De rapporten, aktes en diploma’s van mijn voorouders

Toen mijn opa de lagere school in 1888 verliet kreeg hij van de burgemeester van Amsterdam een getuigschrift met een ‘vereerend bewijs dat hij, gedurende den geheelen leertijd bijzondere redenen van tevredenheid had gegeven en het onderwijs met vrucht had genoten’.

De burgemeester voegde daar schriftelijk aan toe, dat hij hoopte dat dat getuigschrift voor hem ‘een aansporing zou zijn om op denzelfde weg voort te gaan’.

Wat een mooie taal! En wat een betrokkenheid! Ik zie de nieuwe burgemeester van Den Haag straks echt niet zulke hartverwarmende opmerkingen maken op de rapporten van de leerlingen die de nu de basisschool verlaten.

Door omstandigheden bezit ik tal van rapporten, diploma’s, getuigschriften en aktes van mijn ouders en voorouders. Wellicht werden die bewaard en doorgegeven omdat bijna iedereen in mijn familie in het onderwijs werkzaam was. En in het onderwijs gaat het nou eenmaal om diploma’s.

De oudste akte stamt uit 1854. Het is een zogenoemde ‘Acte van speciale Admissie’.

Burgemeester en wethouders der stad Amsterdam verlenen aan de moeder van mijn opa, Elisabeth Antonia van Maaswinkel, toestemming om ‘binnen Amsterdam het beroep van Houderesse eener Kleine Kinder-schole te mogen uitoefenen en als zodanig Onderwijs te geven in DE LETTEREN, HET SPELLEN EN HET LEZEN, mits zij zich in alles zal onderwerpen aan de Wetten en Reglementen omtrent het Lagere Schoolwezen’.

Een twee voor lezen
Mijn opa, Jacobus Ravensteijn, was hoofd der openbare lagere school nr. 69 te Amsterdam. Eerst was hij daar onderwijzer. Uit een ‘Extract uit de notulen van den Gemeenteraad van Amsterdam’ uit 1896 blijkt dat hij daarmee een jaarwedde van 600 gulden verdiende.

Maar daarvóór zat hij dus zèlf op een lagere school. Uit een rapport uit 1885 blijkt dat hij alleen maar vijven haalde voor vlijt en gedrag. Voor alle duidelijkheid: een vijf was toen het hoogste cijfer dat je kon halen. Zijn laagste cijfer bleek in augustus 1885 een 2 te zijn. Voor lezen. Opmerkelijk is, dat hij op z’n tiende al onderricht kreeg in Frans (3 ½ ), Hoogduits (4) en ‘Wiskunde onder de noemer: theorie van het rekenen’ ( 4). Kennelijk kreeg hij toen ook les in ‘vormleer’. Geen idee wat dat was. Maar zijn cijfers voor dat vak waren van augustus 1885 tot en met juli 1886: 5, 4 ½ , 4 en 4.

It’s all in the family
En dan de broer van mijn opa. Johan Ravensteijn. Tjonge, jonge. Wat heeft die man z’n best gedaan. In mijn archief zitten de volgende aktes.

1890 Akte van bekwaamheid als onderwijzer.
1891 Akte van bekwaamheid voor Huis- en Schoolonderwijs in het Handtekenen.
1892 Akte van bekwaamheid voor Huis- en Schoolonderwijs in de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek.
1894 Akte van bekwaamheid als Hoofdonderwijzer.
1899 Akte van bekwaamheid voor Schoolonderwijs in de Fransche taal.
1901 Akte van bekwaamheid voor Huis- en Schoolonderwijs in de beginselen der wiskunde.
1909 Akte van bekwaamheid voor Schoolonderwijs in de Engelsche taal.
1910 met gunstig gevolg deelgenomen aan het examen diploma B voor HOUT, uitgereikt door de Vereeniging tot bevordering van het Onderwijs in Handenarbeid.

Kijk. Op het moment dat ik van dat laatste diploma kennis nam, wist ik het weer. It’s all in the family! Want ook ik behaalde mijn diploma HOUT. Tweeënzestig jaar later. In 1972. Als onderdeel van mijn diploma Voortgezette Studie Handvaardigheid. Waarmee ik 20 jaar van mijn werkzame leven buitengewoon nuttig heb kunnen vullen.

De vrouw van oom Johan kon er trouwens ook wat van. In 1901 vertoonde haar ‘lijst der behaalde punten bij het examen in de Nuttige Handwerken’ drie achten. Voor knippen, naaien en mazen. Een negen voor stoppen. En een zeven voor breien.

‘Een pijnlijken patient’
Mijn opa en z’n broer werden allebei hoofd van een school. Mijn oma was handwerkjuf. En een tante gymnastiekjuf. Geen wonder dat mijn vader en moeder elkaar ontmoetten op de kweekschool. Maar met hun diploma’s vonden ze in de jaren dertig, vanwege de toen heersende krapte op de arbeidsmarkt, geen emplooy. Mijn vader werd boekhouder en mijn moeder ging de verpleging in. Ook daar kreeg ze na diverse opleidingen allerlei oorkondes, rapporten, speldjes en kruisjes. Uiteraard heb ik ook van mijn ouders tal van schoolrapporten en aktes. Maar voor de verandering citeer ik hier wat uit het ‘Praktijk- en Rapportenboekje’van mijn moeder toen ze in de periode 1935-1938 leerling-verpleegster was in het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam.

Onderwijs volgde ze op de afdelingen ‘intern, oogenkliniek, chirurgie, besmetting (2) en vrouwenintern’.

Tijdens haar opleiding verpleegde ze personen die onder meer gebukt gingen onder: ‘darmlijden, hartlijden, nierlijden, schedelbreuk, thrombose en peritonitis’.

Verder blijkt dat de ‘handgrepen’, die voldoende door haar werden verricht, onder meer bestonden uit: ‘Het aan- en ontkleden van een pijnlijken patiënt’, ‘Verbedden’, ‘Het geven van een windring, een ijsblaas en een clysma’, ‘Het scheren met een mes’, ‘Het kammen met een Nissa-kam’, ‘Het electriseeren’ en ‘Een stuwing toedienen volgens Bier’.

Ontluizen
Om de een of andere reden kreeg ze géén artsenhandtekening voor: ‘Het zoeken van een lintwormkop in de ontlasting’, ‘Koude overgieting (bij kinderen)’, ‘Een kromme maken van lengte en gewicht van zuigeling’ en ‘Ontluizen’.

Tenslotte maakt datzelfde Praktijk- en Rapportenboekje melding van het bijwonen van onder meer de volgende operaties.

Herniotomie. Appendectomie. Phimosis. Peesverlenging. En Thiers plastiek.

Als u, net zoals ik, niet weet wat dat allemaal is, zoekt u het zelf maar op op internet. Maar vooral dat bijwonen van die phimosis-operatie leek me echt iets voor mijn preutse moeder. Maar niet heus.

Tenslotte mijn vader. Hij bezocht de Kweekschool van 1929 tot 1932. Uit zijn rapporten blijkt dat hij er gaandeweg meer zin in kreeg. Maar het eerste jaar was niks. Zes zevens, negen zessen (waaronder een zes voor ‘viool’, vroeger moest je vioolspelen op de kweekschool in plaats van blokfluiten)), drie vijven en een twee (voor zang, praktijk. Je had namelijk ook zang, theorie. Dat kon mijn vader wel goed. Voor theoretisch zingen had hij een zeven). Zijn laatste rapport op de Kweekschool zag er aanmerkelijk beter uit: drie vijven (voor lezen, fransch en viool), de rest zessen (zelfs voor zang, praktijk), veel zevens en ook nog een acht voor Aardrijkskunde.

Verder heb ik nog twee prachtige diploma’s van hem waarin de Purmerender Zwem- & Poloclub eerst in 1930 verklaart, dat mijn vader de baan van 1 kilometer met goed gevolg heeft afgelegd in 20 minuten en 49 seconden en daarná in 1931 verklaart dat hij datzelfde heeft gedaan in 45 minuten en 5 seconden.

Dat is bijna een half uur langer! Is mijn vader in een jaar tijd zo achteruit gegaan? Ik begrijp er niks van. En kan het hem niet meer vragen.

Ook wonderlijke zaken ontdekt op de diploma’s, rapporten en aktes van uw (voor)ouders? Mail het naar
julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann