Lou de Jong met een - bijna - volledige set van de volkseditie van zijn levenswerk

De uitgeverij in de tijd van Wouter (1891-1947) en Wouter Nijhoff Pzn. (1928-1965)

De geschiedenis leert dat van de drie Nijhoff’s die de firma geleid hebben, Wouter degene is geweest die in zijn tijdsbestek van ruim 55 jaar de belangrijkste en invloedrijkste was. Hij wist de zaak die zijn vader tot bloei had gebracht te doen uitgroeien tot een bedrijf met wereldreputatie!

De ontplooiing en uiteindelijk grote bloei van het bedrijf in de eerste helft van de twintigste eeuw is onder zijn leiding tot stand gekomen. Dat is de reden dat ik over zijn leven en werk iets uitgebreider zal vertellen.

Wouter werd als vijfde kind van Martinus geboren in 1866. Aan een ontsteking in de kinderjaren hield hij een stijf been over, waardoor hij belemmerd werd in zijn lichaamsbeweging. Mogelijk ter compensatie van dit lichamelijke gebrek was zijn geestelijke activiteit des te beter ontwikkeld! Na de lagere school en het gymnasium was de beroepskeuze geen enkel punt… Boeken, boeken en nog eens boeken!

Om het vak goed te leren, vertrok hij direct na zijn schooljaren op stage naar het buitenland; eerst een vol jaar Frankfurt, dan een jaar in Parijs en tenslotte een jaar Londen. Als gevolg daarvan sprak en schreef hij vloeiend Duits, Frans en Engels; iets later voegde hij daar nog Spaans aan toe.

Met die uitrusting kwam hij per 1 oktober 1891 als 25-jarige in de zaak. Hij bleek al gauw ook een harde werker te zijn met een begenadigde intelligentie en een weergaloos organisatietalent. Dat kwam later ook tot uiting in de bijnamen waarmee hij in het bedrijf werd aangeduid: Wouter de Grote, ook wel Wouter de Machtige. Merkwaardig genoeg was hij juist klein van gestalte: 1,63 meter!

In 1894 overleed zijn vader en Wouter nam de leiding over, aanvankelijk in samenwerking met zijn zwager Pieter Boele van Hensbroek. Helaas waren beide mannen het zakelijk steeds minder met elkaar eens. Wouter, een zeer actieve man met nieuwe denkbeelden tegenover Pieter, meer dichter en literator, zeer beschouwend en bedachtzaam. Dat leidde op een gegeven moment tot een splitsing van wegen; begin 1906 verliet Pieter de firma en kreeg Wouter de alleenheerschappij.

Wie achteraf de lijst van zijn productie doorneemt, kan bijna niet begrijpen dat deze man van vroeg in de morgen tot ’s avonds laat ook nog eens de leiding had over een bedrijf, waarin op een gegeven moment ruim tachtig (!) mensen werkzaam waren. Hij was een sterk voorstander van specialisatie: een geschikte werknemer kreeg het beheer en de verantwoordelijkheid over zijn afdeling. Daardoor kreeg Wouter de beschikking over een voortreffelijk geschoolde staf, waardoor de prestaties van de oude en nieuwe boekhandel in de loop der jaren zichtbaar groter werden. In dit kader moet vermeld worden dat Ch. Gilhuys sr. op 1 mei 1926 in dienst is getreden. Hij zou ruim 40 jaar de financiële, administratieve en organisatorische kant van de firma stevig in handen hebben.

In oktober 1910 betrok Wouter met zijn bedrijf het prachtige pand aan Lange Voorhout 9, dat hij had laten bouwen door de architect J. Limburg. Er ontstaat echter al vrij snel opnieuw gebrek aan ruimte; in 1923 slaagt hij er in het grote pand aan Lange Voorhout 10 te kopen (daar is nu de Britse Ambassade gevestigd), even later in 1926 gevolgd door de aankoop van Kazernestraat 36a.

Maar ook zakelijk toonde hij zich een man met inzicht, gericht op de toekomst, gezien zijn besluit uit 1917 om van zijn zaak een Naamloze Vennootschap te maken. Dus voortaan Martinus Nijhoff N.V. Maar alle aandelen bleven wel in de familie!

In het voorwoord van de Fondscatalogus 1853-1926 karakteriseerde hij zelf zijn bedrijf als volgt: Door de gelukkige vereeniging in mijne firma van uitgeverij, boekhandel en antiquariaat ben ik in staat gesteld dikwijls uitgaven te ondernemen die anders waarschijnlijk niet tot stand zouden gekomen zijn of van anderen over te nemen, welke deze niet voldoende konden verspreiden. Het is niet genoeg om boeken of tijdschriften te laten drukken en uit te geven, hoofdzaak is, ze daar te brengen waar ze behooren te zijn. Goede exploitatie van zijn fondsartikelen kost den uitgever het meeste hoofbreken.

Wouter Nijhoff, de bibliograaf
Een zeer belangrijk aspect uit zijn leven is zijn onovertroffen betekenis voor de Nederlandse en internationale wereld van de boekwetenschap: zijn werk als bibliograaf. Laten we eerst vaststellen wat een bibliograaf precies is en wat zijn of haar werk inhoudt. Kort gezegd is een bibliograaf een boekbeschrijver: iemand die een thematische titellijst maakt van publicaties, bijvoorbeeld per onderwerp, per locatie, per taalgebied, enzovoorts. Zo’n bibliografie kan dan bijvoorbeeld weer worden gebruikt voor het zoeken naar literatuur over een bepaald onderwerp.

Een hardwerkende, zeer actieve man was Wouter. Dat die levensinstelling ook doorwerkte tot in zijn vrije uren was bij hem kennelijk onvermijdelijk. Hij zocht ‘vulling van de vrije tijd’ en vond dat in het bibliograferen van (zeer) oude boeken; het kwam dus goed van pas dat hij als antiquaar handelde in zijn eigen werkmateriaal! Doortastend en zeer secuur als hij was, wekt het geen verwondering dat hij ook in dit vak uitgroeide tot één van de beste bibliografen die ons land ooit heeft gekend. Zijn eerste grote publicatie was de Bibliographie van Noord-Nederlandsche plaatsbeschrijvingen verschenen tot het einde der 18e eeuw (1894).

Nauwelijks had hij dat afgerond of hij begon aan de nieuwe taak die hij zich had gesteld: een bibliografie van Nederlandse drukken verschenen tussen 1500 en 1540, de zogenoemde post-incunabelen. Dat was een bijna onontgonnen terrein, omdat de meeste belangstelling in zijn tijd uitging naar de periode daarvóór, van de incunabelen (Europese boeken die gezet waren in losse letters vóór 1501). Hij was alleen aan de klus begonnen, deed nasporingen in binnen- en buitenlandse bibliotheken, maar moest tot de conclusie komen dat door het onverwachte grote aanbod, hij toch de hulp van anderen moest inroepen. Hij kwam in contact met pater Bonaventura Kruitwagen, priester en een belangrijk boekhistoricus en met hem begon hij in 1901, samen voltooiden zij het geheel in 1912: Bibliographie de la typographie néerlandaise des années 1500 à 1540 (in 20 delen).

In 1917 maakte Wouter kennis met mej. Maria E. Kronenberg, neerlandica, historica en bibliografe uit Deventer. Met haar zou hij van 1923 tot 1942 schrijven aan wat zijn (en haar) levenswerk zou worden: Nederlandsche Bibliographie van 1500 tot 1540 (1923-1942, zeven delen in drie banden).

Tot slot een afbeelding van zijn uitgeversmerk, dat vanaf ongeveer 1878 in veel uitgaven van de firma te vinden is. De spreuk ‘Alles komt teregt’ was het devies van de oprichter Martinus, maar Wouter ontwierp een meer moderne versie en voegde er bovendien zijn initialen W.N. aan toe.

Wouter Nijhoff Pzn.
Wouter had twee zonen, maar de jongste overleed aan tyfus en de oudste, Martinus, had helemaal geen ambitie om zijn vader in het bedrijf op te volgen nadat hij het een blauwe maandag had geprobeerd. Zijn hart lag bij de poëzie en hij zou later één van de bekendste en meest geliefde dichters van ons land worden!

Gelukkig bleek er nog een andere Nijhoff beschikbaar; een zoon van Paulus, de broer van Wouter maar… opnieuw een Wouter! Wij kennen hem voortaan als Wouter Nijhoff Pzn. Helaas zou hij ook de laatste Nijhoff in het bedrijf blijken te zijn.

Wouter Pzn. wilde eerst rechten gaan studeren, maar de Eerste Wereldoorlog dwong hem vooralsnog in een andere richting. In 1917 ging hij als volontair werken bij zijn oom die al snel in de gaten had dat hij veel plezier zou kunnen beleven aan deze ambitieuze jongeman, dus liet hij hem niet meer gaan! Hij was toen 22 jaar, had een imposante gestalte, was zeer bescheiden, vriendelijk en rookte als een ketter! Dat zou hij zijn hele leven blijven doen trouwens!

Oom Wouter stuurde neef Wouter na een inwerkperiode eerst enkele malen op zakenreis naar de Verenigde Staten om daar boeken te verkopen aan universiteiten en bibliotheken. Maar dit onderwerp, de verkoop of export dus, komt later ter sprake. Pzn. deed uitstekend zijn werk en dat werd in 1920 beloond met zijn benoeming tot adjunct-directeur gevolgd in 1928 – bij het 75-jarig bestaan – door het mededirecteurschap.

Hoewel er tijdens zijn periode bij de firma opnieuw vele publicaties het licht zagen, lag het hart van Wouter Pzn. toch iets meer bij het antiquariaat en de export. Maar ik geef vanzelfsprekend toch een zeer beknopte opsomming van min of meer belangrijke Nijhoff-titels die in die tijd verschenen.

Door de betrekkelijk snel na de oorlog toenemende vraag van wetenschappers naar de mogelijkheid hun werk(en) bij de firma Nijhoff te kunnen uitgeven, moest de bezetting van de uitgeverij nodig versterkt worden. Daartoe trok de directie in 1951 een aparte leider aan, het werd P.A. Dijkema met de titel van directeur. Niettemin werd er geen boek uitgegeven en geen manuscript geweigerd zonder dat Wouter Pzn. daaraan zijn goedkeuring had gegeven!

Niet lang daarna kwam ook G.H. Priem in dienst. Een opmerkelijke man: innerlijk en qua uitstraling op en top een gentleman die vloeiend Engels, Frans, Duits, Roemeens en Vlaams (!) sprak. Hij beheerste zijn vak als redacteur als geen ander. In het voorwoord van zeer veel bij Nijhoff verschenen publicaties dankt menig auteur hem voor zijn uitstekende hulp.

Ikzelf heb prettige herinneringen aan hem. Dat geldt ook voor enkele andere uitgeverij-collega’s uit die tijd: Els Knopper; Max van Loon; mej. Wolbers; Riet(?) Hierck, Henk de Ridder.

Zoals eerder vermeld was de laatst verschenen Fondscatalogus van 1953, hij telde 139 pagina’s. In het sortiment had elke boekverkoper z’n eigen exemplaar, die was ‘met wit doorschoten’, d.w.z. om de andere pag. een onbedrukte waarop nieuwe zojuist verschenen titels konden worden bijgeschreven. Naastde eigen uitgeverij was de firma Nijhoff ook depothouder voor Nederland van een aantal belangrijke internationale organisaties. Vrijwel alle uitgaven van deze instellingen kreeg men toegestuurd in meerdere exemplaren; daarvan werd het merendeel op bestelling aan andere boekhandels en bibliotheken doorgeleverd, indien gewenst ook in abonnement. In alfabetische volgorde waren dat onder andere: Council of Europe; FAO: Food and Agricultural Organisation; IAEA: International Atomic Energy Agency; ILO: International Labour Office; UN: United Nations; UNESCO: United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation en WHO: World Health Organisation.

Er was een aparte Fondscatalogus Martinus Nijhoff. Depot-uitgaven (1953, 97 pagina’s) beschikbaar m.b.t. bovenstaande instanties en nog vele andere publicaties, series, vervolgwerken en losse titels van andere uitgevers voor wie de firma de verkoop op zich nam.

In het verlengde van de uitgeverij waren er nog twee afdelingen die zijdelings met de productie verbonden waren: de Fondsadministratie en het Magazijn. De mensen van die administratie hielden nauwkeurig bij wat er werd verkocht en of er bijbesteld moest worden. Uit mijn tijd herinner ik mij mej. Maartje Verhorst, Nanning Postma en Frans Louwinger.

Het magazijn was gigantisch groot, besloeg diverse uitgestrekte étages aan weerszijden van de goederenlift. Daar lag alles opgestapeld wat nog leverbaar was van wat de uitgeverij in de loop der decennia had gepubliceerd, dus ook nog werken uit de negentiende eeuw. Want er zijn nooit boeken van uitgeverij Nijhoff bij De Slegte terechtgekomen!

Een aparte verdieping was gereserveerd voor de uitgaven in depot. In deze ‘mer à boire’ waren drie collega’s heer en meester; Wim Schellekens, Piet Weerheim en Frans (?).

We zetten hiermee een streep onder het hoofdstuk Uitgeverij en zetten de Nijhoff-geschiedenis voort met een andere interessante afdeling: het Antiquariaat.

Bob Jongschaap
btjongschaap@ziggo.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann