Met rode sokken hoorde je er een beetje bij

Nu kan ik eindelijk de kleren dragen die me zelf het beste uitkomen. Vroeger niet. Toen droeg ik kleren om er bij te horen. Om niet op te vallen. Om me in te verschuilen. Om me beter te doen lijken dan ik was. Of omdat het moest van mijn moeder.

In de tweede klas van de Dalton HBS in Den Haag behoorde men in 1958 knalrode sokken onder een strakke, zwarte broek te dragen. Het liefst in combinatie met bordeelsluipers. Bordeelsluipers waren suede schoenen met spitse neuzen.

Dus verwisselde ik halverwege de route naar school ter hoogte van de Daal en Bergeselaan mijn normale zwarte sokken voor knalrode. Want mijn moeder had mij -en dat wist ik echt zeker- nooit met knalrode sokken naar school laten gaan. Die rode sokken had ik dus heimelijk van mijn zakgeld gekocht. Om erbij te horen. En daar moet je wat voor over hebben.

Helaas. Bordeelsluipers behoren laag te zijn. Met spitse neuzen. En ik had Clarks. Die waren hoog. Met bolle neuzen.

Die strakke, zwarte broek moest trouwens zonder vouw, en beneden zonder omslag zijn. En de mijne had natuurlijk wel een vouw en een omslag.

Dus hoorde ik er maar een béétje bij.

Bloempotmodel
Op de lagere school begon het eigenlijk al. Bij de kapper was ‘coupe bloempot’ rond 1950 het enige beschikbare model. Alsof de kapper tijdens het knippen een bloempot omgekeerd op je hoofd had gezet. En dan scheerde hij alles wat onder de rand van de bloempot zat tot op de millimeter weg. Daarboven liet hij het trouwens ook nooit langer dan zo’n centimeter of drie. En dan liefst met de scheiding rechts.

Het is me, tot op de dag van vandaag een raadsel gebleven waarom sommige jongens de scheiding links hadden. Maar hoe dan ook was het in die tijd bepaald geen wonder als je, een paar dagen nadat je bij de kapper was geweest, verkouden werd.

Je zou kunnen zeggen dat ons haar langzaam maar zeker langer werd na een bezoek aan de kapper. Dat gebeurde mede onder invloed van mysterieuze stromingen, zoals het existentialisme waarin ieder mens als een uniek wezen werd beschouwd die zijn eigen bestaan zelf zin moest geven. Maar later natuurlijk ook vanwege de Beatles en de Stones.

Bij de ‘vetkuiven’werd dat langere haar dan in diverse bochten en golven met haarpommades zoals brylcreem op het hoofd gelijmd. De latere hippies lieten het gewoon hangen. Meestal met een scheiding in het midden.

Plus-fours en pull-overs
Waar waren we gebleven? O ja, in 1953. We zaten op de lagere school waar de meeste jongens toen het hele jaar door een korte khaki- of corduroybroek droegen. De plus-four, voor jongens ooit bedoeld als overgang tussen de korte en de lange broek, werd nog maar door enkele jongens gedragen. De onderkant van die plus-four moest iets boven de kuit met een gespje worden vastgezet en viel tamelijk lullig zo’n tien centimeter onder de knie. Pofbroek werd-ie ook wel genoemd.

Jongens met zo’n pofbroek hielden altijd stoer vol, dat ze al een ‘lange’ broek droegen. Maar dat sloeg natuurlijk nergens op. Als je maar lang genoeg ‘drollenvanger’ tegen zo’n jongen zei, trok hij op den duur vanzelf wel weer een gewone, korte broek aan.

Een enkele keer kwam er zelfs een klasgenoot in een echte, lange broek naar school. Een lange broek met – eerst nog – een vouw erin en een omslag onderaan.

En neem de pull-over. Ook eerst nog gewoon. Maar al gauw werd de pull-over ervaren als een kledingstuk voor zonderlingen die niet helemaal fris onder hun petje waren. Het was een soort strak, wollen truitje zonder mouwen, zonder kraag maar wel met een v-hals.

Vooral oma’s leefden zich uit in het breien van pull-overs waarbij de meest wonderlijke patronen en kabelsteken niet werden geschuwd. Eigenlijk was het heel wonderlijk. De ene dag kon de pull-over nog wel. De andere dag ineens niet meer. En of dat nou een modeverschijnsel was of dat het meer lag aan het bereiken van een bepaalde leeftijd waarin zomaar ineens verbluffende inzichten omtrent bepaalde lulligheden in de klederdracht doorbraken, weet ik nog steeds niet.

Twin-sets en step-in’s
Bij meisjes zullen deze zaken wel ongeveer hetzelfde hebben gelegen als bij jongens. Misschien luisterde het bij meisjes nog wel nauwer. Maar ik was een jongen. En bemoeide me dus alleen met jongenskleren. Ik had totaal geen weet van meisjeskleren. Laat staan van de namen daarvan. Ik moet zelfs nu, bij het schrijven van deze aflevering, op mijn 73ste nog aan mevrouw Pasgeld vragen hoe die meisjeskleren van toen heetten. Twin-sets, zegt ze. Majo’s. Hoepelrokken. Petticoats. Overgooiers. Step-in’s.

Ik wist toen niet wat dat allemaal was en weet het nog steeds niet. Wel heb ik, en ik zal vast niet de enige jongen zijn geweest, er een oog voor gehad, dat het, hoe het dan ook heette, wel goed moest zitten. Ik bedoel…, ja, hoe zeg je dat eigenlijk… dat het zó zat, dat je je datgene wat verhuld werd, in je stoutste dromen toch nog enigszins met plezier kon voorstellen.

En soms hoefde je daar niet eens zoveel moeite voor te doen. Neem nou die strakke spijkerbroeken. Ik bedoel die èchte, héle strakke spijkerbroeken. De meisjes uit het Westland waren er berucht om.

Mevrouw Pasgeld komt uit het Westland en kan zich nog herinneren hoe spijkerbroeken nóg strakker gemaakt konden worden dan ze in de winkel al waren. Dan trok ze de broek binnenstebuiten aan en ging op bed liggen. Vervolgens speldde haar zusje de broek stevig tegen de benen in de stof vast. Broek uit. Met stevig garen door de naaimachine langs de spelden. Klaar. Soms was de broek dan zo strak dat hij niet meer over de hiel van de voet kon. Dan was een klein ritssluitinkje onderaan de broek een uitkomst.

Wat een ellende met die kleren. Ik had een ruitjesbloes met korte mouwen. Maar die korte mouwen waren voor mijn gevoel toch net iets te lang. Met die bloes zou ik het dus echt niet maken. Dus rolde ik die korte mouwen onderweg naar school nog eens extra op. Met als resultaat, dat ik er nog eens extra belachelijk uitzag. Maar dat wist ik zelf natuurlijk niet.

Witte onderbroeken met gulp
Over ondergoed zal ik het maar niet hebben. Gelukkig zag bijna nooit iemand je ondergoed. Behalve in de kleedkamer vóór en na gymnastiek. Met witte onderbroeken met een gulp zonder elastiek rond de pijpen hield ik het uit tot 1957. Witte hemden heb ik daarna ook nooit meer gedragen.

Moet ik het nog hebben over mijn geitenwollen sokken? Of over mijn Robinson-sandalen? Liever niet. Want het zit me nog steeds hoog.

Leeft u met me mee? Of kent u een andere frustrerende dracht van weleer? Mail het naar: julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann