Oude Flip

Een poos geleden zag ik bij een kringloopwinkel in Den Haag een oud boekje met verhaaltjes van Flipje uit Tiel, destijds heel populair van de jampotten. Toevallig had even daarvoor een artikel over hem in de Haagse Courant gestaan, waarin aandacht werd geschonken aan het feit dat hij inmiddels de leeftijd van zeventig jaar gepasseerd was. Ik nam het boekje mee en begon er thuis in te bladeren. En als vanzelf voerden mijn gedachten mij naar de tijd van toen, toen bijna ieder kind wel een boekje of ‘filmstrook’ (zoals de lange stroken papier met zijn avonturen wel werden genoemd) van deze vrolijke fruitbaas bezat. Ik verzonk in nostalgisch gepeins.

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt, ik vroeg mij af hoe het met hem zou zijn na al die jaren. Het liet mij niet meer los en het idee groeide om de jeugdheld op te gaan zoeken en een verhaal te wijden aan zijn huidige levensfase. Had hij de tand des tijds doorstaan, of … Maar hoe en waar zou ik hem kunnen vinden ?

Een eerste poging daartoe liep al meteen spaak. De firma ‘De Betuwe’ in Tiel bestond als zodanig niet meer, was opgegaan in het veel grotere Heroconcern. Maar eenmaal daarheen gebeld kwam ik ook niet verder. Op mijn vraag naar Flipje, of ik hem wellicht kon spreken, werd ik door een of andere jamtrut al meteen het bos in gestuurd. “Daar doen wij geen mededelingen over mijnheer” was het antwoord en wat ik ook probeerde ik kwam niet verder, alsof ik een onzedelijk voorstel deed. Flipje werd kennelijk nogal afgeschermd. Wat nu? Al peinzende schoot mij een naam te binnen: baron Hop, van de Haagsche Hopjes! Allang overleden natuurlijk, maar een van zijn nazaten kende ik ook, jonkheer Hop. Via internet was hij snel gevonden en het contact gelegd en toen ik hem mijn plan vertelde wist hij na enig nadenken wel een mogelijkheid mij met de Flip-van-nú kennis te laten maken. Er bleek een jaarlijkse reünie te bestaan voor oud-mascottes en soortgelijken, gehouden in een soosgebouw, waarvan de naam en het adres voor buitenstaanders zorgvuldig geheim werd gehouden. Normaal zou het mij dan ook niet lukken dat te vinden, laat staan er binnen te komen, maar met een introductie van niemand minder dan een telg uit de Hop-familie moest dat te doen zijn. Er werd mij op het hart gedrukt het adres niet verder te vertellen.

Geen leuke oude dag
Om kort te gaan, het plan lukte en op een late zondagmiddag vervoegden jonkheer en ik ons bij genoemd soosgebouw. Een breedgeschouderde uitsmijter liet ons pas door na bestudering van mijn identiteitskaart en ruggespraak met de leiding, maar daarna konden we dan toch de ruimte binnengaan. We betraden een nogal rumoerige ruimte, waar het sterk naar bessenjenever rook en het blauw van de rook zag. Er bleek her en der stevig aan sigaretten en bolknakken gelurkt te worden en door het beperkte zicht duurde het dan ook even voor we tussen de andere aanwezigen ons doel ontdekten. Maar op een gegeven ogenblik stond ik dan toch oog in oog met Flipje, het fruitbaasje. Nou ja, Flipje… hier stond een wat broos ogende en volwassen mascotte voor me, die niet veel meer op het fruitbaasje van vroeger leek. Met zijn wankele gestalte en rimpelig gezicht, de ooit zo hagelwitte muts nu groezelig en verfomfaaid op een oor hangend, was zijn uitstraling van toen nu ver te zoeken.

Jonkheer Hop stelde mij voor en vertelde de reden van mijn bezoek, waarna hij verder zijn gang ging. Mijn ter begroeting uitgestoken hand werd van Flip’s kant met een klef en slap handje beantwoord en liet nog vlekken na ook, zag ik tot mijn afschuw. Ik stak meteen maar van wal. Op mijn vraag waarom er in de pers nog steeds jeugdige afbeeldingen van hem worden gebruikt, antwoordde hij wat geïrriteerd dat dat op last van de huidige directie was, hij had daar geen stem meer in. “Maar het zijn allemaal néppers, meneer”, zei hij, “Er was ooit maar één Flipje en dat was ik!” Hij keek er wat droevig bij, voor hem hoefde al die belangstelling trouwens niet, maar het werd allemaal door de fabriek in leven gehouden, hij had daarin allang geen stem meer. Hij moest zelfs elke maand een botoxbehandeling voor zijn bessen ondergaan en zich insmeren met olie om deze toonbaar te houden. “Nee meneer, geen leuke oude dag”. In stilte vervloekte hij eigenlijk z’n bedenker van toen. Ooit was het leuk om populair te zijn, maar nu moesten ze hem maar eens met rust laten.

Miss Blanche en Chiep Whip
Ik schaamde mij een beetje nu ikzelf aan deze onrust meedeed en omdat ik de indruk had dat het gesprek hem vermoeide, nam ik met welgemeende dank maar afscheid van Flip. Om me heenkijkend zag ik trouwens meer interessante figuren in de soos en ik besloot ook daar een praatje mee aan te gaan knopen, mijn verhaal daarmee breder te maken dan alleen over Flip. Mijn oog viel als eerste op een nogal gevulde dame, met een bekend voorkomen. En meteen daarop wist ik het weer. Het rode jasje, de zwarte bolle hoed, dat moest toch Miss Blanche zijn! Sjonge, wat was ze dik geworden, haar kleding spande om haar heen, en wat een áchterwerk… Ze zat daar trouwens niet alleen, want door de rook starend ontwaarde ik een eertijds andere bekendheid, Chief Whip! Met vlinderdas en monocle, ‘Op ieders lip!’ luidde jarenlang de reclame. Miss Blanche en Chief Whip, samen in een wat krap bemeten crapeautje, wie had dat kunnen bedenken. Beiden paften er lustig op los en hadden het zo te merken erg naar hun zin. Ze kregen door dat ik hen zo stond te bekijken en Miss Blanche bood met met een brede lach, waardoor haar inmiddels saffraangele rokerstanden zichtbaar werden, mij ook een saffie aan. Ook Chief Whip hield mij een zilverkleurige sigarettenkoker voor, maar ik bedankte beiden vriendelijk. “Een tevreden roker is geen onruststoker,” zeiden ze nog, waarna beiden in een rochelende hoestlach schoten.

Ik nam een glas bessenjenever van een van de bladen die mij werden voorgehouden. Dat werd hier, geheel in stijl, in ruime mate verstrekt. Mij verder door de ruimte begevend ontmoette ik even verder een eveneens stevig rokend heerschap die zich voorstelde als Dr. Dushkind. Natuurlijk, in de geest van toen eveneens een heel bekende naam op rookgebied. De doktor had het hier maar matig naar zijn zin zei hij, hij merkte op dat het gezelschap naar zijn smaak van weinig niveau was. Hij miste het ‘intellect’, zoals hij het noemde, mensen van gelijke snit zogezegd. Maar gelukkig voor hem verwachtte hij zodadelijk Dr. Oetker met wie hij ongetwijfeld een boom op gelijke hoogte kon gaan opzetten.

Jonkheer
In een van de hoeken van de soos zat vervolgens op een grote driezitsbank een heer van zo te zien minstens gelijke kaste, maar dan met een wat vriendelijker uitstraling. Naast hem stond een witgehandschoende bediende, de handen decent voor de buik gekruisd en de blik omlaag. De heer op de bank stelde zich voor als Jonker Fris. Ach, dat had ik kunnen weten, zoals hij daar zat, in nog immer dezelfde kledij van zijn hoogtijdagen. Joviaal noodde hij mij naast zich en voor ik het wist waren we in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Zo vertelde hij me dat zijn benaming maar een nickname was, slechts bedoeld voor de commercie. Zijn werkelijke, adellijke naam was ‘Jonkheer Fris- van Vollenbroeck tot Nattedije’, stammend uit een zeer oud conservengeslacht. Nou ja, zolang als er conserven bestaan dan. Maar zo’n naam leent zich natuurlijk niet voor blikken en potten en het ‘bekt’ vanzelfsprekend ook niet lekker.

De jonker nam nog eens een teug van zijn glaasje bessen en zei dat het in de huidige tijd maar ‘aanklooien’ was met de adel. En dat het bijna onmogelijk was om volk te vinden dat serieus voor je wilde werken. En had je dan met veel moeite eenmaal iemand gevonden, dan verlangde zo’n personage nog een behoorlijke geldelijke vergoeding ook! De brutaliteit! Dat was eertijds wel anders, toen was het als eenvoudig individu alleen al een éér om voor lieden van zijn stand te mogen werken. Waar was de beschaving gebleven, jongeman? Ik knikte maar eens begrijpend en zag op m’n horloge dat het al laat begon te worden. Ik wilde nu liever naar huis om hetgeen zich in mijn hoofd had opgeslagen snel op schrift te zetten, nu alles nog fris in het geheugen lag.

Ik belde een taxi en ging van een ieder afscheid nemen, in het bijzonder van Flip, die tenslotte de aanleiding tot dit alles was geweest. Ik denk niet dat hij me nog herkende want met zijn wangen zo rood als zijn bessen maakte hij een nogal benevelde indruk, terwijl hij wankel met zijn glas zwaaide. Tenslotte liep ik nog een figuurtje tegen het lijf die ik maar niet scherp op mijn netvlies kon krijgen. Dat moest Arretje Nof zijn, alleen goed te zien met een speciale bril met een groen en een rood glas, maar dan wel in 3D. Een bril die ik zomaar niet paraat had.

Voor ik in de gearriveerde taxi stapte, zag ik vanuit een ooghoek nog net Miss Blanche en haar Chief, nu in een innige omstrengeling. Tja, Chief Whip. Wip…

Wim Hoogerdijk
whopictures@hotmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann