Het antiquariaat in de periode van Martinus en Boele van Hensbroek

Martinus was als 19-jarige in 1845 bij zijn vader als leerling in dienst getreden en hij kwam er al vrij snel achter dat zijn belangstelling uitsluitend en alleen uit ging naar het oude boek. Vanaf het allereerste begin hield hij zich bezig met catalogiseren omdat hij er zo’n lol in had; verder bewees hij zijn vader een grote dienst met het samenstellen van een magazijncatalogus.

Als we het ‘Levensbericht van Martinus Nijhoff’, in 1895 geschreven door P.A.M. Boele van Hensbroek mogen geloven, was Martinus in zijn gezinsleven eigenlijk een saaie man. ‘Zijne uiterlijke levensomstandigheden waren weinig geaccidenteerd en nauw het beschrijven waard’, lezen we.

Zulks in tegenstelling tot zijn beroepsleven: als hij boeken zag, rook of in handen had werd hij een totaal ander mens. Hij was in de goede zin van boeken bezeten en deze instelling heeft er toe geleid dat hij juist in de wereld van het oude boek, het antiquariaat, zijn sporen zeer heeft verdiend!

Vooral zijn accuratesse m.b.t. de boekbeschrijvingen in zijn catalogi gaven hem al snel een naam van uiterste betrouwbaarheid. Hij was de eerste die systematische vakcatalogi samenstelde, die daardoor ook grote waarde kregen en hielden als bibliografie van dat vak of van die betreffende wetenschap.

Bijvoorbeeld zijn in 1871 verschenen vaderlandse geschiedeniscatalogus Bibliotheca historico-neerlandica (308 pag.) die destijds veel aandacht trok van wetenschappers en vakgenoten. Het trof natuurlijk goed dat hij zich juist in Den Haag had gevestigd, want de hofstad met zijn vele hooggeplaatsten, diplomaten, ambtenaren, letterkundigen en geleerden bleek voor het soort boeken waar Nijhoff in handelde de beste omgeving te zijn. Zijn naam als begaafd en bekwaam antiquaar was voorgoed gevestigd en legde een brede basis onder zijn bedrijf. Omdat zijn latere opvolgers en hun bekwame medewerkers over dezelfde kwaliteiten beschikten, bleef de firma Nijhoff gedurende vrijwel zijn hele bestaan aan de top.

In de periode 1853 tot 1960 zijn er door Nijhoff zo’n 800 (!) antiquariaatscatalogi uitgebracht, elk gemiddeld 40 à 50 pag. Vanaf een zeker moment – ik schat vanaf begin jaren twintig – toen de export min of meer ‘explodeerde’, verschenen de catalogi in het engels, incl. de boekbeschrijving.

Er was nog een aspect wat betreft de handel in het oude boek en dat waren de boekveilingen. Vroeger – en zeker vanaf het midden der 19e eeuw – werd er vooral door wetenschappers en de hogere standen nog veel gelezen en eigen bibliotheken opgebouwd. Bij overlijden van de eigenaar werden die bibliotheken vaak verkocht via boekveilingen, georganiseerd door een antiquaar nadat hij er eerst zelf boeken van zijn gading uit had gekocht.

Veilingmeester
Zo ook Martinus, die aanvankelijk zo’n stuk of twee, drie kleine veilingen per jaar deed; maar helaas leverden die niet op wat hij er van had verwacht. De kentering kwam echter bij zijn veiling van de gigantische bibliotheek van prof. H.W. Tydeman uit Leiden. Een kolossale verzameling wetenschappelijke literatuur waarop Nijhoff zijn befaamde perfecte, alom geprezen boekbeschrijvingen kon toepassen. In twee (!) scheepsladingen kwam deze bibliotheek per trekschuit naar Den Haag, waar hij in 1864 in vijf veilingen onder de hamer ging. Daarmee was Martinus’ naam als veilingmeester in één klap gevestigd!

De laatste door Martinus zelf geleide veiling was die van Hoynck van Papendrecht in 1878; daarna kreeg Boele van Hensbroek de leiding over de veilingen. Na diens vertrek bij Nijhoff in 1906 werden er door de firma echter geen veilingen meer gehouden.

Nijhoff was geen reislustig mens; slechts zelden ging hij de grens over, ook niet om hier en daar oude en/of zeldzame boeken voor het antiquariaat te kopen. Niettemin heeft hij zich éénmaal laten verleiden om een reis naar Italië te maken; hij vertrok op 4 april 1871 samen met de destijds bekende kunst- en letterenkenner Carel Vosmaer. In Rome trof hij de – in onze tijd weer in de belangstelling staande – schilder Lourens Alma Tadema, bekend van zijn afbeeldingen van de klassieke Romeinse oudheid, met wie hij bevriend raakte.

Boele daarentegen maakte tegen het eind van de 19e eeuw nog enkele reizen naar Engeland, Spanje en Italië om oude en zeldzame boeken op de kop te tikken. Daarmee had hij over ’t algemeen veel succes; niet zelden kwam hij zelfs met voorheen onbekend materiaal terug. Ook knoopte hij daar relaties aan met wetenschappelijke instellingen en bibliotheken. Hij was daarmee één der eersten in Nederland. Daarmee de basis leggend voor wat later zou uitgroeien tot Nijhoff’s meest lucratieve inkomstenbron: export van wetenschappelijke boeken en tijdschriften over de hele wereld. Het antiquariaat in het tijdperk van de beide Wouters Na het vertrek van Boele van Hensbroek in 1906 ging Wouter zelf op pad. Van april tot december 1901 maakte hij zijn eerste zakenreis naar de Verenigde Staten, gevolgd door een tweede in 1902 en een laatste in 1912, twee jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Nieuwigheid
Maar op het thuisfront zat hij ook niet stil en gaf hij blijk van zijn moderne levensinstelling. Zo werd onder zijn bewind de eerste vrouwelijke medewerkster op het antiquariaat aangesteld; zoiets sprak in die dagen nog niet vanzelf. Voorts schafte hij het werken ’s avonds van 18.00 uur tot 21.00 uur af, tot verbazing en zelfs enige ongerustheid onder het personeel ‘dat het nou met de firma wel gedaan zou zijn’. Haagse collega’s waren diep verontwaardigd over zoveel ‘nieuwigheid’!

Maar Wouter pakte door: er kwam elektrisch licht, telefoon, gemoderniseerde boekhouding en schrijf-machines. Nog een staaltje van zijn maatschappelijke betrokkenheid: al in 1909 deed hij een eerste storting voor een pensioenfonds voor zijn personeel.

Let wel: tot in mijn tijd (1960-1971) werd je opgenomen in het premievrije pensioenfonds als je tien jaar of langer bij Nijhoff werkzaam was geweest!

Wat Wouter eigenlijk specifiek voor het antiquariaat heeft betekend is moeilijk te traceren. Hij liet het gewoon over aan afdelingshoofd Herman Egbert Kern (1879-1960). Ik denk dat W. zich grotendeels met zijn bibliografisch werk heeft bezig gehouden.

Internationaal gericht als zij was stond de firma Nijhoff inmiddels op een eenzame hoogte, zodat zij voor het oude boek de binnenlandse markt als afzetgebied nauwelijks nodig had en contacten met collega-antiquaren zelfs vermeed. Dat was voor een zeer groot deel te danken aan de hierboven al even vermelde H.E. Kern, een top-antiquaar die in zijn vakgebied zijn gelijke niet kende. Na een opleiding in het buitenland trad hij in december 1914 in dienst en tot eind jaren vijftig was hij hoofd van deze afdeling. Hij had zowel aan Wouter Pzn. als aan Anton Gerits, die jaren later de leiding kreeg het vak geleerd.

Fenomeen
Ik herinner mij nog goed dat een paar maanden nadat ik zelf bij Nijhoff in dienst trad (1960), zijn overlijden bekend werd gemaakt; iedereen was daarvan ondersteboven en roemde hem als een fenomeen op bibliografisch gebied met een fotografisch geheugen.

In 1950 was Anton Gerits bij Nijhoff in dienst getreden, aanvankelijk bij de uitgeverij, maar zijn hart lag bij het oude boek. Gelukkig voor hem kwam er al vrij snel een plaats vrij op het antiquariaat waar hij werkte en leerde onder Kern en Van Tienhoven. Een verschil van mening was voor hem reden ontslag te nemen en in 1954 vertrok hij naar de firma Mouton.

Na een jaar of drie bleek de lucht op ’t Voorhout weer opgeklaard en werd Gerits gevraagd op het oude nest terug te keren. Met de toezegging dat hij Kern als chef zou mogen opvolgen zodra deze met pensioen zou gaan, trad hij in 1957 opnieuw in dienst.

Bijna tegelijkertijd met Gerits’ terugkomst was mejuffrouw M.A. Sobels (1906 – 1995) vanuit het veilinghuis Van Stockum op de Prinsegracht bij Nijhoff aangenomen. Zij zou vele jaren degene zijn die, als er al een particulier binnenstapte voor het antiquariaat, zuchtend en totaal ongeïnteresseerd naar beneden kwam om de man (nooit een vrouw!) in het sortiment zo snel mogelijk af te poeieren. Mijn collega (Ad van Muyen) en ik hebben ons vaak verbaasd over deze gang van zaken!

Collationeren
Wat tot in de vijftiger jaren nog een lucratieve handel zou blijven waren de antiquarische tijdschriften. Overigens zeer arbeidsintensief, want de accuratesse en betrouwbaarheid van de firma Nijhoff mocht onder geen beding ooit ter discussie staan. Dat betekende dat op die afdeling een viertal medewerkers dagelijks bezig was met collationeren: het blad voor blad controleren op compleetheid van de vele honderden verschillende tijdschriften, die elk vaak bestonden uit vele tientallen delen!

Toen op een gegeven moment fotomechanische herdrukken tegen lage prijzen technisch mogelijk werden – even later gevolgd door microfiche en microfilm – verdwenen tijdschriften geleidelijk weer uit het aanbod van de antiquaar.

Bij Nijhoff’s antiquariaat werd al vanaf 1853 van elk verkocht boek een zeer uitvoerige beschrijving gemaakt en met een kroontjespen op een briefje (ook fiche of titel genoemd) geschreven en zorgvuldig bewaard. Men werkte met twee alfabetten: een ladekast met ‘dode’ titels (van boeken die ooit werden verkocht) en een kast met ‘levende’ titels (boeken op voorraad).

In de loop der jaren was deze verzameling titels uitgegroeid tot een totaal van ruim 200.000 ex. Voor elk antiquariaat het aller kostbaarste bezit; vandaar dat dit geheel bij Nijhoff in 128 laden in een brandvrije kluis stond. Na de liquidatie van het antiquariaat eind jaren zeventig is de hele inhoud van de kluis overgedragen aan de Koninklijke Bibliotheek, met daarbij nog dertig strekkende meter catalogi!

Het zou uiteindelijk 1959 worden eer de heer Kern zijn werkzaamheden bij Nijhoff beëindigde en Anton Gerits als chef antiquariaat in zijn voetsporen kon treden.

Gerits heeft zijn sporen bij Nijhoff meer dan verdiend! Hij had een scherp oog voor wat grote wetenschappelijke instellingen bij uitstek graag verzamelen: zo uitgebreid mogelijke collecties over één bepaald onderwerp. Bijvoorbeeld over de Franse Revolutie; over de Oostenrijk-Hongaarse monarchie; Centraal Afrika; de Revolutie van 1848 in diverse Europese landen, etc.

Het speuren naar en het opkopen van deze literatuur bij antiquariaten en veilingen in diverse Europese landen was een zeer belangrijk onderdeel van zijn vak. Daartoe was hij vaak op reis, meestal zeer succesvol, want hij had veel contacten in heel Europa, zeker ook in ‘landen achter het ijzeren gordijn’, met name Tsjecho-Slowakije.

Spectaculair waren zijn inkopen bij Scandinavische antiquaren, die hun catalogi alleen in hun eigen taal stelden waardoor de inhoud voor buitenlanders onbegrijpelijk bleef. Gerits liet één en ander in het Engels vertalen en Nijhoff vond dientengevolge gretige afname in de Verenigde Staten!

Een ander geliefd verzamelobject ontdekte en stimuleerde hij ook: het belang van het verzamelen van politiek getinte pamfletten, brochures, obscure kleine periodieken en documenten uit allerlei landen en uit vroegere tijden. Dat was erg kwetsbaar spul en eiste bovendien uiterste zorgvuldigheid in het correcte beschrijven van inhoud en uiterlijk. Want daarop moet de klant – vrijwel altijd een wetenschappelijke bibliotheek – volledig kunnen vertrouwen.

Nu moet wel gezegd worden dat hij zijn tijd mee had. Vanaf de jaren vijftig en zeker in het decennium 1960-1970 groeiden de geldbomen in de Verenigde Staten tot hoog in de hemel; het geld kon niet op. Belangstelling genoeg voor dit soort complete collecties! We zullen zien in het hoofdstuk ‘export’ wat dat voor Nijhoff betekende.

Bob Jongschaap
btjongschaap@ziggo.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann