Rijke historie van Haagse buitenplaatsen

Wie de huidige reputatie van de Doubletstraat in het centrum van Den Haag ook maar enigszins kent, zal zich er wellicht over verbazen dat deze straat vernoemd is naar een zeer vooraanstaande en gerespecteerde Haagse familie die vanaf het midden van de zestiende eeuw een belangrijke rol speelde in de opkomst van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

De Doublets kwamen uit de Zuidelijke Nederlanden. Medio zestiende eeuw verhuisde Jan Doublet naar Den Haag om er procureur bij het Hof van Holland te worden. Zijn zoon Philips I wordt zelfs ontvanger-generaal van de Republiek en bekleedt daarmee het hoogste financiële ambt in het land. Nog voor zijn dood in 1650 koopt hij een stuk grond, waar de buitenplaats Clingendael zal worden aangelegd. Zijn zoon Philips II is niet alleen net als zijn vader ontvanger-generaal, maar ook stadssecretaris van Den Haag, rentmeester van de opbrengsten uit onbeheerde boedels en strandjutterij en tot slot ook nog wagenmeester-generaal van de Republiek. Weldra gebruikt hij voor zijn buitenplaats de naam St. Annalands-Clingendael, zo genoemd naar de op het Zeeuwse eiland Tholen gelegen heerlijkheid St. Annaland.

Clingendael
De laatste particuliere bewoonster van Clingendael, freule Marguérite Mary (Daisy) van Brienen (1871-1939), was een uitzonderlijk ondernemende persoonlijkheid. Niet alleen nam zij in 1903 het initiatief tot de aanleg van de beroemde Japanse Tuin op haar landgoed, maar ook opent zij in 1923 de eerste 18-holes golfbaan in Nederland. De baan bestond uit de oude 9 holes van Clingendael, gecombineerd met 9 holes op een aangekocht terrein van de familie Van Bylandt aan de Waalsdorperweg. De familienaam Van Brienen is inmiddels uitgestorven, maar de naam leeft voort in de Van Brienenoordbrug, die zo genoemd is omdat de Van Brienens in 1847 een concessie verwierven op de diepvisserij naar steur en zalm in de Nieuwe Maas ten oosten van Rotterdam.

René W. Chr. Dessing
Deze en nog vele andere bijzonderheden over buitenplaatsen in de Haagse regio staan beschreven in het recent verschenen boek ‘Haagse en Leidse buitenplaatsen, Over landelijke genoegens van adel en burgerij’ van de hand van de kunsthistoricus René W. Chr. Dessing. De auteur zet zich al vele jaren in voor het behoud van de Nederlandse historische buitenplaatsen en heeft over dit onderwerp al tal van publicaties op zijn naam staan.

In Zuid-Holland resteren nog zo’n zestig buitenplaatsen, van de vele honderden die de provincie ooit geteld moet hebben. Hiervan bevindt zich slechts een klein aantal op Haags grondgebied, maar een daarvan is wel het absolute pronkstuk: Huis Ten Bosch. De geschiedenis van deze buitenplaats, die tegenwoordig als paleis wordt aangeduid, gaat terug tot 1645.

HAVO
In verband met de verslechterende gezondheidstoestand van stadhouder Frederik Hendrik lijkt het zijn vrouw Amalia van Solms verstandig om dicht bij Den Haag een buitenverblijf te hebben. De Republiek schenkt Amalia 16 ha land ten noordoosten van Den Haag en op voorstel van Constantijn Huijgens wordt Pieter Post als architect aangezocht, die echter allesbehalve de vrije hand krijgt. Amalia van Solms blijkt vastomlijnde ideeën over het nieuwe buiten te hebben. Over de buitenplaats is in de loop der jaren veel gepubliceerd. Minder bekend is dat tegelijkertijd het park is aangelegd en dat daar de initialen van Frederik Hendrik en Amalia in buxushagen zijn aangebracht. Die vormen de letters HAVO: Hendrik en Amalia Van Oranje.

In dezelfde periode werd een andere belangrijke buitenplaats in Den Haag tot stand gebracht: het Catshuis, althans zo staat de buitenplaats tegenwoordig bekend. Maar de eerste bewoner, de staatsman en dichter Jacob Cats, noemde zijn buiten Sorghvliet. De aanleg van het landgoed begint in 1644, langs de drukke zandweg naar Scheveningen. Cats brengt het duingebied (30 ha) geleidelijk aan tot ontwikkeling en begint pas in 1651 met de bouw van een huis. Beter gezegd: hij verbouwt een boerderij tot een relatief eenvoudig landhuis met twee dwarsvleugels.

In 1660 overlijdt Cats en laat het enorme bedrag van 2.500.000 gulden na plus een huis aan de Kneuterdijk, Sorghvliet en talrijke andere landerijen in de gewesten Holland en Zeeland. De volgende eigenaar Hans Willem Bentinck, een vertrouweling van koning-stadhouder Willem III, laat een volledig nieuwe tuin aanleggen, die volgens beschrijvingen uit die tijd tot de mooiste van het land moet worden gerekend. En nog steeds is het park Zorgvliet – zoals het tegenwoordig heet – een bezoek meer dan waard. Toegangskaarten zijn verkrijgbaar bij de VVV.

Ockenburgh
Een derde belangrijke Haagse buitenplaats is Ockenburgh, dat in 1651 gesticht werd door de arts Jacob Westerbaen. Bijzonder is dat Westerbaen het hele jaar door op Ockenburgh verbleef en niet, zoals de meeste eigenaren van buitenplaatsen, ’s winters een comfortabeler stadwoning betrekt. Geldgebrek kan geen rol hebben gespeeld, want Westerbaen was dankzij een financieel voordelig huwelijk zeer vermogend. Hij laat bij zijn dood in 1670 echter een grote schuld achter. Na jaren van verval wordt momenteel het hoofdgebouw (Villa Ockenburgh) gerestaureerd, dankzij het initiatief van een enthousiaste groep particulieren.

Het boek beschrijft ook nog een tweetal andere Haagse buitenplaatsen, die veel minder bekend zijn. Zeerust ligt aan de Westvlietweg en is als van de weinige buitenplaatsen die vanaf de zeventiende eeuw aan de Vliet werden gebouwd bewaard gebleven. Het gebouw dateert uit 1889, maar al een eeuw eerder bevond zich op ongeveer dezelfde plaats een buiten met de naam Zeerust. Tegenwoordig is de buitenplaats in gebruik bij de stichting Anton Constandse. Aan de Jan Thijssenweg – direct naast Drievliet – bevindt zich Vredenoord, waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1550. Twee eeuwen lang was Vredenoord niet meer dan een boerderij met omliggende landerijen, maar vanaf 1738 is het een echte buitenplaats. Nadat een brand het huis verwoest heeft, is in 1913 door de toenmalige eigenaar opdracht gegeven tot nieuwbouw. In 2004 kopen de huidige eigenaren de sterk vervallen buitenplaats. Nadat duidelijk werd dat gemeentelijke plannen om op deze plek een industrieterrein aan te leggen geen doorgang vonden, werd pas in 2010 met de algehele restauratie begonnen. Vredenoord wordt particulier bewoond en huis en tuin zijn niet toegankelijk.

René Dessing heeft met zijn fraai geïllustreerde boek een boeiend beeld geschetst van bijna veertig Haagse en Leidse buitenplaatsen. Cultuurgoed dat het waard is in stand te houden, waarvoor tal van organisaties en particulieren zich dagelijks inspannen.

Hans Lingen
hrlingen@gmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann