Voortschrijdende tijd voegt valse herinneringen toe

In 2014 verscheen het boekje Puinruimen. Hierin worden de belevenissen van een Haags jongetje zowel tijdens de Tweede Wereldoorlog als enkele jaren erna beschreven. Toen die oorlog begon, was het ventje drie jaar. Hij woonde in het Bezuidenhout en zat enkele jaren later in de De Sillestraat op school. Deze school werd in 1932 gebouwd en in 1948 werd de school vernoemd naar prinses Irene. In 1961 werd hij opgeheven. Deze foto is in 1948 genomen. We zien meester van der Wel samen met zijn leerlingen.

Voordat ik een klein deel van dit boekje overneem, nog even dit. In het voorwoord staat een zin die de bekende Amerikaanse schrijver Stephen King in een van zijn boeken heeft opgeschreven. Omdat de voortschrijdende tijd valse herinneringen toevoegt en bestaande herinneringen aanpast. Hier heeft hij gelijk in. Dit geldt voor veel artikelen die in De Oud-Hagenaar verschijnen. In hoeverre kun je vertrouwen op je geheugen wanneer je verhalen van lang geleden opschrijft? Dit neemt overigens niet weg dat dit soort verhalen uiterst boeiend kunnen zijn en wat maakt het dan uit of ze geheel op waarheid berusten?

Ben ik wat je zou kunnen noemen een oorlogskind? Heeft deze periode van mijn leven een niet meer weg te denken invloed achtergelaten? Tot op zekere hoogte. Beelden, fragmenten, geluiden en geuren vormen mijn herinneringen. Van enige chronologische volgorde is geen sprake. Zo werkt het terugdenken aan het verleden immers niet. De hevigheid van indrukken en zeker ook het toeval spelen vaak een doorslaggevende rol. De smaak van suikerbietenkoekjes. Kleffe ronde mierzoete koekjes. Heerlijk! Mijn vader zorgde dat er altijd wel iets te eten was. Hoewel hij lichamelijk niet erg sterk was, was hij dat in andere opzichten des te meer. Zo bestond hij het om met een bakfiets met houten banden naar Twisk, een dorpje in Noord-Holland te rijden teneinde eten te gaan halen. Een oom van mij was daar het hoofd der school en die stugge boeren durfden de meester dit voedsel niet te weigeren. Ook heeft hij eens een kist met aardappelen laten versturen via een beurtschipper. Maanden later kreeg hij bericht dat hij de kist kon gaan halen op de Veenkade. Alle aardappelen zaten er nog in.

Geluiden dringen zich op. De honderden en honderden vliegtuigen die meestal ’s nachts richting Duitsland vlogen. Deze vluchten droegen de goedkeuring van mijn ouders en dat alleen al was een hele geruststelling. En wat dacht je van de V1 en de V2? Zolang het geluid hoorbaar was, was er niets aan de hand. Wel leek het even te stoppen wanneer het projectiel van schuin omhoog naar horizontaal omboog maar dan ging het geruststellend weer door. Dit projectiel zou niet op onze stad vallen. Deze geluiden hadden nog iets goedmoedigs. Een combinatie van gieren en brommen. De dood leek niet dichtbij. Anders was het ratelen van een mitrailleur. De dood binnen gezichtsveld. Eigenlijk was de oorlog al afgelopen. Op het Stuyvesantplein had zich spontaan een groep mensen verzameld. Er werd druk gepraat, gezongen soms. Plotseling scheurde een motor met zijspan het plein op. Voorop het zijspan stond een mitrailleur. Zonder aanwijsbare reden opende de soldaat het vuur op de menigte. Iemand greep me bij m’n arm en sleurde me een portiek op. Veel later, toen het geschreeuw in een doodse stilte was overgegaan, durfde ik naar huis te rennen.

Het Bezuidenhout was gebombardeerd. Zou ons huis er nog staan? Ja, zoals mijn vader de volgende dag kwam vertellen. We waren de nacht ervoor naar de Goeverneurlaan gevlucht. Daar woonde onze werkster zoals je toen nog mocht zeggen. De wind was gedraaid en had de vlammen richting station gedreven. Het deel ten noorden van de Laan van Nieuw-Oost Indië was vrijwel intact gebleven. Mijn oma woonde in de Francois Valentijnstraat. Haar huis was gespaard gebleven, het huis ernaast niet. Jarenlang keek je aan de zijkant tegen een blinde muur aan. Op die muur kon je zien waar de kamers en trappen gezeten hadden.

Ik weet niet zoveel over het doen en laten van mijn vader. Daar was onze verstandhouding ook niet naar. Het aantal echte gesprekken tussen ons was gering. Hij behoorde zeker niet tot die groep van Nederlanders die hun heldenrol per aflevering aandikken. Vertelde hij wel iets, dan begaf hij zich op neutraal terrein. Zijn functie binnen de Gaarkeuken, de uitdeelpost in de Tullinghstraat en de leiding van de opvang van oorlogsslachtoffers en oorlogsmisdadigers direct na de oorlog in Groenesteijn, het voormalige weeshuis aan de Loosduinseweg. Van de oorlog zijn juist de gezellige, intieme momenten blijven hangen.

’s Avonds bij het licht van een kaars, de ramen verduisterd, spelletjes doen. Mijn vader was veel vaker thuis dan de jaren erna. Soms kroop ik aan het voeteneind in bed bij mijn ouders, omdat ik bang was, eerder voor enge mannen onder m’n bed en geheimzinnige schaduwen in de hoek van de kamer, dan voor bommen en soldaten in de straat. Honger en kou konden me niet veel schelen. In erge mate heb ik die dan ook niet gekend, al heb ook ik met mijn kop in zo’n melkbus gehangen om er de laatste etensrestjes uit te schrapen. Samen met mijn vader houtblokken pikken tussen de tramrails vandaan, want pikken mocht toen. Kijken hoe hij dat kacheltje aankreeg en er gezellig omheen zitten, terwijl er een heel klein pannetje met iets dat op soep leek op stond te pruttelen. Voor niet al te veel geld kon je in een winkel op het Stuyvesantplein opklop kopen. Opgeklopte illusie met een smaakje. Met krantjes onder mijn jas naar de overkant lopen en ze aan een soort oom geven met een samenzweerderig gezicht. Goed en kwaad waren niet meer uit elkaar te houden. Toen de oorlog afgelopen was, waren de gewoonste zaken ineens verboden.

Carl Doeke Eisma
carleisma@planet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann