De schoffies van de Springfonteinstraat

Achteraf was het een mooie tijd, het was wel oorlog, maar we konden daar toch van alles doen. Een straat, maar meer een plein met een grote boom in het midden en geklemd tussen de Kaapstraat en de Schalkburgerstraat. De oorlogstijd was spannend voor ons en we begrepen er maar weinig van. Mijn vader had een groentewinkel en werkte hard, we hadden het daarom misschien wat makkelijker dan anderen. Hij ruilde aardappels en groente voor brood en zuivel.

Toen er met bonnen werd gewerkt maakte hij van de wachtende klanten twee rijen buiten, de goede klanten aan de ene kant en de foute klanten aan de andere kant van de winkel (De foute klanten hadden recht om met voorrang geholpen te worden). Iedereen kon dan zien wie er fout was. Mijn vader deed dan twee goeie en één foute. Wat ik mij ook kan herinneren is dat wij tijdens een razzia in de woonkamer zaten, ik zat bij mijn vader op schoot, toen de Duitsers binnenkwamen. Later hoorde ik dat er bij ons tien mensen onder de grond zaten ondergedoken. Vlak voor de razzia kwam meneer de Vreugd met zijn zoon in paniek om te vragen of ze ook onder de grond mochten en dat is ook gebeurd. Tijdens de eerste Springfontein-reünie in 1999 die we hadden kwam een zoon mij bedanken. We waren na de oorlog ook regelmatig op het Kaapseplein aan het spelen tussen de Canadian Fords van de Canadezen, daar ben ik wel eens achterop geklommen en stiekem meegereden de Hoefkade op, bij het Veluweplein ben ik eraf gevallen. Ik ben thuisgebracht maar weet niet meer door wie.

Als de boom op het plein kon praten, dan was De Oud-Hagenaar gauw gevuld. We hadden hutten in de boom en klommen er in. Aan het einde van de oorlog (Hongerwinter) is geprobeerd de boom te kappen voor het stookhout en daar werd letterlijk een stokje voor gestoken door de bewoners: werd er een soort burgerwacht gevormd. Later is de boom helaas alsnog gesneuveld en werden de boosdoeners verjaagd zonder het hout mee te nemen. Het hout is toen verdeeld onder de bewoners van de Springfonteinstraat. In die tijd waren de mensen erg loyaal en er was meer saamhorigheid. De school in de Delagoastraat was helemaal van het hout gestript, niets was er over en wij konden daar fijn verstoppertje spelen. Later speelden we daar tikkertje maar dan mochten we niet op de straat komen, dan gingen we het hele blok in de rondte over de daken van de Delagoastraat, Vaalrivierstraat, Viljoenstraat, Pieterburgstraat (het schillenstraatje) en dan weer terug naar de Delagoastraat. De 1e Pieterburgstraat kreeg als bijnaam ‘Schillenstraatje’, omdat de Schillenboeren daar hun opgehaalde schillen brachten (verzamelplaats) en doorverkocht werden aan de boeren. Daar was de achterkant van het Huis van Onbehuisden en klommen we langs de regenpijp zo’n 15 meter naar boven. Echter konden we niet het dak op, want de dakgoot was te breed. Gelukkig is er nooit wat gebeurd.

Vissen en slagbal
In Laak gingen we vissen bij de brug, we vroegen een viskop bij de visboer die daar stond, dan haalden we er kleine stukjes af en deden die aan de haak, daar vingen we goed mee. De hengel maakten we zelf van een mooie rechte tak, een draad garen en een dobber van kurk. Als haak gebruikten wij een kromme speld. Als we weer naar huis liepen, kwamen we langs Binnerts (de bakker) en deden we als kattenkwaad de deur open. Het duurde altijd lang voordat ze naar voren kwamen, maar als ze dan kwamen gingen er een paar vissen naar binnen, de rest was voor de kat. Wat fijn was, is dat er zo weinig auto’s waren, waardoor er veel ruimte was en zo konden we lekker op straat spelen. We mochten alleen niet voetballen, want dan werd de bal ingepikt door een agent. En als het weer gebeurde nam hij je mee naar het politiebureau in de Van der Vennestraat. Daar lieten mijn ouders mij heel de dag zitten en dan moest die agent mij weer terugbrengen, lopend naast zijn fiets. We speelden in de straat slagbal en als honken gebruikten we de putdeksels. Ook gingen we op woensdag en zaterdag naar het sportveld in de Beijerstraat en deden we allerlei sporten onder begeleiding. Met Mario Santucci organiseerde ik voetbaltoernooien tegen andere straten uit de buurt en dat gebeurde op de speelweide in het Zuiderpark, ook het wielrennen op de rondweg in het Zuiderpark. In de straat waren het hele toernooien met stoepbal, lijnbal, tennissen, volleybal enz. en natuurlijk het verstoppertje en het bussenschappertje niet te vergeten.

Tijdens het verstoppertje spelen probeerde ik een sigaretje te draaien van de peuken die er na een verjaardag waren uitgedrukt. Vroeg in de ochtend liep ik dan de asbakken na en nam de peuken mee, haalde de goeie shag eruit en maakte van krantenpapier vloeitjes. Het resultaat was dat ik me rot hoestte en waarschijnlijk daarom nooit ben gaan roken. Het was feest als ik met mijn vader mee mocht naar ADO, voetbal heb ik daar weinig gezien, want ik was altijd onder de tribunes te vinden en er werd altijd wel iets gevonden. De Mars-actie was het mooiste, als je 5 wikkels had dan leverde je ze de volgende dag in bij een kruidenierswinkel en kreeg je een nieuwe Mars, ik heb er wat gegeten.

Dan denk je ook aan het Veluweplein waar het eindpunt van lijn 13 was en wij gratis meereden achterop de stootbeugel tot aan de eerste halte, de Julianakerk. Daar was ook mijn school, de Comeniusschool in de Kempstraat, die heb ik overigens nooit afgemaakt, mijn ouders hebben mij er afgehaald. Ik had zo’n hekel aan mijn leraar van de 5e klas de heer Feenstra. Ik had altijd strafwerk en hij bewaarde dat met al mijn huiswerk en repetities, waar hij de tijd op schreef die ik er over deed. Dat werd vervolgens op mijn verjaardag bij mijn ouders thuisbezorgd. Het was een Christelijke school en je moest in het weekend psalmversjes leren en ’s maandags werd je overhoord. Dan stond hij met zijn viool voor de klas en speelde de psalm. Als je dan niet meezong, kreeg je de beurt om het op te zeggen. Gelukkig belandde ik op de Viljoenschool en heb daar in de vijfde en zesde klas nog een fijne tijd gehad.

Mario Santucci met zijn vader op het Binnenhof.

Dozen paardepoep
Onze hangplek was de ijssalon van Santucci op de hoek van de Schalkburgerstraat. Maria deed met haar moeder de verkoop. Mario verhuurde daar zijn ijswagens, daar ging zo’n grote staaf ijs in om alles lang koud te houden en wij brachten de bakken ijs rond in Den Haag. Je moest hard rijden op je fiets, anders was het gesmolten voordat je er aan kwam. Als je terugkwam kreeg je een ijsje. Zijn standplaatsen waren (wat ik me kan herinneren) het Veluweplein, de Boulevard, het Binnenhof en de brug bij de Hokij. In die tijd was de winter strenger dan nu en de sneeuw bleef langer liggen, de bewoners moesten hun straat voor hun eigen huis schoonmaken en de sneeuw werd naar de stoeprand geveegd. De asla werd geledigd op de stoep om het wat minder glad te maken. Als de sneeuw bevroren was, staken we er ijsblokken van en bouwden we ijshutten. We haalden ook wel rotstreken uit in de Spring. Bij Paalvast werd een doos met gebak gebracht en die lege doos hadden we gevuld met paardenpoep, boven ging het raam open en hij kwam weer met veel snelheid terug, gevolgd met een hoop GVD’s. Het deurtje vastbinden, was ook een vaste bezigheid. Je deed op een portiek een touw om de knop van de deur daar tegenover aan de trekbel. Dat deed je ook andersom en wij stonden onder aan de trap te luisteren of je belde aan op 2 hoog en vroeg of daar de fam. van Onderen woonde, wat natuurlijk niet zo was. Dan gooide je een straatsteen naar boven en schreeuwde je; “Zal ik een steen naar beneden laten donderen”. Natuurlijk ook nooit te vergeten de Kerstbomenjacht. De bomen kwamen overal vandaan of werden veroverd, ze gingen dan boven op het dak en voor de show lagen er een paar beneden bij Mario en werden door anderen en politie weggehaald. Toen mijn vader een paard en wagen had, mochten we in de vakantie om de beurt mee naar de veiling in Kwintsheul, handel kopen. Op de hoek in Wateringen waar we langskwamen had je een café met een halve deur daar kregen we chocolademelk met een koek en gingen dan verder. Dat vergeet je nooit meer.

Nolke Dijkstra is een jaar geleden overgekomen uit Canada en toen zijn we met de schoffies van die tijd een rondje gaan maken door de wijk, ook hebben we het badhuis in de Spionkopstraat bezocht. We mochten van de eigenaar in de kelder kijken en dan komen de verhalen vanzelf. Toen de badmeester langsliep voor controle en hij voorbij je hokje liep dan deed je de deur zachtjes open en zette je de klok 5 minuten naar voren. Ja, we waren schoffies maar wat zijn het toch mooie herinneringen. Op zo’n reünie komt alles weer naar boven en geniet je maandenlang omdat je je oude maten en vriendinnen weer hebt ontmoet.

Komt u uit de Springfonteinstraat of uit die buurt en wilt u de reünie bijwonen, neem dan contact op met Jan Groenestein.

De bedoeling is om dit jaar in september weer een reünie te organiseren.

Jan Groenestein
jgr@caiway.nl
070-3689096 of 06-15000878

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann