Waar is het echte mannenwerk gebleven?

In de eerste helft van de vorige eeuw was alles tenminste nog duidelijk. Vader zorgde voor de centen en stak, voordat hij naar zijn zijn werk ging, de kachel aan. Moeder kookte, waste af, maakte het huis schoon en zorgde voor de kinderen.

Tienduizenden jaren lang dag in dag uit de wildernis in om ervoor te zorgen dat er genoeg vlees op tafel staat. Dat gaat je, als rechtgeaarde man natuurlijk niet in de kouwe kleren zitten. Maar wél in de genen. En als je dan na zo’n enerverende werkdag thuis komt ga je natuurlijk niet gelijk de bedden opmaken en de kasten afstoffen. Nee, je neemt het er eens van. Je vlijt je in een luie stoel, strekt de benen, laat de boel de boel totdat iedereen aan tafel zit om op te eten wat je die dag in het zweet des aanschijns hebt verworven. En doet vervolgens een dutje.

Zo dachten de meeste mannen er vanaf mensenheugenis over tot ongeveer de eerste helft van de vorige eeuw. Tot dan waren huishouding, afwas, zorg voor de kleding en de opvoeding van de kinderen voorbehouden voor de vrouw. Een man die zichzelf een beetje respecteerde, gaf daar niet om.

Mijn vader zal dus echt niet de enige zijn geweest die er zeventig jaar geleden ook zo over dacht. Als hij om half zes thuis kwam deed hij eerst een dutje, schoof vervolgens aan tijdens het diner en las daarna de krant. Oké, een enkele keer verwaardigde hij zich mijn moeder bij de afwas bij te staan door de droogdoek ter hand te nemen. Maar dat was meer om te laten zien hoeveel hij van haar hield dan dat hij het afdrogen als een plicht ervoer. Nee. Afdrogen deden mijn zusje en ik meestal. De ene dag mijn zusje. De volgende dag ik. Liever had ik trouwens gezien, dat mijn zusje het altíjd deed. Want afdrogen, ja, dat was, als je het goed bekeek, natuurlijk geen mannenwerk. En als ik dan aan het afdrogen was (waarbij het trouwens niet zelden tot een goed gesprek met mijn moeder kwam) kon ik alleen maar hopen, dat er niet ineens een vriendje binnenkwam die mij zag staan afdrogen.

Stemrecht en chaufferen
Natuurlijk hadden vrouwen zoals Aletta Jacobs, Florence Nightingale en Petronella Voute al eerder hun zegje al gedaan waar het ging om mogelijke rolverandering. Maar Dolle Mina moest toen nog komen en lang niet iedere vrouw voelde zich in die tijd al baas in eigen buik.

Vooralsnog maakte mijn vader dus iedere ochtend de kachel aan – waarbij ik hem maar al te graag hielp omdat dat duidelijk mannenwerk was – en daar bleef het bij. Voor zover het althans zijn huishoudelijke plichten betrof. En toen mijn moeder pogingen ging doen haar horizon wat verder te verbreden dan alleen het zicht op het aanrecht, kon mijn vader zelfs dáár geen interesse voor opbrengen en stond mijn moeder ook daar helemaal alleen voor.

Het waren, zeker achteraf gezien, moeilijke tijden vol aanleidingen voor beide partijen om elkaar eens stevig te confronteren met de voor- en nadelen van bestaande en nieuwe rolpatronen. Ook buiten het gezin. Pas na 1919 werd de Nederlandse vrouw zo slim geacht dat ze mocht stemmen. En dertig jaar later was het trouwens nog maar zeer de vraag of vrouwen eigenlijk wel in staat waren een auto te besturen. Nee. Chaufferen, regeren, beslissen, bepalen, sturen, het was allemaal mannenwerk. En het zou nog een hele tijd duren voordat vrouwen spijkerbroeken gingen dragen met een gulp erin.

Een werkende moeder
In de tijd waarin ik opgroeide waren er, behalve huisvrouw, natuurlijk al wel typisch vrouwelijke beroepen. Maar die lagen vooral in de dienende sfeer. En dat is eigenlijk nog steeds zo. In 2010 was 99% van alle voedseldeskundigen een vrouw. In de schoonmaak was dat 98%. In de kinderoppas 97%. In de verpleging 88%. In kapsalons 85%. En in het basisonderwijs 83%.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was het dan gebruikelijk dat al die vrouwen hun baan opzegden als ze kinderen kregen.

Zo ook mijn moeder. Totdat mijn zusje en ik ter wereld kwamen was ze verpleegster. En pas nadat we respectievelijk acht en dertien jaar waren werd ze onderwijzeres. Dat was in die tijd trouwens wel snel. Wij hadden dus, in tegenstelling tot onze meeste klasgenootjes, reeds op tamelijk jeugdige leeftijd een ‘werkende moeder’. Zo heette dat toen. Een ‘werkende moeder’. Alsof andere moeders niet werkten. Mijn vader en ik vonden onze ‘werkende moeder’ in het begin eigenlijk helemaal niet leuk. Om de nadruk op haar ‘werk’ te leggen en haar huishoudelijke bezigheden als bijzaak te benadrukken, stond ze vanaf die tijd bijvoorbeeld achter het fornuis te koken met een sigaret in haar mond. Ook kwam er een dienstmaagd over de vloer die voortaan de was deed en de ramen lapte. En na enige jaren móest en zóu mijn moeder een rijbewijs halen. Ondanks de nadrukkelijke argumenten van mijn vader (en mij) dat chaufferen niks voor vrouwen was.

Buitenlandse reizen
De (financiële) voordelen van de vrijheidsdrang van mijn moeder wogen uiteindelijk toch op tegen de nadelen. We konden naar het buitenland in de vakanties. Eerst weliswaar nog met de trein. En we sliepen in tentjes. Maar later toch met een eigen auto en af en toe onderweg een overnachting in een hotel!

En uiteraard kregen we als kinderen van een werkende moeder al gauw een verhoging van het zakgeld. Op zeker moment kreeg ik zelfs kleedgeld! Zelf mocht ik mijn kleren uitzoeken! Want zelfstandigheid, zo had mijn moeder dat dus net ondervonden, was goed voor een mens. En of dat mens nou een man, een vrouw of een kind was maakte niet meer uit. Met het werken aan zelfstandigheid kon niet vroeg genoeg worden begonnen. De tijd hoefde het dus allemaal niet meer te leren.

Koken? Dat nooit!
Mijn vader had het er, eerlijk gezegd, wat moeilijk mee. Met alleen zìjn inkomen was al die luxe namelijk niet mogelijk geweest. Maar volgens hem had alles in het leven zijn tijd nodig. En zóveel verantwoordelijkheid ineens bij zijn vrouw, ten koste van zijn eigen – voordien zo vanzelfsprekende – invloed? Nee. Dat ging toch echt wat te ver.

Uiteindelijk heeft hij zich er wel bij neergelegd. Maar koken? Zelf de was doen? De bedden opmaken? Nee. Dat nooit! Daarvoor zaten er nog te veel genen in zijn lijf die hem deden herinneren aan de vermoeienissen van de jacht van weleer.

En hoe zit het nu met mij? Heb ik inmiddels wél een verantwoord aandeel in het huishouden? Ach, een enkele keer. Maar dan vooral omdat ik zoveel van mevrouw Pasgeld hou.

Ook de emancipatiestrijd als kind van dichtbij mogen meemaken? Mail naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann