Hoeksteen van de nieuwe buurt

De hoek Laan van Meerdervoort en de Fahrenheitstraat heeft een bijzondere geschiedenis. Begin twintigste eeuw wordt er een beroemde fabriek gebouwd. Een paar decennia later wordt de fabriek vervangen door woningen, winkels en een theater: de hoeksteen van de nieuwe Bomenbuurt.

Het voormalige grondgebied Valkenbosch, omstreeks 1900 in het bezit van Koning Willem II, was nog nauwelijks bebouwd. Dichtbij de kust stond aan de Havenkade in Scheveningen de ‘Chocolaad en cacaofabriek De Arend’ van J.P. Rademaker. In 1901 brandde het pand tot de grond toe af en mocht wegens veiligheidsredenen niet op die plek herbouwd worden. Daarom werd aan de rand van de stad een nieuwe locatie gezocht met goede aan- en afvoerwegen. De grond voor deze fabriek is gekocht van de opa van de heer J. Zuijdwijk. Zijn tuindersbedrijf werd verhuisd richting Thomsonlaan. Toen daar later gebouwd ging worden moest hij opnieuw verkassen. Aan de Laan van Meerdervoort, tussen de huidige Fahrenheitstraat en Valkenboskade, dichtbij de Valkenbosvaart, ontwierp de architect W.B. van Liefland in 1902 een moderne fabriek. In Scheveningen was hij bekend geworden als Jugendstil of Art Nouveau-architect, wat te zien was aan zijn ontwerp van de Pier en het oude Circustheater. Bij zijn ontwerp voor de nieuwe fabriek zou vooral de lange gevel vol fraaie Jugendstil ornamenten aan de voorzijde opvallen.

Rademaker was bekend van zijn Rademaker Haagsche Hopjes. Het snoepje met een lichte koffie- en karamelsmaak ‘de brokken van Baron Hop’ kreeg na het succes in 1880 de naam het Haagsche Hopje. Aangetrokken door dit succes ontstonden er in de negentiende eeuw steeds meer bedrijven die het snoepje gingen namaken. Rademaker werd de grootste. Handig adverteerde hij dat zijn hopjes ‘de eenige echte’ waren. Zijn bonbons werden daarom verpakt in zwart met gele wikkels en de tekst ‘alleen echt met dit merk’. Met die pakkende vormgeving was hij daarmee het eerste bedrijf dat zoiets deed.

Zelf woonde Rademaker op loopafstand van zijn fabriek, op de Laan van Meerdervoort 277. Zijn kinderen liepen door de weilanden naar de grote fabriek om daar ezeltje te gaan rijden. Daar werkten tussen 1904-1911 ruim 200 mensen minimaal twaalf tot veertien uur per dag. Tijdens de lunchpauze van anderhalf uur wandelde het personeel in de daarachter gelegen duinen. Pas in 1911 werd de 10-urige werkdag voor vrouwen en kinderen ingevoerd. Er volgden in de loop der jaren diverse verbouwingen en uitbreidingen van de fabriek. Een nieuwe stoommachine van 300 pk werd aangeschaft, die voor twaalf keer meer capaciteit zorgde dan in de beginjaren.

De periode op de Laan van Meerdervoort werd voor Rademaker dé grote bloeitijd. Zijn Rademaker Hopjes werden wereldberoemd, zodat iedereen hopjes nu met zijn product identificeerde. De naam van de fabriek zou in 1913 gewijzigd worden in Rademaker’s Koninklijke Cacao- en Chocoladefabriek. Nu exporteerde het wereldwijd cacao, chocolade, hopjes en bonbons. Door voortdurende aanbouw zou het complex uitgroeien tot een van de grote fabrieken in zijn tijd.

De fabriek wilde na 1918 opnieuw uitbreiden, maar een groot deel van de Bomenbuurt was intussen bebouwd. Door de strengere veiligheidsregels voor fabrieken in woonwijken vertrok het bedrijf van Rademaker naar de nieuwe industriehaven Laakhaven. Pas vanaf 1921 werd daar een moderne, veel grotere fabriek gebouwd die klaar was in 1923. Daarna werd de oude fabriek aan de Laan van Meerdervoort in september 1924 afgebroken. Maar tot 1930 bleef op de hoek van de Fahrenheitstraat en Acaciastraat nog een stuk van de oude fabriek staan.

Ontwerpwedstrijd (1924)
Voor deze unieke locatie aan de Laan van Meerdervoort hoek Fahrenheitstraat lagen al plannen klaar. Joh. P. Schippers, Valkenboskade 466 was een bekende particuliere aannemer. Hij schreef in juli 1924 een prijsvraag uit voor ‘het ontwerp van een gevel voor een winkelgalerij en een café-restaurant te ’s Gravenhage’.

Met zijn Bouwbureau had Schippers al een groot deel van de Bomenbuurt en talloze huizen en winkels in andere wijken gebouwd. Dat gaf hem een machtige positie. Doordat hij kapitaal had en met veel architecten samenwerkte, was hij bekend geworden en kon hij voor eigen risico bouwen. Een prijsvraag was in die tijd gebruikelijk en leverde niet alleen een goed resultaat op, maar ook veel publiciteit.

Jury
Voor architecten was deze prijsvraag een uitdaging. Een grote kavel waarbij ook een beeldbepalende gevel werd gevraagd, die aansloot bij de rest van de bebouwing. De verschillende inzendingen werden beoordeeld door een jury waarin de architecten H.P. Berlage, Ir. M.J. Grandpré Molière samen met Joh. P. Schippers zitting namen. Voor deze grote opdracht deden veel grote bekende en onbekende architecten mee. De winnaar zou voor zijn ontwerp duizend gulden ontvangen, in die tijd een aanzienlijk bedrag. Bij uitvoering ontving de ontwerper, die de leiding over het bouwproces kreeg, een honorarium van drieduizend gulden.

Een tentoonstelling van de 153 inzendingen met 600 ontwerptekeningen (waaronder die van Jan Wils, Cor van Eesteren en Theo van Doesburg), werd al in september 1924 in de voormalige expeditiezaal van Rademaker’s fabriek in de Fahrenheitstraat gehouden. Binnen drie maanden werd de winnaar, de Amsterdamse architect A.J. Westerman, bekendgemaakt in het Bouwkundig Weekblad van november 1924. Westerman had net als Grandpré Molière soortgelijke ervaring opgedaan als ontwerper bij de Dienst Publieke Werken, waar hij tussen 1914 en 1922 scholen, woningen en badhuizen had ontworpen. En evenals Berlage had hij in de stijl van de Amsterdamse School gewerkt.

Blokjesmotief
In 1924 ontwierp Westerman een modern, strak complex van woningen en een overdekte winkelgalerij met een café-restaurant van drie verdiepingen. De Galerij werd in 1926 opgeleverd. Het gebouw heeft platte daken en tussen de ramen een zwart blokjesmotief. Het werd uitgevoerd in opvallende gele baksteen met ongebruikelijke raamverdelingen. De winkels kregen een doorlopende teakhouten winkelpui en de onderkant was doorlopend uitgevoerd in een zwart gepolijste natuurstenen plint, die werd herhaald op de gele kolommen van baksteen. De monumentale houders van de uitstekende winkelborden zijn gemaakt van het zwarte natuursteen.

Het hoekgebouw van drie verdiepingen was bestemd voor het café-restaurant op de begane grond, twee zalen erboven en twee woningen. Daarop stond een toren, waarop de naam De Galerij in drukletters was geschilderd. Dezelfde letters stonden ook boven de ingang aan de Laan van Meerdervoort. Beiden waren al van veraf goed te zien. Als extra accent plaatste Westerman, naast deze ingang doorlopend over de gehele hoek, gele dubbele steunvormen tussen de witte ramen en de zwarte natuurstenen plint. Tegenwoordig zijn alleen maar dubbele gele blokken te zien, die het oorspronkelijke beoogde effect teniet doen.

Intact
Tegenwoordig geldt dit gebouw in Nederland als één van de weinige intact gebleven winkelgalerijen uit deze periode van de architectuurgeschiedenis. Het is een voorbeeld van een woon-/winkelgalerij, die ook nu nog volledig functioneert. Het gebouw, dat een flinke opknapbeurt goed kan gebruiken, zou eigenlijk een monument moeten worden. Daarmee zou het voor de buurt en de winkeliers als uniek gebouw behouden blijven. Alleen al het terugbrengen van de toren met de belettering zal zijn uitstraling versterken.

Woon-winkelcomplex (1926)
De samenwerking met Bouwbureau Joh. Schippers was goed verlopen en het resultaat uitstekend. Het publiek had enthousiast gereageerd op zijn gebouw en in kranten werd het positief besproken. Het was strak vormgegeven in rustige, rechte lijnen, als een combinatie van Amsterdamse School en Nieuwe Zakelijkheid: men noemde het ‘een sieraad’. Joh. Schippers had ondertussen al in november 1925 grond aangekocht van de ’s Gravenhaagsche Melkinrichting de Sierkan. Zo kreeg Westerman eind van het jaar, onmiddellijk na de oplevering van De Galerij, de opdracht van N.V. Lijnkamps Kleedingmagazijn om een tweede woon-winkelcomplex te ontwerpen, op de hoek Fahrenheitstraat-Thomsonlaan. Schippers was vanzelfsprekend de aannemer.

Hij paste hier opnieuw de gele baksteen toe en de doorlopende winkelpui van donker hardhout. De galerij is niet overdekt maar heeft inspringende portieken en schuine winkelingangen. Onder de dakrand is een zwart blokjesmotief geschilderd. Beide complexen zijn voorzien van een opvallend verhoogd blok dat bekroond werd met een lichtreclame.

West-End (1930-1931)
Al vanaf oktober 1924 waren er besprekingen gaande tussen Bouwbureau Joh. P. Schippers en andere partijen om ‘in het Boom- en Bloemkwartier een bioscoop-theater annex theater te vestigen’, schreef het Algemeen Handelsblad. In 1930 waren de plannen eindelijk concreet en kreeg Westerman een nieuwe opdracht van de NV Nederlandse Bioscoop-trust: een modern, multifunctioneel gebouw, een combinatie van bioscoop en theater. De gevel zou aansluiten op De Galerij. Hij gebruikte dezelfde gele baksteen, waardoor beide ontwerpen een geheel werden. Onder de dakrand bracht hij enkele banden van donkere steen aan als een accent. De twee ingangen aan de zijkanten werden door zwarte banden van natuursteen extra geaccentueerd. Het gebouw kreeg een filmzaal met 815 zitplaatsen en behoorde daarmee tot de grotere bioscopen. Comfort was voor het Haagse publiek belangrijk en dus werden er door fa. Pander speciale stoelen gemaakt. Het was speciaal gebouwd voor de vertoning van geluidsfilms en had een eigen orkest, dat ook voor het theater kon worden gebruikt.

De Galerij
De naam West-End dankte het theater aan een prijsvraag die het publiek uitdaagde een mooie naam voor het nieuwe theater te kiezen. Deze naam werd door veel mensen gekozen, en was in 1924 ook als suggestie ingezonden voor de prijsvraag, die de naam De Galerij opleverde.

Volgens sommigen suggereerde het dat Den Haag-West hier eindigde. Maar het is afkomstig uit Londen waar West End staat voor theater en uitgaansdistrict. Ook wordt het gebruikt voor een minder avantgardistisch en commerciëler theatergenre.

Na de opening van het theater op 29 oktober 1931 werden er veel lovende kritieken geschreven over architectuur, inrichting, decoratie en comfort.

‘Een breeden luifel’
In het tijdschrift Bouwbedrijf van 26 februari 1932 was er een fotoreportage met aandacht voor de architectuur en het interieur. Nog voor de opening werd er op 25 september 1931 in het Nieuw Weekblad voor de Cinematografie een uitgebreide beschrijving van het nieuwe multifunctionele theater gegeven:

‘Het gebouw is in modernen trant opgetrokken en past zich wat stijl en uiterlijke kenteekenen betreft, geheel aan bij het daarnaast gelegen café “De Galerij”. De flinke, fleurige, in gelen steen uitgevoerde gevel is ruim 22 meter breed. De strakke lijn wordt gebroken door een breeden luifel, die bijna over de geheele breedte van het front loopt. Een ruime hall geeft toegang tot de zaal en het balcon, waarin tezamen 900 plaatsen zijn, een flink aantal, dat voor de groote theaters hier ter stede niet veel onderdoet. Achter het balcon is een ruime en gezellige foyer, terwijl zich aan de zijkanten van de hall kantoren, garderobes en toiletten bevinden. Een tooneel met een ‘opening’ van 10 meter sluit de zaal af. Er voor bevindt zich een flinke orkestruimte, want al heeft geluidsfilm dan zegegevierd … een flink orkest zal in het nieuwe theater niet ontbreken en evenmin een tweede plans rol vervullen … Zoals men weet is dit theater speciaal als “sound-theater”gebouwd.

… De vorm van de zaal doet denken aan een kubus (en meet 23 bij 20 meter). Van het tooneel af loopen verschillende “stroomlijnen” om het geluid gelegenheid te geven zich een gemakkelijken weg te zoeken. …

‘Het oog wil bekoord zijn’
Het oog wil bekoord zijn … De hooge, mahoniekleurige betimmeringen van de zaal en ’t tooneel geven het geheel een stemmig cachet, dat geaccentueerd wordt door de fraaie decoraties van den sierkunstenaar Jaap Gidding, die met pastelkleurige nuances en moderne vlakverdeelingen voor een rustig en voornaam stemmend interieur zorgde. Het is voorts een wensch geweest om het publiek zooveel mogelijk comfort te brengen. Men is daarom afgeweken van de voor bijna alle theaters geldende vaste maten van stoelen en fauteuils en heeft deze speciaal laten vervaardigen, kloek en breed, sterk en gemakkelijk. … De gevel wordt gedeeltelijk door Neon, gedeeltelijk door “floodlight” verlicht. Vooral de groote verlichte luifel zal een prettigen indruk maken’.

Jan de Lange

Dit artikel verscheen in het boek Een eeuw Bomenbuurt, uitgegeven door bewonersorganisatie SBOB.

Het boek is voor 10 euro te koop bij de Bagels&Beans, Thomsonlaan 53, Den Haag.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann