Op visite in een zondagse kamer

Ruim een halve eeuw geleden vereerde men elkaar regelmatig met een bezoek. Dat ging niet zelden gepaard met een uiterst ingewikkeld systeem van voorafgaande afspraken en vaststaande rituelen.

Het was altijd op zondag. Kennissen en vrienden, maar ook de ouders van beide kanten werden beurtelings – maar nooit allemaal tegelijk – uitgenodigd om de middag gezellig met elkaar door te brengen. Een enkele keer zat daar zelfs een eigengemaakt thuisdinertje aan vast. Alles natuurlijk wel onder de onuitgesproken voorwaarde, dat daar binnen niet al te lange tijd een uitnodiging voor een tegenbezoek uit zou voortvloeien. En als zo’n uitnodiging wat al te lang op zich liet wachten sprak het vanzelf, dat de uitnodiging die dáár dan weer op volgde, ook wat langer op zich wachten liet.

Het luisterde allemaal nogal precies. Mijn moeder was dagen vóór zo’n bezoek al zenuwachtig in de weer om ons flatje aan de Klimopstraat door een ringetje te halen. Stiekem werd telefonisch geïnformeerd naar de eet- en drinkvoorkeuren van de andere echtgenoot. Opdat men niet voor verrassingen zou komen te staan. De kinderen dienden echter te eten wat de pot schaftte. En wee ons gebeente als we restjes op ons bord achter lieten. Want dat getuigde niet alleen van slechte manieren, maar vooral ook van het onvermogen van de opvoeders om goede manieren bij te brengen.

Een glaasje Vermouth
Zo werden oom Jan en tante An met hun kinderen Gerard en Oedine regelmatig bij ons uitgenodigd voor een zondags kopje koffie en wat later op de middag een glaasje Vermouth en ranja met een rietje voor de kinderen. En op onze beurt togen wij dan weer met enige regelmaat naar de Eerste van den Boschstraat in het Bezuidenhout waar oom Jan en tante An er, op hun flatje op de eerste verdieping speciaal voor dat soort gelegenheden een ‘zondagse kamer’ op na hielden. In dit geval een voorkamer die deel uitmaakte van een kamer ‘en suite’.

Dat hadden wij niet, een zondagse kamer. Vooral mijn moeder had dat graag anders gezien. Maar om de schijn hoog te houden, betoogde ze tegen iedereen die het maar horen wilde (behalve tegen oom Jan en tante An natuurlijk), dat een zondagse kamer eigenlijk ‘geheel uit de tijd’ was en slechts in stand gehouden werd om buitensporige aandacht te verwerven.

Als wij bij tante An en oom Jan op bezoek waren, was het de kinderen trouwens verboden de zondagse kamer te betreden. Tenzij we onze schoenen uit deden. En die schoenen? Welke anders dan mijn pasgepoetste, glimmende leren molières, die precies bij onze zondagse kleren behoorden. En waarmee we uiteraard niet buiten mochten voetballen als onze ouders binnen aan de Vermouth zaten.

Maar dat deden we toch, natuurlijk. Op de afbraak achter de Eerste van den Boschstraat. Tussen de ruïnes die daar toen nog restten van het Engelse bombardement op het Bezuidenhout dat daar per ongeluk had plaatsgevonden. De chaos en de branden die daarop volgden waren precies opgehouden achter de huizen van de Eerste van den Boschstraat. Maar de was, die tante An op dat moment buiten het balkon had hangen was wel geheel in vlammen opgegaan, zo werd me keer op keer verteld. Daar voetbalden we dus. Waar nu de Utrechtsebaan loopt.

De reis erheen
Ik herinner me van die zondagse bezoeken vooral de reis erheen en terug. Dat ging per tram. Eén keer overstappen. Onder het Schenkviaduct stapten we uit om het laatste eindje te lopen. Maar soms, als het mooi weer was, legden we het laatste stuk – dat we dus doorgaans per tram deden – te voet af.

Soms ging het via de Hofvijfer, een andere keer weer via de Hoefkade. De wereld was, voor iemand van nog geen tien, op zondag op die manier een stuk groter, dan doordeweeks.

En dat het indruk op me heeft gemaakt is wel zeker. Want nog steeds, ruim zestig jaar later, word ik af en toe wakker uit een benarde droom waarin ik weer eens verdwaald ben in Den Haag en absoluut niet weet hoe ik thuis moet komen.

Ook tante Koos en oom Herman en hun zoons Bert en Frans bezochten we regelmatig op zondag en vice versa. Ze woonden in een flat op de eerste verdieping in de Werkhovenstraat in Leyenburg. We wandelden er altijd heen. Want het was maar een halfuurtje lopen. Daar nam je toen dus geen tram of bus voor. Zelfs niet als het regende. Het ging via de Laan van Eik en Duinen, tussen de begraafplaats door, langs de Soestdijksekade naar de Werkhovenstraat.

Raar. Maar op de een of andere manier verdwaal ik daar zelfs in mijn dromen niet. Misschien omdat er in die toenmalige buitenwijken van Den Haag altijd wel een gemoedelijke sfeer heerste. Er was eigenlijk nooit iets bijzonders. En hopelijk is dat geluk daar nu nog steeds heel gewoon.

Mevrouw Groskamp ten Have
Bij tante Koos en oom Herman ging het wat gemoedelijker toe. Ze hadden geen zondagse kamer. En aan de drang van mijn moeder, om toch mijn zondagse kleren aan te doen naar het bezoek, kon ik weldra weerstaan. Niet in de laatste plaats omdat Bert en Frans, naar mijn weten, niet eens zondagse kleren hadden.

Tijdens het bezoek kwamen diverse zaken op het gebied van etiquette aan de orde. Zoals correct converseren, het op de juiste manier nuttigen van asperges en een onberispelijke tafelschikking. Kortom: alles waar mevrouw Amy Groskamp ten Have indertijd warm voor liep.

En als het regende hingen Bert, Frans, mijn zusje en ik maar wat rond en vingen flarden van die discussies op. Nooit zal ik vergeten, dat oom Herman ineens genoeg kreeg van al die normen en waarden en luidop verkondigde: “Die mevrouw Kotskramp ten Grave kan wat mij betreft het dak op!”.

Verschrikt keek iedereen op om zich ervan te vergewissen of de kinderen dat ook hadden gehoord. Wij deden echter alsof de uitbarsting van oom Herman op de een of andere manier langs ons heen was gegaan. En zo kwam alles gelukkig weer goed.

Een enkele keer mocht ik bij tante Koos en oom Herman logeren. Dat was bijvoorbeeld vlak voor Luilak. Luilak is een ritueel om langslapers de zaterdag voor Pinksteren zeer vroegtijdig te wekken en werd in Den Haag toen nauwelijks gevierd, behalve in sommige straten in Leyenburg. En dan moest ik natuurlijk ook vroeg op. Om om vijf uur ’s ochtends met andere jongens op de deuren en ramen te timmeren en keihard: “Luilak, beddenzak” te roepen.

Daar wilde ik graag aan meedoen. Dat was nog eens wat anders dan je schoenen uitdoen voordat je de zondagse kamer mocht betreden.

Ook gebukt gegaan onder de formele normen en waarden van weleer? Mail voor medeleven naar
julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann