’t Sluijsje: het verdwenen buurtje bij het Rijswijkseplein

Tot 1834 behoorde de huidige Scheepmakersstraat, nabij het Rijswijkseplein, tot Rijswijks grondgebied. Het was eeuwenlang een gezellig buurtschap waar flink handel werd gedreven. Weinig mensen kennen het bestaan van dit gehucht op de grens met Den Haag.

Op de scheepswerf van de familie Lusthof werd in 1634 al druk getimmerd en gezaagd. De locatie langs de Vliet was uitstekend gekozen. De werf was gelegen ver buiten het zicht van de Rijswijkse bestuurders op een stukje grond grenzend aan de voormalige gasfabriek tot aan de Weteringkade en het Rijswijkseplein. Het was vanouds Rijswijks grondgebied, maar vanwege de beperkte omvang lag het land aanvankelijk braak. Dit stukje grond werd in de volksmond aangeduid als ’t Sluijsje en was vernoemd naar het kleine schutsluisje op de Weteringkade dat daar vanaf de vijftiende eeuw heeft gestaan. Het was een klein gehucht, waar aanvankelijk weinig mensen woonden. Af en toe kwam er een veldwachter langs, maar de trip vanuit Rijswijk was niet zijn grootste hobby.

Scheepswerf
Aan het begin van het gehucht aan het Trekvlietplein stond de vertrouwde Boontjesmolen: een watermolen die vanaf 1446 moest helpen de Bovenveenpolder droog te malen. De molen is op tal van schilderijen terug te vinden. Tot begin twintigste eeuw heeft de molen trouw zijn plichten vervuld, staande naast de Gasfabriek. In de loop van de jaren kwamen er steeds meer huizen in het gehucht te staan, maar ook de bedrijvigheid nam toe. Holland had in de zeventiende en achttiende eeuw een uitmuntend netwerk van waterwegen, waarop levendig scheepvaartverkeer te vinden was. Aan de Vliet zien we diverse rendabele scheepswerven, doch één van de eerste is te vinden aan ’t Sluijsje. Eigenaar Lusthof deed veel aan reparaties, doch maakte daarnaast ook zelf handzame schuiten voor – meestal – de vrachtvaart. Later zien we aan ’t Sluijsje ook een overdekte kolfbaan verschijnen. Vermoedelijk is de weduwe Sap daarmee begonnen rond 1730. Vooral de deftige Hagenaars lieten zich graag vermaken op de gezellige kolfbaan. Naast een balletje slaan was het ook een aangename plaats om te socialiseren zoals we dat tegenwoordig zouden noemen.

Anarchie
Naarmate Den Haag groeide, kreeg het gemeentebestuur steeds meer last van het kleine gehucht. Doordat het zover van het Rijswijkse centrum was gelegen, ontbrak adequaat toezicht. Het gebied leek soms op een anarchistisch bolwerk, waarop ieder zijn gang kon aan. De bewoners konden gemakkelijk de wetten ontduiken of naar hun hand zetten. Een paar eenden vangen voor een heerlijk maal was gauw gepiept. Hetzij voor eigen gebruik, hetzij voor doorverkoop. Een hapje eten en vorstelijk drinken ging uitstekend samen in de oude herberg met de toepasselijke naam ‘Pas Buiten’, die vlakbij het Rijswijkseplein lag. Schepen met afgekeurd vlees en groente kwamen langs de Vliet –dus net over de gemeentegrens met Den Haag- te liggen om vanuit ’t Sluijsje zaken te doen met de Haagse bevolking die er grif op afkwam.

Annexatie
De Haagse burgemeester deed in 1818 zijn beklag bij de Zuid-Hollandse Gedeputeerde Staten over ‘de erbarmelijke situatie, die er heerst in het gebied’. Gevraagd werd om annexatie van deze ‘vrijstaat’, waar wetten massaal werden overtreden. De ambtelijke molens maalden langzaam. Den Haag drong regelmatig aan op voortvarendheid. Uiteindelijk ondertekende Willem I in 1834 de wet die de grenscorrectie regelde.

Meer geschiedenis over de omgeving van het Rijswijkseplein, zie mijn boek ’t Sluijsje (1580-1834), het onbekende Rijswijkse buurtschap bij Den Haag. Verkrijgbaar bij de schrijver: helmhuis@ziggo.nl.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann