Naoorlogse tijd niet voor iedereen prettig

Een goed beeld dat Joop Arts heeft gegeven van de crisistijd in De Oud-Hagenaar van 7 februari. Toch wil een kanttekening plaatsen bij zijn wat optimistische visie van na de oorlog.

Natuurlijk was er direct na de oorlog ook werkloosheid. Er moest immers van alles weer op poten worden gezet. Maar het was voor met name de wat oudere werknemer en de niet gediplomeerde moeilijk om weer aan het werk te komen.

Mijn vader was daar één van. Wekelijks naar, wat genoemd werd de Beijerstraat, een klein gebouwtje bij de sportvelden aan de La Reyweg. Daar stond aan het loket een rij werklozen te wachten op hun steun. Soms mocht ik mee achterop de fiets bij pa. Dan weer was er de tewerkstelling. Schoffelen en papierprikken in het Scheveningse Bos. In de zomervakantie ging ook vaak mee. ‘s.- Morgens vroeg achterop de fiets vanuit huis naar de bosjes. Andere werknemers namen ook vaak hun zoon mee. Konden we helpen of we gingen wat op avontuur.

De steun was te weinig om van te leven en te veel om van dood te gaan. Een paar keer per jaar konden we bij schoolkleding in de Gouwestraat wat kleding halen. Ondergoed dat kriebelde. Bruine schoenen als je vriendjes zwarte hadden. Op school kon je precies zien wie er kleding had van de Gouwestraat. Gelukkig kon mijn moeder goed zelf kleding maken. Van een oude militaire jas die was zwartgeverfd en gekeerd kreeg je van de goede stukken een winterjas. Gelukkig hadden mijn ouders zich niet gemeld voor schoolvoeding. Dat stonk verschrikkelijk als dat was gebracht.

Later moest mijn vader zand verplaatsen in Moerwijk voor nieuwbouw die er zou komen. Kruiwagen volscheppen, over een plank uit de kuil en alles op een hoop storten.

Gelukkig kreeg mijn vader werk in het magazijn bij de uitgeverij Ten Hagen. Een katholiek bedrijf. Een medewerker was ontslagen, hij had postzegels gepikt. Omdat wij niet katholiek waren kreeg mijn vader alleen een aanstelling tot het moment zij een katholieke medewerker hadden gevonden. Na een half jaar weer steun.

Na een tijdje werk bij een wijnimporteur. Vaten met duizend liter wijn van vrachtwagens lossen. Te zwaar voor hem maar in de steun dat niet. Zijn gezondheid ging zienderogen achteruit. Toen hij niet meer kon en afgekeurd werd moest hij weer aan het werk. Waker bij het plantsoen. Een groengeel schildje op de borst met Bewaker er op. Rondlopen zonder enige beschutting, gen toilet en gepest worden door de jeugd. Uiteindelijk kreeg hij toestemming om een school te waken en kon hij binnen zitten. De schoolbewaking duurde van 15.00 uur tot 23.00 uur. Op woensdag kwam er nog een paar uur bij. De avondmaaltijd bracht ik hem in een pannetje.

Tot er een paar keer niet werd opengedaan op mijn bellen en we ongerust werden. Naar de dokter voor onderzoek en het werken werd hem definitief verboden. Zijn gezondheid ging nog verder achteruit tot hij in 1956 in het ziekenhuis Zuidwal overleed. Uitgewerkt en opgebrand. Zijn AOW heeft hij niet gehaald. Zo goed ging het dus in die jaren na de oorlog. Die jaren van tewerkstelling heeft hij als zeer denigrerend ervaren. Ondanks de moeilijke jaren van mijn ouders heb ik een fijne jeugd gehad. Ook de jaren na zijn overlijden en mijn moeder aan de controle grillen van een bijstandsambtenaar moest voldoen. Weer was er schoolkleding. Na een paar jaar ging het beter toen de weduwen en wezenwet werd aangenomen en er geen controle meer was van de bijstandsambtenaar.

Nee, zo prettig was die naoorlogse tijd voor velen niet.

Rob Reimerink
rob.reimerink@gmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann