Jongen uit Spoorwijk beleeft einde WO II

In de oorlog woonden wij in de Oltmansstraat in Spoorwijk. Buiten mijn vader en moeder bestond ons gezin in 1945 uit mijn oudste broer van 17, twee zussen (één van 16 en één van 14) en ik als een nakomertje van 7 jaar. Mijn vader was broodbakker. Hij werkte in de broodfabriek van Hus die destijds in de buurt van de Weimarstraat en de Fahrenheitstraat stond. Dit was een nevenbedrijf van de veel grotere bakkerij van Hus in de Jacob Catsstraat.

Mijn vader moest elke dag ’s nachts van Spoorwijk naar de Fahrenheitstraat fietsen en dit ging op een fiets met massieve banden en met een afgeschermde koplamp. Door de verduistering was – vooral bij regen en géén maanlicht – het zicht op straat ’s nachts erg slecht. Hij zei altijd dat het lawaai van een propellertje op het dak van een woonschip dat ergens in de Laak lag, zijn leven had gered. Mijn vader had een speciaal ‘Ausweis’ (waardoor hij tijdens de Sperruren op straat mocht zijn). Hij is vaak aangehouden maar zijn fiets is nooit gevorderd. De volgende gebeurtenissen aan het eind van WO II maakten op mij als jongetje van zeven de meeste indruk.

Eind 1944 begonnen de Duitsers geregeld V2-raketten op Londen af te schieten. Toen dit voor de eerste keer vanaf een bos in Rijswijk gebeurde, zaten mijn ouders en de rest van ons gezin als versteend rond de tafel van ons huis. Het was een enorm lawaai!! Het hele huis schokte en beefde en de ramen rammelden. We dachten echt dat de wereld verging.

Later wenden we weer een beetje aan de herrie en aan het tijdstip van de lancering. Maar altijd bleef de mogelijkheid bestaan dat zo’n lancering mislukte. Nadat dat ding als een gloeiende spijker de lucht inging was het dan ook aftellen geblazen. We waren altijd blij als de eerste minuten zonder problemen voorbij waren. Soms ging het inderdaad mis. Zo herinner ik me dat er een V2-raket op een rooms-katholiek tehuis Ora et Labora, dat nabij het bos van Overvoorde lag, terechtkwam.

De arrestatie van mijn broer
Mijn broer was in 1945 17 jaar oud. Hij had in de oorlog zijn ULO-diploma gehaald en was kantoorbediende bij de PCGD (de Girodienst). Sinds een half jaar had hij verkering.

Toen hij eind februari 1945 vroeg in de avond van zijn meisje naar huis terugkeerde, werd hij op de hoek van de Alberdingk Thijmstraat en de Hildebrandstraat door een Duitse overvalgroep, die op zoek was naar onderduikers, aangehouden. Hij werd overgebracht naar de Haagse Dierentuin, die destijds aan het begin van de Zuid-Hollandlaan stond (op die plaats staat nu het Provinciehuis). Hij kon een gelukkig nog een berichtje naar mijn ouders sturen. Zodoende konden mijn zus en zijn meisje hem de volgende dag in de Dierentuin nog een brood en een deken brengen.

Mijn ouders zaten vooral in grote angst toen kort daarop (op 3 maart 1945) het grote bombardement op het Bezuidenhout plaatsvond. Zij zagen de vliegtuigen en rookwolken en hoorden de ontploffingen. Zij vreesden het ergste. Gelukkig bleek nadien dat hij al vóór het bombardement naar Amsterdam vervoerd was. Vandaar werd hij ’s nachts per trein naar Duitsland ergens ten zuiden van Hannover getransporteerd. Het was de bedoeling dat hij daar loopgraven moest maken en bomen moest zagen voor tankversperringen.

Begin april 1945 bleek de Duitse leiding van het kamp waarin mijn broer zich bevond, ineens vertrokken te zijn. Toen begon voor hem een zwerftocht terug naar Nederland. Omdat die rondtrekkende groepen van ex-gevangenen voor de optrekkende geallieerde legeronderdelen erg hinderlijk waren, werden zij na verloop van tijd door de Amerikanen weer in kampen verzameld. Vandaar ging het in open treinwagons naar het reeds bevrijde deel van Zuid-Nederland.

In Limburg werd mijn broer opgevangen en ontluisd, hij kreeg betere kleren en werd tijdelijk bij boeren in de buurt van Maasbracht ondergebracht. Hij was gelukkig ongedeerd. Ongeduldig wachtten hij en de andere ex-gevangenen op het verdere transport naar West-Nederland. Dat duurde nog vrij lang, omdat de spoorbaan hier en daar vernield was en er maar weinig treinmaterieel beschikbaar was. Uiteindelijk kon hij mee met een transport dat medio juni 1945 per stoomlocomotief naar Rotterdam ging. Van Rotterdam ging hij met een boot naar de Laakhaven. Bij het van boord stappen viel hij in het water, omdat hij op de slippen van zijn soldatenjas trapte…

Druipend liep hij naar ons huis terug, waar iedereen weg was, want de hele familie stond langs de spoorbaan in de Waldorpstraat op hem te wachten… Gelukkig werd hij door de buren goed opgevangen.
Bij thuiskomst vond ik mijn broer een echte held. In mijn ogen was hij in één klap van een jongen in een man veranderd. Hij had een soldatenjas aan en rookte Engelse Virginia-sigaretten die veel lekkerder roken dan de eigen teelt shaggies van mijn vader. Hij vertelde stoere verhalen over ontsnappingen en over sommige gevangenen die vanuit de trein zomaar in de IJssel waren gesprongen. Ik vond die verhalen natuurlijk geweldig.

Speelgoedjeep uit Limburg
Vanuit Maasbracht heeft mijn broer mij in april 1945 een speelgoedjeep van gietijzer gestuurd. Het onderstel is authentiek, maar het dekje heeft mijn vrouw er op gemaakt. Ik herinner me dat ik het in het begin maar een vreemd vierkant autootje vond. Ook de jerrycan die eraan was gemonteerd, kon ik aanvankelijk niet thuisbrengen. Later was ik er erg blij mee, want zo’n jeep had nog niemand van de jongens in de straat.

Daan Schenk
dgschenk@hetnet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann