Van Pruisen via Java naar Den Haag

Na jaren sta ik er ineens weer, voor mijn oude mulo aan de Steenwijklaan. Nou ja, ik sta ter hoogte van die school, want het gebouw – zo’n typische wederopbouw-blokkendoos – heeft plaatsgemaakt voor een nieuw en zeer eigentijds pand waarop ik met grote letters zowel Piramide College als Viertaal College lees. Heel fraai, maar met enige weemoed gaan mijn gedachten toch al snel terug naar de Morgenstond-mulo uit ‘mijn tijd’, de vroege jaren zestig. Ik voel de vibe van destijds, hoor stemmen, geluiden, snuif aroma’s, zie gezichten voor me van klasgenoten en leerkrachten. Van de laatsten dringt zich uiteindelijk één persoon naar voren: de lerares Frans. Ze droeg stevige stappers en winterwarme vesten. Half dertig was ze en ongetrouwd, wat ons niet verbaasde. Zij leek ons, ongenuanceerde pubers uit wijk Morgenstond, meer van de vrouwenliefde. Maar hoe we ook over juffrouw Von Grumbkow dachten, ze was een èchte persoonlijkheid. Naar huidige maatstaven: vet cool.

Cliff & the Shadows zijn razend populair, West Side Story is een daverende bioscoophit en the Beatles bonken op de voordeur. In dat tijdsgewricht komt juffrouw Von Grumbkow in haar angstwekkend overhellende Citroën 2CV de bocht om scheuren waarna ze hem geroutineerd parkeert naast ons schoolgebouw, zo’n typische wederopbouw-blokkendoos. Bij binnenkomst in ons klaslokaal kijkt ze onaantastbaar voor zich uit, stapt als een paratroeper op het houten plateau dat haar dominantie accentueert, laat haar tot de nok toe met proefwerken gevulde tas op haar bureau dreunen, houdt pontificaal d’r winterjas aan (zij, overduidelijk Indisch, heeft het altijd koud), neemt plaats en kijkt ons aan met een blik van ik-lust-jullie-rauw. Als in lamplicht gevangen konijnen wachten wij ons vonnis af. Mondelinge overhoringen, alweer ’n repetitie, een retirade over ons bedroevende niveau? Maar evenzogoed begint ze over het Hollandse klimaat waar ze een pesthekel aan heeft, of met een bitse mededeling uit de lerarenkamer. Ze is, kortom, nogal buiig. Frans doceert ze, een discipline en taal die zij uitstekend beheerst. Wij niet.

Goddank stapt ze ook wel eens met haar góede been uit bed. Ze is dan op een recalcitrante manier humoristisch én haar mooie witte lach breekt door. Op zulke hemelse dagen kan haar keurige ABN zomaar plaatsmaken voor een hilarisch Indisch accent vol bakelieten d’s en b’s, scheurende r’en en achterover hangende klinkers. Een Tante Lien avant la lettre. Op dit soort momenten ligt de klas – opgelucht – aan haar voeten.

Pinda’s
Ik mocht ‘dat gekke mens’ wel, maar mijn sympathie werd soms zwaar op de proef gesteld. Zo sprak ze, zomaar tijdens de behandeling van de subjonctief, mij en de andere Indische kinderen in de klas ineens vermanend toe. “Jullie moet je niet zo op je kóp laten zitten!,” blafte ze. “Altijd maar die valse bescheidenheid. Bijt ‘ns wat meer van je af!” Tja, Den Haag was natuurlijk de Weduwe van Indië, dus wemelde het van de pinda’s, zeker in de nieuwbouwwijken in Zuid-West. Trouwens, ook het onderwijzend personeel van de Morgenstond-mulo had voor een niet onbeduidend deel een Indo-achtergrond. Datzelfde gold toen voor de hitparade, denk aan Anneke Grönloh, Blue Diamonds, Crazy Rockers en Tielman Brothers, maar dit terzijde. Soeda!

Hoe of het zat met de subjonctief ben ik al lang vergeten, maar dat geldt niet voor deze markante lerares. Hoe zou het nu – 55 jaar later – met haar zijn?

Na wat gegoogel kreeg ik mailcontact met enkele familieleden. Deze berichtten mij dat ze van voren Jet heette. Nooit geweten, destijds waren voornamen van docenten voor ons taboe; wij zeiden met Haagse tongval gewoon ‘Gumkôf’ of ‘Gumpie’. Wat me echter direct droef stemde was het gegeven dat Jet von Grumbkow in 1994 in het Rode Kruisziekenhuis was overleden, op haar 66ste, na een kort ziekbed. Ongehuwd en kinderloos. Tsja. Ook kwam ik te weten dat haar wieg in Cirebon op Java stond, in 1928. Maar uhh…, hoe kwam je in de Tropen aan zo’n uitgesproken Teutoonse achternaam? En waarom Den Haag?

Van Pruisen naar Java
Ene Heinrich Julius Ottomar Erhard von Grumbkow, geboren in 1840 te Wittenberge in het toenmalige Pruisen, verhuisde op achttienjarige leeftijd samen met zijn ouders naar Nederland. Waarom is onbekend, wellicht waren er economische motieven – gelukszoekers zijn van alle tijden. Kort daarop meldde de jonge Heinrich, mogelijk uit hang naar avontuur, zich aan bij het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk, onderdeel van het Ministerie van Oorlog. Na zijn goedkeuring tekende hij hier in als contractant bij het Oost-Indische Leger, voorloper van het KNIL.

Na voltooiing van zijn militaire opleiding vertrok Heinrich von Grumbkow in 1862 als sergeant naar Nederlands-Indië waar hij een nieuw leven tegemoet ging. Hij zou er blijven tot aan zijn dood in 1902 te Bandung. Maar ver voor hij zijn laatste adem uitblies had hij Soeri ontmoet, een Javaanse. Een huwelijk volgde. Op dát moment vloeiden Pruisen en Java samen.

Soeri schonk Heinrich veel kinderen, zoals dat zo fraai heette in pre-feministische tijden. Op hùn beurt zouden deze kinderen hun Pruisische achternaam verder verspreiden over de Indische archipel. Dat gold zeker voor een van de zonen: Henk, geboren in 1895. Deze Henk kreeg, na te zijn getrouwd met jeugdvriendin Jenny Detiger, zes nakomelingen. Van dit zestal werd de laatste geboren in 1928: Henriëtte Louise, oftewel Jet, mijn latere lerares. Haar jeugd en schooltijd passeerden in relatieve rust en onbezorgdheid. Maar dát veranderde.

Gezinstragedie
Vanwege het Europees Verlof van vader Henk von Grumbkow, die in Bandung werkzaam was bij de Staatsspoorwegen, vertrok het gezin in 1939 vanuit Batavia, het huidige Jakarta, met de SS Slamat naar Holland. Jet zal toen zo’n elf jaar zijn geweest. Wat volgde was pure, welhaast filmische dramatiek.

Tijdens het verlof, dat de familie doorbracht in ’s Gravenhage, brak WO2 uit, de Duitsers vielen Nederland binnen. Aangezien de Von Grumbkowjes de retourtickets al op zak hadden, haastten ze zich direct na de inval per taxi naar IJmuiden waar ze zich weer zouden inschepen voor terugkeer naar het geliefde Indië (dat op dat moment nog niet bij de oorlog betrokken was). Deze missie mislukte echter jammerlijk doordat de route geblokkeerd werd door Duitse luchtlandingstroepen. Geheel ontdaan keerden ze terug naar hun verlofadres in de Haagse Bomenbuurt. Ze hadden letterlijk de boot gemist. Erger kun je het je nauwelijks voorstellen: ze kwamen voor een tijdelijk verblijf uit het weldadige warme Land van Overvloed en zaten nu ineens muurvast in het grauwe vaderland dat een ijzige, vijf jaar durende bezetting tegemoet ging, inclusief de Hongerwinter. En ach, hier komt bij mij het beeld weer boven van mijn juf Frans die in de klas haar winterjas vaak aanhield.

Indachtig de Wet van Murphy breidde het oorlogsdrama rond het onfortuinlijke gezin zich verder uit. Jets vader werd, samen met honderden andere Indische verlofgangers die klem waren komen te zitten, opgepakt en vastgezet in het beruchte kamp Buchenwald. Het dieptepunt in deze gezinstragedie kwam in 1942 toen Jets moeder – Jenny von Grumbkow-Detiger – overleed aan ontreddering en verdriet in haar woning in de Acaciastraat. De zes kinderen stonden er nu alleen voor; in een voor hen vreemd en koud land; in het Den Haag-in-oorlogstijd. Jet, de jongste, was toen pakweg dertien.

Gelukkig werd enige tijd later vader Henk weer vrijgelaten, waarom was hem niet duidelijk. Bij thuiskomst, aan de Acaciastraat 154, kreeg hij van zijn kinderen te horen dat hij onlangs weduwnaar was geworden…

Na de oorlog was terugkeer naar Java geen optie meer voor vader Von Grumbkow en zijn zes inmiddels (bijna) volwassen kinderen. Moeder Jenny lag hier immers begraven op Nieuw Eykenduinen en in thuisland Indië broeide, na de Japanse bezetting, het verlangen naar onafhankelijkheid, met veel geweld tot gevolg. Het gezin koos daarom definitief voor Nederland. Jet stortte zich op haar studie en na het verkrijgen van de nodige aktes ging zij het Haagse onderwijs in. Zodoende stapte zij – dat coole wijf met die edele Pruisische achternaam – in 1962 mijn klas binnen van de oude Morgenstond-mulo aan de Steenwijklaan. Streng en humeurig, maar ook kundig en niet zonder humor. Op stevige stappers, in een warme jas die ze vaak aanhield, want ze had het altijd koud.

Ruud Nagel
ruudnagel@hetnet.nl

Met dank aan Henk Anthonijsz en Ben Dankmeyer, neven van Jet (Henriëtte) von Grumbkow, vanwege hun informatie en het beschikbaar stellen van fotomateriaal.

Dit artikel verscheen – in gewijzigde vorm – eerder in het maandblad Moesson.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann