getrokken en keihard tegen de voordeur gebonkt en geschreeuwd. “Open! Open!” Foute boel, dacht ik en vloog door de keuken het balkon op en langs de regenpijp naar beneden de tuin in. Maar ik had in het donker niet gezien dat er een stuk of zes Duitsers in de tuin mij op stonden te wachten. Ik ben toen op hardhandige wijze weer naar de voordeur gebracht en daar kon mijn moeder mijn jas en schoenen aanreiken. Toen werd ik gebracht naar het boekenwinkeltje op de hoek van de Beetsstraat. En daar stond al een man of tien onder bewaking. Een stuk of drie Duitsers hebben ons hele huis doorzocht op zoek naar mijn broer. Het was dus allemaal ‘verraden werk’. Even later kwam mijn moeder mij nog een klein stukje Zweeds wittebrood brengen en smeekte zij die Duitser om mij vrij te laten. Nee, dus. Even later kwam er een jongeman met een meisje aan zijn arm aangelopen en toen hij wat dichterbij kwam, zag ik dat het Bertus Notting was van de Hildebrandsraat. Ik zeg: “Wegwezen.” Maar toen hij zus had thuisgebracht, zij woonde aan de Oltmanstraat, belde hij nog even aan bij ons om te vragen wat er gebeurd was. Gaat de deur open en staat er een Duitser voor zijn neus en die dacht natuurlijk dat hij mijn broer was, waar zij naar op zoek waren. En even later stond hij ook bij de groep. Ook Wim Bouwman van de Beetsstraat was erbij. Kort daarna moesten wij, inmiddels 25 man, gaan lopen. Voor, opzij en achter ons Duitsers met geweren. Ontsnappen was onmogelijk. Ik was bang dat zij ons zouden fusilleren, denk aan bijvoorbeeld de Parallelweg. Lopend in het hartstikke donker via de Waldorpstraat, Vaillantlaan, Prinsegracht, Spui, naar de Lange Vijverberg. Hier zat de Ortskommandantur. En daar brandde wel licht. Wij werden allemaal geregistreerd en moesten al onze papieren afgeven. Een Ausweis had geen enkele waarde. Maar er werd ook gevraagd of wij honger hadden. En dat hadden wij natuurlijk. Kregen allemaal een portie stamppot. Toen weer verder met de hele groep. Toen dacht ik: nu brengen zij ons naar de gevangenis aan de Pompstationsweg. Maar wij kwamen op het Malieveld aan. Halverwege het Malieveld stond de afzetting van het Spergebied. Toen was het nog maar een paar passen en we stonden in de Haagse Dierentuin. Via de oprijlaan werden wij in het restaurant gebracht. En daar zat al een man of dertig. Over de hele zaal lag een dikke laag stro, daar moesten wij op slapen. Nadat er ontdekt was dat er een raam omhoog geschoven kon worden, ben ik na twee dagen met nog vier man gevlucht. Dat was linke soep, want er liep steeds een wachtpost om het gebouw. Ik ben toen met een man meegelopen die zei wel een onderduikadres voor mij kon vinden op Scheveningen. De man was schoenmaker en woonde in de Molenaarstraat. Maar Scheveningen was een spookstad geworden, er woonde bijna niemand meer. Al lopend zijn we samen in de Renbaanstraat aangekomen bij een schoenmakerij. De man heeft voor mij een onderduikadres gevonden in de Zandvoortstraat. Ik kon daar blijven, totdat er een gelegenheid zou komen om ongemerkt het Spergebied te verlaten, want ik had geen papieren meer. Er was echter een probleem: hij had geen eten voor mij. Het werd mij afgeraden, maar ik ben de volgende dag naar de Scheveningseweg gelopen bij de doorgang van de Promenade. Ik had een smoes verzonnen dat ik vijftien jaar was en dat mijn Ausweis in de maak was. De Duitse wachtpost twijfelde even, maar liet mij toch gaan. En toen hollend naar Spoorwijk. Thuis aangebeld en door de brievenbus geroepen, maar niemand thuis. Toen aangebeld bij goede buren, hoek Vosmaerstraat, de familie Vinju. “Kom boven! Waar kom jij vandaan?” Zij vertelt mij dat mijn moeder naar het Staatsspoor was gegaan, want zij had gehoord dat er een trein ‘onder stoom’ stond en dat die groep uit de Dierentuin hiermee op transport zou gaan. Zij hoopte mij dan nog te zien. Ik weet niet hoe, maar zij is meteen naar het Staatsspoor gegaan en daar stond mijn moeder samen met nog wat mensen. En zij vroeg: “Heb je al wat gezien?” “Nee, nog niet.” “Ga maar naar huis, want Flip zit bij mij binnen.” Ja, dat was wel even huilen, hoor. Nadat mijn broer en ik een tijdje ondergedoken waren bij de familie Vinju, zijn wij ondergedoken bij de familie De Zwart aan de Lidewijdestraat. Ook zij namen toch maar twee jongens in huis met alle risico van dien. Maar ik ben nooit meer in de Haagse Dierentuin geweest.

Een jaar aar na de oorlog moest mijn broer opkomen voor de dienstplicht. Toen voor twee en half jaar naar Nederlands-Indië. Toen hij op de boot zat, moest ik op komen draven voor de dienstplicht en ook ik voor twee en half jaar naar Nederlands-Indië. Op 1 juni 1950 waren wij allebei weer thuis. Zodoende had de oorlog voor ons en onze ouders tien jaar geduurd.

Flip Meershoek
ph.meershoek@gmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann