‘Waar jazz werd gespeeld, was ik te vinden’

Als jong ventje maakte Theo van der Wacht de Tweede Wereldoorlog mee en dat maakte enorm veel indruk op hem. Hoewel zijn wieg in Delft stond, groeide hij voor een groot deel op in Den Haag. Het werd zijn stad, die hij in de oorlog (1942) noodgedwongen door evacuatie moest verlaten. Den Haag verdween echter nooit uit zijn hart, hij keerde er altijd weer terug. Het inspireerde hem vooral tot het schrijven van mooie verhalen en gedichten.

Ik ontmoet Theo voor dit interview in Bodega De Posthoorn. Voor de deur is het nog steeds een aardige bouwval. Het is te hopen dat de herinrichting van het Tournooiveld/Korte Voorhout snel opschiet, want zo langzamerhand begint het toch wel storend te worden voor de brave burger. Theo kwam vroeger vaak in dit café, zo vertelt hij mij. Tegenwoordig wat minder. Hij wijst op een schilderij dat bij de ingang hangt. “Veel van die gasten die daarop staan ken ik persoonlijk. Schilder en klarinettist Bert Bruin, dichter Johan van Nieuwenhuizen, en natuurlijk Paul van Solingen. Leuke en artistieke figuren. Die kwamen hier allemaal vroeger, net als ik. Het was toen min of meer een buurtkroeg. Heel gezellig tot in de late uurtjes. Het was hier evenals café Sport en de sociëteit van de Haagse Kunstkring, beide aan de overkant, overwegend een kunstenaars bodega. Maar laten we ook Pulchri even niet vergeten. De sociëteit daar was toen nog een soort van bruin café, waar de Haagse kak nog goddank aan ontbrak, en waar ik bijv. als hetero door een dronken grapjas voor homo werd uitgemaakt. Hij riep: ‘Theo (Theo Horstman, hij was de onvolprezen uitbater) gooi die flikker de deur uit, hij is geen lid hier.’ Het was tevens een plek waar vrouwelijke leden elkaar soms de tent uitvochten, zo niet de ogen uitkrabden. Jaja, het was daar in Pulchri toen hoogst gezellig verblijven, tot in de niet al te late uurtjes… Het bier, de borrels en de bitterballen, die moest je natuurlijk wel zelf betalen, maar het slappe geouwehoer kreeg je er helemaal gratis en voor niets bij. Let wel, ik heb het nu over de jaren zeventig en tachtig, en toen bestond er nog een zogenaamde BKR, een Beeldende Kunstenaars Regeling, en die verschafte zelfs de slechts verkopende kunstenaar nog een aanvaardbaar natje en droogje.”

Hij kampt nog wat met de naweeën van een vervelende kaakoperatie. “Ik had een kaakontsteking. Bijzonder naar. Ze hebben me even flink te grazen genomen, maar het gaat nu gelukkig steeds beter,” zegt hij enigszins opgelucht. We bestellen beiden een cappuccino en praten verder. Langzaam aan druppelen er steeds meer mensen het café binnen. Het is immers borreltijd.

De liefde voor de jazzmuziek
Theo groeide op in het Den Haag van na de oorlog. Net als zijn vader, die helaas in de oorlog zou sneuvelen, ging hij naar zee. “Ik eindigde als tweede stuurman op de grote handelsvaart. Werd afgekeurd door een oogafwijking,” zegt Theo.

Terug naar het Den Haag van vroeger. Ik vraag hem waar hij toentertijd veel kwam. “Weet je, ik was geen danser, dus bezocht ik meer de uitgaansplekken waar muziek werd gemaakt. Muziek die mij letterlijk en figuurlijk bij de lurven greep. En dat betrof vooral de modernere jazzmuziek. Een oudere vriend draaide die sound op zijn pickup als we zaten te pokeren om een paar grijpstuivers. Zoals Stan Kenton en Lee Konitz (een blijvende held voor mij!) van de West Coast Jazz; Charlie Parker en Miles Davis van de andere kant, de East Coast Jazz. Op Scheveningen had je in die tijd Jazz at the Philharmonic, die werd uitgebracht in de concertzaal van het Kurhaus. Voor weinig geld, ik meen vanaf twee kwartjes, kon je in de Kurhauszaal grootheden als Milt Jackson, Lester Young en Sarah Vaughan bewonderen. Lou van Rees, de impresario, vroeg ons bij het eerste optreden van dat gezelschap allemaal naar voren te komen, om zo de eerste twee rijen te bezetten. En legde ons maar meteen uit dat het verlies dat hij die avond leed, wel weer werd goed gemaakt door vooral de Houtrustconcerten waar met name Louis Armstrong en Lionel Hampton het publiek, waaronder ik, op de stoelen wist te krijgen. Dat waren nog eens tijden in die zogenaamde saaie jaren vijftig. En dan natuurlijk onze eigen Pia Beck op Scheveningen. Die frequenteerde ik ook wel eens met mijn verloofde, ene Coby, die mijn smaak op jazzgebied niet helemaal deelde. Daarnaast zat, als heel andere koek, Gregor Serban met zijn Hongaren. Ook best aardig voor de afwisseling. Soms verdwaalde ik in de Haagse jazz Club, die zat toen nog in de Nobelstraat. Ja, jazz werd in die dagen almaar populairder, waar naast een radiozender als de Voice of America ook onze Michiel (de Ruyter) en Pete (Felleman ) op radio Hilversum veel aan bijdroegen, ‘Oh, lady be good….’. Het was met recht een schitterende tijd.”

Begin jaren negentig leert Theo, aangespoord door zijn goede vriend, kunstenaar en tangodanser (de inmiddels overleden) Peter Polderman, de Argentijnse tango dansen. Plaats van handeling was een tent genaamd ’t Syndicaat, in de Nieuwe Molstraat. “Dat was best wel spannend, want ik kon helemaal niet dansen, joh. Was nota bene als puber van de dansschool gestuurd omdat ik me toen ook al niet altijd aan de regels hield. Maar terug naar de tango, eentje met vallen en opstaan, vraag verder maar niet hoe. Informeer dat maar beter bij één van de dames die mij vriendelijk maar beslist weigerde, als ik haar ten tango vroeg. Maar hoe dan ook, het is een heerlijke dans, mij vaak in extase opvoerend (let op, op de website van het literaire tijdschrift Extaze staat naast een foto van een dansend tangopaar een tangogedicht van Theo afgedukt).”

Tenslotte, het is duidelijk: met zijn krap eenentachtig jaar is Theo bijna nog een jonge hond, zij het dan tegenwoordig vooral wat het schrijven van verhalen en gedichten betreft. Het is dan ook niet uit te sluiten dat we in de toekomst nog wel wat enige schrijfsels van hem kunnen verwachten.

Frans Limbertie
frans.limbertie@yahoo.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann