Een Haags product: de Pander Postjager

In mijn artikel ‘Den Haag ontdekt de luchtvaart’ dat op 27 december 2016 in De Oud-Hagenaar verscheen, gaf ik een korte beschrijving van vroegere Haagse luchtvaartbedrijven. In een reactie op mijn artikel stelde Roel Cadée dat hij de Pander ‘Postjager’ had gemist. Dat wil ik graag in dit verhaal rechtzetten.

In het Interbellum (het tijdvak tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog) beschikte de Haagse meubelfabriek Pander over een eigen vliegtuigfabriek die in eerste instantie was gevestigd aan de Zuid-Binnensingel (thans het Buitenom) en later op de houtwerf van het bedrijf in Rijswijk. Dat een meubelfabriek vliegtuigen construeerde was niet zo verwonderlijk omdat in die tijd vliegtuigen onder meer ook van hout werden gemaakt waarbij dezelfde houtbewerkingstechnieken werden gebruikt als bij de meubelbouw. In 1924 had Harmen Pander de failliete inboedel en de constructeurs T.E. Slot en H. van der Kwast overgenomen van de in Rijswijk gevestigde Vliegtuig Industrie Holland (VIH). Vervolgens richtte Pander samen met zijn zoon Henk de Nederlandse Fabriek van Vliegtuigen H. Pander op. Dit bedrijf ging voortvarend aan de slag met de productie van ondermeer diverse types sport-, les -en zweefvliegtuigen.

Naar Indië
De grootste bekendheid zou de vliegtuigfabriek van Pander krijgen met de S.4 ‘Postjager’. In de jaren twintig was de KLM namelijk begonnen om met Fokker-vliegtuigen een luchtverbinding met Nederlands-Indië tot stand te brengen. Op deze zogenaamde Indië-lijn werd in eerste instantie voornamelijk post getransporteerd. Toen de Fokkers echter groter en moderner werden, konden ook steeds meer passagiers worden vervoerd. Onder meer als gevolg van de vele tussenlandingen ontstond er kritiek op de traagheid van de (post)vluchten. In 1930 kreeg luitenant-vlieger D. L. Asjes van de Luchtvaartafdeeling (de voorloper van de huidige Koninklijke Luchtmacht) het idee om een speciaal snelpostvliegtuig op die Indië-route in te zetten. Dat idee werd overgenomen door de directies van enkele scheepvaartmaatschappijen. Een en ander had tot gevolg dat op 6 juli 1933 op het kantoor van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij aan de Stationsweg 137 in Den Haag het Studiecomité Snelpost Nederland-Indië werd opgericht. Dit comité stelde dat niet het KLM-systeem gevolgd moest worden, dus gemengd vervoer van passagiers en post, maar dat een speciaal en snel postvliegtuig ontworpen moest worden dat geen passagiers mee zou kunnen nemen. Omdat een dergelijk toestel nog niet bestond, werd de firma Pander & Zn benaderd, die vervolgens constructeur Slot aan het werk zette. Die ontwierp in een recordtijd een geheel uit hout vervaardigd driemotorig propellervliegtuig dat bekend zou worden als de ‘Post- of Panderjager’. De onderdelen werden in Den Haag gebouwd en vervolgens met een dekschuit over de Vliet naar Rijswijk vervoerd waar het vliegtuig op de houtwerf van Pander werd afgebouwd. Pander hoopte dat, als dit toestel een succes zou worden, het wellicht als snelle verkenner of bommenwerper aan de Luchtvaartafdeeling verkocht zou kunnen worden. Dat zou een illusie blijven. Het vliegtuig dat de registratie PH-OST kreeg, werd eind november 1933 in Den Haag ingeschreven in het Nederlands Luchtvaartregister op naam van de firma Pander. Helaas zou dit toestel door pech worden achtervolgd. Dat begon al op 9 december 1933, toen het vliegtuig met als bemanning Asjes, de KLM-vlieger G.J. Geysendorffer en S. van Straaten voor een eerste (proef)vlucht naar Indië vertrok. Echter, in Italië moest de vlucht vanwege ernstige motorproblemen worden afgebroken. Nadat de Postjager voorzien was van een nieuw motor, kon het toestel op pas op 27 december 1933 uit Italië vertrekken. Vier dagen later, op 31 december, vond de aankomst in Batavia (nu Jakarta) plaats. Op 6 januari 1934 vertrok de ‘Postjager’, die in de volksmond de naam ‘Pechjager’ had gekregen, weer naar huis om op 11 januari op Schiphol te arriveren.

Pelikaan
De KLM stond sceptisch tegenover de plannen met de ‘Postjager’ en was van mening dat een dergelijk speciaal vliegtuig overbodig was. Om te bewijzen dat gemengd transport van passagiers en post ook snel uitgevoerd kon worden, kondigde de maatschappij een versnelde kerstpostvlucht aan. Die vlucht zou uitgevoerd worden met het nieuwste Fokker-vliegtuig, de F-20 ‘Zilvermeeuw’. Omdat vlak voor het vertrek van Schiphol één van de motoren de geest gaf, moest de post in allerijl worden overladen in een ander toestel. Dat was de oudere en tragere Fokker F-18 ‘Pelikaan’ met als bemanning I. Smirnoff, P. Soer, J. Grosveld en C. van Beukering. Dit toestel vloog in een, voor die tijd, recordtijd van ruim vier dagen naar Batavia. De terugvlucht leidde tot een euforie in heel Nederland. Op 30 december 1933 zat de bevolking aan de radio gekluisterd om het laatste nieuws over de ‘Pelikaan’ te volgen. Gezagvoerder Smirnoff naderde op die donkere, nevelige winteravond Schiphol waar tienduizenden waren samengekomen om deze historische gebeurtenis van nabij mee te maken. Door de laaghangende mist mislukten een aantal landingspogingen, maar uiteindelijk slaagde Smirnoff erin om de ‘Pelikaan’ veilig aan de grond te zetten.

Panderjager versus Uiver
Een jaar later, in 1934, nam de Pander ‘Postjager’ deel aan de internationale Londen-Melbourne luchtrace. Die race was uitgeschreven door de Australische industrieel sir MacPherson Robertson in het kader van het 100-jarig bestaan van de stad Melbourne. De race, die op 20 november 1934 van start zou gaan, bestond uit een snelheids- en een handicapklasse. De KLM deed voornamelijk mee om nogmaals te bewijzen dat snel postvervoer ook mogelijk was met een passagiersvliegtuig. Ingezet werd de uit aluminum vervaardigde Douglas DC-2 ‘Uiver’ met als bemanning K.D. Parmentier, J. Moll, B. Prins en C. van Brugge. Het na de vlucht van de ‘Pelikaan’ door de luchtvaartkoorts aangestoken Nederlandse publiek volgde via de krant en radio de race van uur tot uur. De ‘Uiver’ zou uiteindelijk de tweede plaats behalen in de snelheidsklasse en eerste worden in de handicaprace. De euforie in ons land was groot, maar toen de directeur van de KLM, Albert Plesman, na de race besloot om voortaan alleen nog maar met Amerikaanse Douglas-vliegtuigen te gaan vliegen, werden stenen door de ruiten van het KLM-hoofdkantoor aan de Hofweg gegooid. De raddraaiers stelden dat Plesman, door het buitenspel zetten van de vliegtuigindustrie van Fokker, de werkloosheid bevorderde.

De enige andere Nederlandse deelnemer aan de Londen-Melbourne luchtrace was de ‘Postjager’, die nu ‘Panderjager’ werd genoemd. Na een voorspoedig begin van de reis, sloeg het noodlot voor de ‘Panderjager’, met als bemanning Geysendorffer, Asjes en P. Pronk alsnog toe. Bij een tussenlanding in Allahabad (India) klapte een deel van het landingsgestel naar binnen waardoor het vliegtuig ernstig beschadigd raakte. Hoewel de luchtrace voor de ‘Panderjager’ daarmee voorbij was, werd toch besloten om de reis naar Australië voort te zetten. Na reparatie van het vliegtuig besloot de bemanning op 26 oktober 1934 om naar Rangoon (de toenmalige hoofdstad van Birma, thans Myanmar) te vliegen. Bij de start raakte het toestel een voertuig dat als trekker fungeerde voor een lichtbaken. De rechtervleugel (met de rechter olietank gevuld met 2000 liter vliegtuigbrandstof) brak daarbij af en het brandende spoor zette vervolgens het gehele toestel in lichterlaaie. Voordat de ‘Panderjager’ volledig uitbrandde kon de bemanning zich in veiligheid brengen.

Als gevolg van dit fiasco bleven verdere orders voor de vliegtuigfabriek van Pander uit. In de volksmond deed zelfs de slogan ‘Koop je meubels bij Pander en je vliegtuig bij een ander’ de ronde. Toen vervolgens ook de gevolgen van de economische crisis in de jaren dertig zich steeds meer lieten voelen, moest Pander in 1934 noodgedwongen de deuren van de afdeling vliegtuigbouw van de fabriek sluiten.

Wim Lutgert
wlutgert@planet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann