Herinneringen aan het Bezuidenhout

Geboren en opgegroeid in het Bezuidenhout is een van mijn eerste herinneringen dat ik door de voordeur uitkijk over een immens, zonovergoten plein aan het eind van de Juliana van Stolberglaan terwijl uit de radio in de woonkamer liedjes als ‘Mister Sandman’ klinken. Of Vera Lynn met ‘We’ll meet again’. De na-oorlogse jaren, het zal 1952-1953 zijn geweest. Het is hoogzomer en ik voel me heel stoer dat ik zómaar in mijn hemdje mag rondlopen en zelfs voor de deur op straat mag spelen onder het toeziend oog van mijn oudere broer. En in gezelschap van de schare kinderen van de familie Nauta die op de trap naast ons woonden.

Ginds ligt de Spoordijk waar een lange goederentrein, met een enorme witte rookwolken uitstotende stoomlocomotief ervoor, zich langzaam omhoogwerkt naar het viaduct over het Hofpleinspoor bij de Mariahoeve. Enige jaren later zal het afgelopen zijn met de stoom, want in ’57 wordt de laatste loc afgevoerd. Als modelbouwstoomloc-liefhebber ben ik blij dat ik die herinneringen heb! Ook het proefdraaien van straaljagers op Ypenburg. Als de wind uit het Zuid-Oosten kwam, kon je dat bij ons op de hoek van de Van Heutszstraat en de IJsclubweg horen. We woonden in een vrij rustige uithoek van Den Haag. De Nieuwe Veenmolen gaf de grens van de stad en het begin van de weilanden aan, die doorliepen tot aan Leiden. Bij heel helder weer kon je aan de horizon de torens ervan ontwaren. Aan diezelfde horizon, maar dan wat minder veraf, stond een rij bomen waarachter je het stroomlijnmaterieel naar Scheveningen kon zien rijden. Met mijn vader mocht ik een keer mee, van station Laan van NOI naar het oude station in Scheveningen. Spannend om eerst over het Marlotviaduct te gaan en dan langs de paar haltes met de specifieke ZHESM-gebouwen in de duinen terecht te komen. Langs de Waalsdorpervlakte en kazerne en dan naar beneden, door een soort kloof. En dan langs de Alkemadelaan omhoog naar de halte Pompstationsweg (dat er nog staat!) en door langs de rangeersporen naar het eindstation met de grote hal. Ook mocht ik mee naar mijn vader’s kleermaker in Rotterdam. Dat was natuurlijk nog vanwege zijn Schiedamse periode. Wederom via station Laan van NOI, maar dan niet met de ‘Muizenkop’ maar met de ‘Blokkendozen’, ook wel ‘stofzuigers’ genoemd naar hun typerende gierende geluid. Van het Rotterdam van toen herinner ik mij nog wel dat we langs een vlakte liepen voor het stadhuis, waar helikopters stonden. Er landde toen net een Sikorsky van Sabena. Voor mij als jochie van acht of zo, een machtig gezicht!

In mijn herinnering ga ik verder naar mijn jeugd. Zomerse geluiden door het open raam; de talloze kleine neringdoenden die door de straat voorbijtrokken; de Blikslager en de Scharensliep, Jan de Olieman uit Voorburg, de Bakker met zijn kar waarop ik soms mocht meerijden, de Melkman, Piet de Lorreman, met zijn deuntje “Lorren, oude lorren! Wie heeft er oude lorren?”, de Kolenboer. Als die kwam werd de route voordeur-gang-halletje-keuken helemaal afgedekt met oude kranten waarna een of twee grote kerels met zakken kolen op de schouders via de tuin naar het schuurtje liepen om daar hun kolen achter de planken neer te storten. Soms kwamen venters aan de deur. Mijn moeder was op een gegeven moment gechoqueerd toen ze een van die venters om de hoek in een Mercedes had zien stappen. Een eigen auto was sowieso in die tijd al bijzonder. Ik kan weer helemaal rondkijken in onze eetkamer die aan de tuin grensde. Met het potkacheltje dat snorde in de winter. Dan stond het wasrek eromheen. Op de hete deksel kon je spugen, dan sisten en dansten de druppels. Naast de piano een tafeltje met de oude radio erop, het modernste apparaat in huis. Zaterdags tijdens de lunch onverbrekelijk verbonden met ‘Cor Steijn met zijn magische orgel’. Zondagsavonds met zijn allen ernaast, ingespannen luisterend naar hoorspelen als Paulus de Boskabouter, ‘Paul Vlaanderen’ of ‘Testbemanning’ van de Hagenaar Carl Lans met de spannende geluidseffecten. Wij hadden maar een klein tuintje – want hoewel het hoekhuis groot was, was de tuin natuurlijk een taartpuntje. Toch was het een tuin, met een sering die op mijn verjaardag bloeide, een grote boom in de punt, een klein gereedschaps-/kolenschuurtje en gras met madeliefjes. Op de hoek van de IJsclubweg woonden mijn speelkameraadjes; Jan-Bart en Marja Hertrois (hun vader won later twee keer achter elkaar de Staatsloterij), Jelle Dijk (zijn vader was kolonel. Later kwam daar de familie Zeldenrust te wonen en werd Dick een van mijn beste vrienden. Die is later met een politieagente getrouwd. Hoe zou het nu met hem zijn?), Wieske Barkmeyer (haar vader was uitvinder), Jan en Gerharda Barelds. Op het volgende portiek, op de Schenkkade, woonden de heer en mevrouw Schrikkel. Ik geloof dat dat kunstenaars waren en mijn moeder was een beetje bevriend met haar. De heer Schrikkel had, zo wist mijn moeder daardoor, ook de kazerne aan de Waalsdorpervlakte van schutkleuren mogen voorzien. Dat leek mij een goed idee voor als het weer oorlog zou worden!

Even verder in het hoekhuis bij de Pijnacker Hordijkstraat (Wimpie van der Holst, Pietje Pieterse) woonde een familie met een Citroen Traction en een aap. Ik weet niet wat ik spannender vond. Die aap woonde in een achterkamer (die erg stonk. Ik was er weleens uitgenodigd). Op een keer was hij ontsnapt. Mijn moeder stond naar buiten te kijken in de tuin en slaakte opeens een kreet… Er zat een grote aap in de seringenboom! Ongeloof, consternatie en opwinding! Met een net is hij uiteindelijk gevangen, maar ik mocht er niet bij; “Te gevaarlijk!” De oudste zoon, ik dacht dat die Willem heette, was een knappe jongen en heeft begin ’60 nog zelfmoord gepleegd door zich in het Haagse Bos aan een boom op te hangen. Op de Carel Reinierszkade, de ‘Rand van Den Haag’, woonde mijn vriendje Menno Pieters met een waarlijk fantastisch uitzicht over de weilanden en sloten.

Bezuidenhout 1950 tot 1965 Terugdenkend aan mijn langzaam uitbreidend bewustzijn dat zich letterlijk ook steeds meer uitstrekte over Bezuidenhout, zie ik de straten vóór mij. Allereerst het plein voor ons huis. Groot genoeg om ’s avonds tikkertje te spelen rond de drie bomen en de paal in het midden. Aan de overkant de sigarenzaak van de familie Havenaar. Ronald zat bij mij in de klas en kon goed leren. Zijn broertje Luc was bevriend met mijn latere broertje. Samen waren ze Dinky Toy-liefhebbers. Op de hoek van de Juliana van Stolberglaan zat kruidenier Haatsma. Schuin tegenover ons zat in de Van Heutszstraat een fietsenmaker en op de hoek van de Van Reesstraat zat de groenteboer. Richting Roosenboomstraat, in een oude garage, zat een (aardige) schoenmaker die het kennelijk goed deed, want hij had een van de eerste auto’s in de straat; een Heinkel met een voorkant die open kon klappen. Op de hoek de winkel van Van Alsem, waar je muizen en ander snoep kon kopen voor een paar cent. Op het binnenplaatsje tussen zijn winkel en de fietsenmaker hield hij een paard dat ook wel op het veldje naast de school graasde, naast het schooldeel van de broeders van het Westeinde. Daar ging ik naar de lagere school. Op de bovenste etage zat ik in de klas aan het raam en omdat ik veel naar buiten keek zag ik heel in de verte de vliegtuigen op Ypenburg landen. Het paard heeft nog een koliek gekregen en moest van het binnenplaatsje worden gesleept. Tussen de broeders zaten heel aardige types, ook heel creatieve. Een van hen schreef operettes die op het Westeinde in de grote gymzaal werden uitgevoerd. Ik herinner mij ‘De Wonderkast’, waarbij ik een duiveltje speelde. Ik kon helemaal niet (goed) zingen maar dat viel gelukkig niet zo op in het spektakel. Wilbert Verberne speelde de prinses, met een soort tulband op.

Tijdens mijn zwerftochten, eerst op de step en later meestal te voet, breidde je je cirkels uit: van het pleintje en de kleuterschool in het houten gebouw aan de Van der Wijckstraat naar de Laan van Nieuw Oost Indië en daarbuiten. Ik zie nog voor mij: het Stuyvesandplein met het later verplaatste monument van Louise de Coligny met haar zonen en de leeuwen, eindpunt van tram 6 met de open balkonnetjes. De Pahudstraat met op de hoek een fantastisch speelgoedwinkeltje. Dáár kocht ik op mijn vijftiende mijn eerste stoomlocomotief van Fleischmann voor vijftig gulden. Een heel groot bedrag, zeker in die tijd. Ook mijn kartonnen bouwplatenverzameling is daar gestart (ik ben nog steeds op zoek naar het Vredespaleis). Over de Laan van NOI kwam je in het ‘puin’. Een gebied van ondergelopen kelderrestanten met kikkers en salamanders, aan het eind begrensd door het wel overeind gebleven deel van de wijk tegen het Staatsspoor aan. Daar kon je oude kranten verkopen, ik dacht in de van Diemenstraat. Ik vond die wijk altijd heel spannend en heb nu wel spijt dat ik daar niet wat vaker naartoe ben geweest met mijn eerste Agfa boxje. Wauw, hoe meer ik terugkijk naar deze tijd, hoe meer herinneringen komen bovendrijven. Maar voor nu houd ik het er even bij.

Rob Stappers
rob.stappers@oriste.dds.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann