De crisistijd voor de Tweede Wereldoorlog

Het leven in de crisistijd voor de Tweede Wereldoorlog was voor veel van onze ouders (grootouders) beslist niet zorgeloos. De kans van het ene op het andere moment je werk, dus je inkomen, te verliezen, was in die tijd voor iedereen groot. De werklozen ontvingen dan van de regering financiële ondersteuning. De zogenaamde ‘steun’: een bedrag dat amper voldoende was voor de eerste levensbehoeften.

Om te voorkomen dat er stiekem wat zou worden bijverdiend, moesten zij zo’n twee keer per dag naar een zogenoemd ‘stempellokkaal’ komen om te stempelen. Dat dit stempelen door velen als bijzonder vernederend werd ervaren, is niet verwonderlijk. Het gaf hun het gevoel een nutteloze steuntrekker te zijn.

Om zo’n werkloze nog enig nuttig werk te laten doen, werd de ‘werkverschaffing’ opgezet. Met als doel het bouwen van zwembaden, het aanleggen van wegen en parken, het graven van kanalen, etc. De aanleg van ons Zuiderpark was een van die projecten. Dit park werd in 1936 officieel geopend.

Echte banen kregen de steuntrekkers niet aangeboden, maar werden gedwongen tegen een schamel loon, dat net iets boven het steunbedrag kwam, lange dagen te maken en behoorlijk zwaar lichamelijk werk te verrichten. Kon de man het werk niet volhouden of werd hij ziek, dan volgde ook hier ontslag en werd hij als het ware gestraft door intrekking van het recht op de steunuitkering . Hij was dan aangewezen op ‘armenzorg’ (de liefdadigheid), wat veelal een nog lager inkomen betekende en als nog meer vernederend werd ervaren.

Tijdens de bezetting werden de mannen die geen werk hadden, gedwongen in Duitsland te gaan werken, meestal in de oorlogsindustie.

Aanvankelijk was er na de Tweede Wereldoorlog nog niet voor iedereen werk en werd mede daardoor de werkverschaffing weer ingesteld onder de naam D.U.W. (Dienst Uitvoerende Werken). Het overheidsbeleid ten opzichte van de werklozen was echter ten goede veranderd. Er werden nu inspanningen gedaan ze aan een echte baan te helpen. Spoedig kwam er voldoende werkgelegenheid beschikbaar en kon iedereen volop werk vinden.

Het belastingplaatje
Een van de meest gehate objecten in de crisistijd was het rijwiel-belastingplaatje.

Iedereen, die zich met een fiets op de openbare weg bevond, was verplicht ervan voorzien te zijn.

Voor 2,50 gulden waren ze op het postkantoor te koop en een jaar geldig.

Er werd door de politie streng opgelet: zonder plaatje met de fiets op straat, was bijna zeker een bekeuring.

Werklozen kregen het plaatje gratis. Uit hoeveel personen zijn gezin ook bestond, deed niet terzake, één plaatje, meer niet.

Er was een gat in het midden van dat gratis belastingplaatje aangebracht.

Omdat iedere fietser dat plaatje, aanvankelijk zichtbaar aan de fiets gemonteerd en later op de linkerborst moest dragen, was door dat gat het voor iedereen duidelijk, dat de bezitter een steuntrekker was.

Ook was het voor de steuntrekker streng verboden, op straffe van een, voor die tijd, stevige boete en inbeslagname van het gratis-belastingplaatje, om op zondag van de fiets gebruik te maken. Zelfs met de fiets aan de hand lopen was hem zodoende op zondag niet toegestaan.

Dat menige zucht van verlichting is geslaakt toen op 1 mei 1941de rijwielbelasting definitief werd opgeheven, spreekt vanzelf.

Joop Arts
jwarts@casema.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann