Nijhoff: een nieuwe boekhandel

Als laatste onderdeel van het Nijhoff-concern vertel ik u over de nieuwe boekhandel, oftewel het sortiment. Het was 1 januari 1960 toen ik daar als 21-jarige de twee treden opliep naar de voorhal van Lange Voorhout 9, vervolgens de grote marmeren hal betrad met de schitterende staande klok, twee sierkanonnen en het borstbeeld van Wouter Nijhoff (de Grote).

Links een luxe inloopruimte: de showkamer van het antiquariaat met de fraaiste en meest imposante boeken tentoongesteld in halfglazen kasten. Rechts de toegang tot het sortiment met indrukwekkende afmetingen en een hoogte van een meter of zeven.

Ik was onder de indruk: een boekhandel met deze allure had ik nog nooit gezien: Boekenkasten langs de wanden tot een meter onder het (vuile) plafond; een viertal verplaatsbare boekenladders om tot de hoogste planken te kunnen reiken; een forse negentiende eeuwse tafel met de nieuwste aanwinsten.

In de lengte van de ruimte stonden nog verscheidene manshoge kasten, maar desondanks kwam men ernstig plaats tekort om alle ‘instromende’ boeken een plek te geven. Als gevolg hiervan stonden overal boeken in stapels langs de kasten op de grond, wat op mij een onthutsende en slordige indruk maakte en wat ik totaal niet had verwacht in een dergelijk chique bedrijf!

Dat vond z’n oorsprong in het feit dat men al geruime tijd op een nieuwe boekverkoper zat te wachten en gewoon geen tijd had om het inruimen bij te houden. Het was dus duidelijk wat mijn taak zou worden!

Ik moet vermelden dat ik – net na twee jaar militaire dienst – geen enkele ervaring had met het boekenvak. Ik las alles wat los en vast zat, dat wel, maar dat was natuurlijk niet meer dan een aanbeveling.

Collega’s
Mijn chef was de heer Th(eo) Strijker, een rustige, zeer aimabele man, sociaal-democraat in hart en nieren. De tweede man heette Piet Roos, een zeer nerveuze, voortdurend medicatie slikkende Limburger. Dritte im Bunde was Henk Edelman, mijn eerste collega.

Achterin, iets afgescheiden van het sortiment bevond zich de zichtafdeling, waar altijd twee dames werkten; destijds was Lidy Asselman één van hen – ik raakte met haar bevriend, een paar jaar later werd ze m’n schoonzusje! Verder nog Marjan Trapman.

Nijhoff was leverancier van een groot aantal bibliotheken van ministeries, maatschappelijke instellingen en grote bedrijven. Als wezenlijk onderdeel van de service stuurde de firma mogelijk interessante boeken op zicht aan die klanten. De behouden boeken werden gefactureerd en de teruggezonden exemplaren stapelden zich hoog op op een tafel achterin de zaak.

De eerste zes maanden mocht ik niets anders doen dan de retourgekomen zichtboeken een plaats (trachten) te geven bij de desbetreffende rubrieken in de overvolle kasten. Een weinig enthousiasme oproepende taak moet ik zeggen, maar ik leerde op deze manier wel goed de voorraad kennen. Want vanaf dat moment mocht ik ook zo af en toe een klant te woord staan en werd ’t wel leuk!

Zo kregen we in juni 1960 bezoek van de Israëlische president David Ben-Gurion die een staatsbezoek aan ons land bracht, maar ook tijd nam om het Nijhoff-antiquariaat te bezoeken. Vlak voor zijn vertrek liep hij ook nog even het sortiment binnen, trof toevallig mij als eerste en vroeg me waar de boeken stonden over Judaica (Joods leven, religie en cultuur). Hij was zichtbaar verrast door de ruime keuze die hij bij ons aantrof!

Het (particuliere) klantenbestand van Nijhoff was natuurlijk nogal specifiek; gelegen aan het fraaie Voorhout kon je niet spreken van een inloopwinkel. Er kwamen diplomaten, ministers en ambtenaren voor de politieke literatuur, rechtskundigen voor het juridische aanbod, neerlandici en liefhebbers van goede literatuur en van onze grote collectie kunstboeken. Het waren ook vrijwel altijd alleen mannen!

We hadden drie ‘huisvrienden’, te weten dhr. J. Koelink, leraar Duits; mr. Frans ter Spill, lid van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en mr. E.A. Hillen, officier van justitie. Er ging vrijwel geen dag voorbij of zij kwamen tussen de middag even buurten, een praatje maken of commentaar te leveren op ‘the facts of life’.

Eerder memoreerde ik al de vaste klandizie van de studenten van het Institute of Social Studies die hun boekentoelage bij Nijhoff kwamen spenderen.

Een heel curieus gegeven van het sortiment was het feit dat de drie vaste boekverkopers niet over een kassa beschikten! In de bovenste lade van ons bureau hadden we een bak van gevlochten metaal; elke dag kregen we van Nel Brethouwer een vast bedrag van 100 gulden aan wisselgeld, geloof ik. Elke verkoop werd op een velletje papier geschreven, opgeteld en het totaalbedrag de volgende morgen bij Nel afgegeven. De klant kreeg een geschreven kwitantie mee.

Alles ging contant; betaalkaarten en betaalpasjes moesten nog uitgevonden worden. Wel was het voor vaste klanten mogelijk op rekening te kopen; een doorslag van hun aankopen kregen ze mee. Bij één klant liepen die aankopen soms torenhoog op: prof mr. F.J.F.M. Duijnstee, een buitengewoon aimabele man. Ik weet nog dat ik eens van de boekhouding het verzoek kreeg hem te herinneren aan een openstaande rekening van ruim 1.200 gulden. Toen ik dat onder zijn aandacht bracht, vroeg hij me die avond naar Hotel Des Indes te komen, hij zou dan zorgen dat hij het bedrag ter beschikking had. Zo geschiedde, maar ik heb ’t altijd een merkwaardig maar wel mooi verhaal gevonden.

Uitzonderlijk mag ook het feit worden genoemd dat ik nog nooit een voorraadinventarisatie heb meegemaakt! Dat werd gewoonweg niet gedaan. Hoe men dat boekhoudkundig, financieel en/of belastingtechnisch heeft aangepakt? Geen idee.

Nijhoff heeft vrijwel altijd kunnen beschikken over goede boekverkopers. De beroemdste is Henri Mayer (1880-1958) geweest. Vanaf 1911 tot 1945 was hij chef met een speciale belangstelling voor en kennis van de Franse cultuur en het Franse boek. Tot 1956 bleef hij daarna nog adviseur voor die Franse afdeling. Hij had een grote interesse in de letterkundige wereld van zijn tijd en een persoonlijke band met tal van schrijvers en dichters; met sommigen onderhield hij een uitgebreide briefwisseling. In de Tweede Wereldoorlog heeft hij veel gedaan voor de verspreiding van illegale lectuur en stelde hij thuis ruimte beschikbaar voor het houden van geheime bijeenkomsten en lezingen.

Ook een verdienstelijk man tijdens de oorlog was Karel van Boeschoten (1907-1980), Mayer’s tweede man; hij heeft veel gedaan met betrekking tot hulp aan onderduikers, vervalsingen van identiteitspapieren en wapentransporten.

Wanneer Hein Hardon exact aan het sortiment verbonden was, heb ik niet kunnen achterhalen; waarschijnlijk als opvolger van Mayer tot halverwege jaren vijftig, toen Strijker chef werd.

Mijn voorganger bij Nijhoff was Hilco Rodermond. Naar verluid werd hij verliefd op collega Marina (Riet) Veilbrief en dat vond de directie kennelijk niet zo wenselijk. Hij vertrok naar de Nederlandse Antillen, zij naar boekhandel Erasmus in Amsterdam.

Toen Edelman in 1961 naar de exportafdeling overstapte werd Ad van Muyen mijn collega; tot mijn vertrek in 1971 waren wij goede collega’s en speelden we (met de vrouwen) een partijtje bridge bij elkaar thuis. Na mij is ook Sjoerd van Faassen nog enkele jaren in het Nijhoff-sortiment werkzaam geweest. Dhr. Strijker deed de correspondentie voor onze afdeling; als secretaresses herinner ik me Groen en Tineke Dat.

Ik had ’t hierboven al even over het feit dat Nijhoff geen inloopwinkel was, maar dat wil niet zeggen dat we niets te doen hadden! Met de grote instellingen aan wie wij leverden hadden we vrijwel elke dag contact, omdat veel bestellingen toen nog telefonisch werden gedaan, waardoor er soms ook een persoonlijke relatie ontstond. Verscheidene contacten kan ik me nog heel goed herinneren.

Bij de bibliotheek van de Shell werkten toen Puck Beverwijk en mejuffrouw Eenstroom; een zeer belangrijk deel van hun bestellingen bestond uit woordenboeken Engels-Nederlands en vice versa. Daarvan nam men per jaar honderden sets af.

Bibliothecaris van het ministerie van Onderwijs was dhr. Klein Willink; bij Buitenlandse Zaken zwaaide mevrouw Van der Capellen de scepter. Tegenover Nijhoff op het Voorhout was toen nog de Koninklijke Bibliotheek gevestigd – al klant sinds 1853 – in mijn tijd was mejuffrouw Josien Visser de bibliothecaresse.

Ook aan het Voorhout (naast Pulchri) was het CPB (Centraal Planbureau) gevestigd met mejuffrouw Neukircher. Mejuffrouw Van Gogh kocht de boeken in voor de RVD, de Rijksvoorlichtingsdienst aan het Noordeinde. Evenals beide eerder genoemde dames kwam zij ook tussen de middag wel eens even binnen; ze vroeg altijd naar de nieuwste Maigret! Boeken voor de bibliotheek van de Tweede Kamer werden besteld door mejuffrouw Blaauw.

Tenslotte vermeld ik nog een belangrijke klant: de Nederlandse Taalunie. Deze instelling verzorgde de behoefte aan boeken en lesmateriaal voor jonge mensen in het buitenland die daar Nederlands studeerden. Dat ging jaarlijks om duizenden studenten, dus altijd een aardige omzet. Aanvankelijk was mejuffrouw mr. Talsma mijn contactpersoon, na haar pensionering werd zij opgevolgd door Jacqueline Balteau aan wie ik met veel genoegen terugdenk.

Uit de Haagse Courant van 7 mei 1966: ‘De afdeling boekhandel van Martinus Nijhoff is verplaatst van Lange Voorhout 9 naar het naastliggend pand, Lange Voorhout 11, dat in het eerste decennium van deze eeuw, toen nog vele patricische families hun domicilies aan deze fraaie ‘dreef’ hadden, bewoond werd door de familie Repelaer van Driel. Het perceel is reeds sedert 1952 in het bezit van Nijhoff, doch het heeft vele voeten in de aarde gehad, de afd. Comptabiliteit van het Ministerie van Financiën, die er ‘tijdelijk’ gehuisvest was, tot heengaan te bewegen. Daarna begon de strijd om het behoud van de gevel, die de onnutte inhammen ten spijt op de monumentenlijst staat en dus geconserveerd moest worden. Hij is nu in een betonnen ‘corset’ gevat. Al is er nog geen etalage in optima forma, de wandelaars op het Voorhout zien nu achter de ramen, die hun oorspronkelijke onderverdeling hebben teruggekregen, boeken en boekenstellingen. Het Lange Voorhout heeft meer stijl gekregen.’

Ik kan me niet herinneren dat wij in het sortiment redelijk van te voren werden geïnformeerd over het voornemen van de directie ons ‘apegatje’ te verplaatsen. Nou ja, zo ging dat toen. Op een gegeven moment was ’t zover en moesten we ons vermannen!

De nieuwe ruimte leek op ’t oog wat groter, was in ieder geval lichter en alle nieuwe kasten waren op reikhoogte. De verhuizers kwamen en plaatsten alle boeken netjes op onze indicatie in de diverse kasten zoals van te voren gepland; zelf hebben we bijna niet hoeven sjouwen, dat moet gezegd.

De schitterende oude tafel werd vervangen door een tiental nieuwe. Kasten en tafels waren speciaal ontworpen en gemaakt van een middelbruin gekleurde houtsoort; de vloer was van zwart rubber.

Onze oude benaming sortiment paste niet meer voor deze totaal nieuwe sfeer. Het was een gewone boekwinkel geworden! Achteraf heb ik wel eens gedacht dat met die verhuizing het begin van de ondergang van dit fantastische bedrijf mede in gang is gezet…

Dat leek niet lang hierna te worden geaccentueerd door een (wat later bleek) dubbele ramp! Door de verplaatsing van de voorraad was de zaak natuurlijk enkele dagen gesloten geweest; maar met frisse tegenzin was ik op een maandagmorgen aan de slag gegaan. Ik was nog alleen, de collega’s zouden pas in de middag beginnen. Geen vuiltje aan de lucht, zo leek ‘t…

Op een gegeven moment pakte ik ergens een boek uit een kast en mijn oog viel al snel op een donkere rand aan de onderzijde van voor- en achterplat. Links en rechts trok ik willekeurig wat boeken van de plank en ik raakte in een lichte paniek… Vrijwel alle boeken waren aan de onderkant doortrokken van een soort teakolie waarmee men de kasten – met de beste bedoeling, denk ik – had ingesmeerd!!

Toen Strijker, Roos en Ad later arriveerden, begrepen ze eerst niet wat ik probeerde duidelijk te maken: dat de hele voorraad kon worden afgeschreven en moest worden vervangen.

De kastenleverancier heeft er volgens mij waarschijnlijk ook een paar nachten niet van kunnen slapen. Enfin, de kasten werden op een of andere manier ‘behandeld’ en zouden op een gegeven moment wel weer kunnen worden gebruikt…

Het duurde natuurlijk wel geruime tijd voordat de voorraad weer enigszins op peil was, maar wie schetst onze verbijstering toen we er na een paar weken achter kwamen dat opnieuw boeken aangetast bleken te zijn. Zij het in beduidend mindere mate dan de eerste keer, maar toch weer dusdanig dat tot vervanging van een groot deel van de voorraad moest worden overgegaan.

Bob Jongschaap
btjongschaap@ziggo.nl

Dit was het zesde deel over het Nijhoff-concern. In de volgende uitgave van De Oud-Hagenaar verschijnt het zevende en laatste deel van deze reeks.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann