Hoe noemden ze ‘het’ vroeger bij ú?

Niet alleen de handeling zelf maar ook de benodigdheden hadden de meest uiteenlopende benamingen. Meestal verhullend of verbloemd. Dus er moest meer aan de hand zijn. Maar toen je klein was, zag je door de bomen het bos niet meer.

Wat was nou toch ‘kezen’? Toen ik tien was vernam ik met enige regelmaat, dat er een combinatie van een man en een vrouw ‘gekeesd’ hadden. Meestal durfde ik dan niet te vragen wat ‘kezen’ was. Voetstoots werd immers aangenomen dat je dat al wist. En dan zou je wel een heel domme indruk maken als je het vroeg.

En als je het al eens een keer wèl durfde vragen – bijvoorbeeld aan iemand waarvan het je een zorg zou zijn of die je dom vond of niet – kreeg je als antwoord: ‘Nou je weet wel. Dat ze ‘het’ doen’. Of ze zeiden iets over ‘vogelen’ of ‘wippen’. En dan wist je het nog steeds niet.

Hoeveel verschillende benamingen ik heb gehoord voordat ik een beetje van wanten wist weet ik niet meer. De hoogste tijd dus voor een terugblik.

Het begon al vroeg. Al tijdens het leren praten werd me duidelijk gemaakt, dat ik in het vorstelijk bezit was van een plassertje. En wat je daarmee kon was me de eerstkomende tien jaar ook volkomen duidelijk. Totdat wat later, via allerlei vage en lacherige toespelingen, bleek dat er meer achter stak.

Dat was dus zo ongeveer rond de periode dat dat ding geen plassertje maar een piemeltje ging heten. Thuis dan. Op school, en in de rest van de volksmond, heette hij gewoon ‘lul’of ‘pik’. Maar dat mocht je thuis dan weer niet zeggen. Het werd behoorlijk ingewikkeld.

Om naar ieders tevredenheid te voldoen aan de diverse maatschappelijke eisen die samenhingen met de nomenclatuur der geslachtelijkheid moest je van goeden huize komen. Ja. Ik druk me voor de goede orde maar even keurig netjes uit. Want bij het schrijven over dit soort zaken loop je al gauw de kans dat je verweten wordt vieze taal uit te slaan.

‘Een drukje doen’
Bij vriendjes thuis deden trouwens ook allerlei variaties op het thema de ronde. Je zal het niet geloven, maar ik heb de moeder van een vriendje wel eens horen spreken van een ‘piemelewiemeltje’. Bij dat vriendje thuis was ‘een drukje doen’ trouwens ook heel gewoon.

Over druk gesproken. Je was als kind in die tijd zo druk met de naamgeving van je eigen zaakjes, dat je nauwelijks toekwam aan het naamgeven van de zaakjes van een ander.

Van hoe het bij meisjes heette, bijvoorbeeld. Ja, natuurlijk. Meisjes hadden een ‘cut’. Dat wist iedereen. Een cut met een c. Dat kwam uit het Engels. Cut. Dat betekende snee. Pas rond 1955 is die c een k geworden. Maar hoe die ‘cut’ eruit zag? Geen flauw idee.

Ooit ging ik in die tijd met een vriendje met zeer vooruitstrevende ouders naar een naturistenterrein. Het zusje van dat vriendje liep daar ook rond. Steelse blikken mijnerzijds dienden mijn kennis –naast de kennis die ik tijdens het doorbladeren van tijdschriften zoals ‘De Lach’ en ‘De Piccolo’ al had verworven- te verrijken. Maar geloof me. Met alleen kijken werd ik nauwelijks wijzer. En iets anders dan kijken? Het kwam niet eens bij me op.

‘Pipi’, ‘poesje’, ‘sneetje’, ‘flamoes’, alleen met de naamgeving moesten we het voor en na schooltijd doen tijdens onze diepgaande discussies over dit soort zaken. De ene naam was duidelijk wat ranziger dan de andere en bij welke gelegenheid je welke naam moest bezigen was ook niet altijd duidelijk.

Nogmaals, het werd er met het idee, dat meisjes ‘anders’ waren dan jongens, alwéér niet eenvoudiger op.

Boze brieven
Daar kwam nog bij, dat meisjes, als ze wat ouder werden ‘een maandstonde’ konden hebben. En daar hield een gedegen kennis van zaken bij de gemiddelde jongen toch echt wel op.

Toch was het -alweer- die verhullende naamgeving die deed vermoeden dat er meer aan de hand was dan we mochten weten.

Bij mij thuis deelde mijn moeder somtijds mede, dat ze het ‘emmetje’ had. De manier waarop ze dat zei maakte, dat ik daar echt he-le-maal niks mee te maken wilde hebben. Maar bij meisjes op school was ‘opoe’ soms op bezoek. Of was iemand tijdelijk ‘lid van het rode kruis’. Ergens moest er een samenhang bestaan tussen al die verbloemende taal.

Pas toen mijn jongeheer bij tijd en wijle de neiging vertoonde een eigen leven te gaan leiden (ik was 11, denk ik) begon er bij mij enig begrip te dagen. Onderweg van school naar huis vroeg ik aan een vriend (die met die vooruitstrevende ouders , want als iemand er vanaf zou weten was híj het wel) hoe de vork nou eigenlijk in de steel zat. Terwijl we de weg overstaken zei hij: ‘Nou. Kijk. Je steekt je tampeloeris bij het meisje in haar…’. En op dat moment werd hij aangereden door een fietser en moest hij voor een hechting naar het ziekenhuis.

Daarna heeft het nog minstens een half jaar geduurd voordat ik wist waar ik mijn tampeloeris naar moest richten bij een eventuele, mogelijke, toekomstige poging tot sex. Ik zeg het maar weer netjes, want echt, voor je het weet ligt het bureau van de hoofdredacteur vol boze brieven van mensen die hun abonnement op De Oud-Hagenaar wensen op te zeggen wegens het gebruik van onwelvoeglijke taal.

Seks met een x
Sex schreef je vroeger trouwens met een x. Pas rond 1965 is die x een ks geworden. Een van de eerste keren, dat ik dat woord hoorde was van mijn vader die het tegen iemand had over ‘sexappeal’. Ik verstond: ‘seksepiel’. Wat krijgen we nou weer, dacht ik. Alwéér iets wat ik niet weet.

Ach. Wat wist ik toch weinig. Allemaal de schuld van die schijnheilige volwassenen. Hoe noemde ze dat allemaal vroeger bij u eigenlijk?

Mail het naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann