Melkhandel: Kees Bulk en Cor Mulder

Familie Mulder was getrouwd en had een zoon Jantje, die had polio of kinderverlamming, niemand wist het precies, want dat durfde je eigenlijk niet te vragen. Sinds ik Jantje kende, heeft hij altijd in zijn invalidewagen gewoond en geleefd. Heel vaak werd hij opgehaald door buurjongens of -meisjes om een lekker stukje te rijden, bijvoorbeeld door het Zuiderpark en daar de beesten te voeren. Aan oud brood was geen gebrek, want in de winkel stonden de zakken brood al klaar. Onder de dekens en de matras in de wagen lag slinks verscholen óók een partijtje kindervoer, daar zorgde Jantje wel voor. Elk ritje met Jan bracht altijd een papieren guldentje op en in het weekend een knaak en een suikerbuik. Wat er aan snoep over was, werd om de hoek van de winkel in je zakken gepropt en nam je mee naar huis. De familie was blij dat hun kind in goede handen was en aandacht kreeg. Papa en mama hadden hun handenvol in de winkel, dus weinig tijd voor Jantje.

Ik was één van de eersten die ‘AltijdDrukHeleDag’ had. Alleen de afkorting kenden we toen nog niet. Mijn moeder was me zat en vond dat ik maar eens lekker moest gaan uitblazen en wat gaan bijverdienen in de vakantietijd. Ze had een goed gesprek met Kees van de melkhandel gehad, zei ze tegen me en ik kon beginnen. Maar wel gewoon, heel gewoon doen. Dat zogenaamde gesprek was een fluit van een cent, want in zo’n winkel is werk zat en Kees zal best blij met mij geweest zijn. Op verzoek van Kees moest ik mijn fiets meenemen.

Kees Bulk, was vrijgezel en woonde in bij de familie Mulder. Kees was altijd goedlachs, kwinkslag hier en grolletje daar. In mijn herinneringen was het altijd druk in de winkel, met veel gelach en vrolijke mensen en klanten die anderen vóór lieten gaan, met de opmerking: “Ik heb de hele dag de tijd.” Of: “Ja, joh. Ga maar, ik sta toch even gezellig te kletsen.” Kees gaf de vrouwelijke klanten altijd complimentjes en soms een tik op de bil en deze werd vaak lachende ontvangen en er waren ook klanten bij die er, bij wijze van spreken, om vroegen. Het maakte Kees allemaal niks uit. Kon toen nog, na vijf jaar oorlog. Kees was ook een beetje een viespeuk. In het begin van onze samenwerking schrok ik me rot, dan riep hij: “Ger, kom eens!” En dan pakte hij mijn hand richting zijn billen en liet er een grote wind op. “Vasthouden, hoor”, was de opdracht. Zijn hoogtepunt was het te doen in een volle winkel en dan mij de schuld geven. Ik geneerde me kapot en heb het na een aantal keren tegen mijn moeder verteld en die ging Kees even corrigeren. En als er iemand was die kon corrigeren, nou dan… En ik spreek uit pijnlijke ervaringen… Maakte bij Kees niets uit, want als hij de kans kreeg, deed hij weer. De frequentie liep gelukkig wel wat terug. De leeftijd van Kees heb ik nooit geweten en was iets wazigs in mijn geheugen. Kees had het grote melkwijk en Cor deed in de Schaarsbergenstraat de even en oneven nummers, want dan kon hij terug naar de winkel om zijn vrouw te assisteren. Kees reed op een bakfiets met dikke luchtbanden van Vredestein en driebladige vering onder de bak. Een groot leren zadel en daaronder twee dikke spiraalvormige ijzers, die kraakten onder je kont tijdens het fietsen, maar het zat perfect. Tussen je benen zat een stuk ijzer dat deed dienst als rem. Ik moest om 7.00 uur beginnen en voor de winkel stond de bakfiets, verscholen onder een niet te hanteren loodzwaar wit dekzijl, achter ijzeren kratten met twaalf flessen en vijftig liter bussen met verse melk, bezorgd door Leerdam Melkfabriek aan de Marktweg. Ik moest eerst met de kratten beginnen, om een goed evenwicht te krijgen op de bakfiets. Alleen de bussen van vijftig liter kreeg ik niet omhoog, met geen mogelijkheid. Dat deed Kees, hij ging dan wijdbeens staan en met een ‘1-2-3 in godsnaam’ zwaaide hij, tussen zijn benen door, de bus op de wagen. Toen beging Kees een fout, want na deze krachtsinspanning wilde hij weer mijn hand pakken en toen heb ik hem geschopt. Er zijn tenslotte grenzen, tussen de middag een windje, alla, maar des morgens vroeg…

Cafe Franchimon
Zijn wijk begon bij Café Franchimon, hoek Soestdijkseplein en Soestdijkesekade, richting Escamplaan. Melkbussen met verse melk, gekoeld door witte dekens. Vla, pap, karnemelk, havermoutpap, yoghurt en een paar flesjes kwart room. En al de flessen hadden een eigen kleurcapsule. Als Kees op het zadel zat, kon hij bijna niet over de kratten heen kijken om een stukje straat te zien, dat deed hij op de gok. Het was in die tijd wel erg stil op straat en weinig of geen geparkeerde auto’s. Ik ging naast hem rijden en gaf aanwijzigingen vanaf mijn fiets. Op de kade werd door de klanten al gewacht op Kees of men kwam naar beneden met pannen en potten en Kees vulde deze met een één of twee liter maatkan met koperen rand met ijktekens. Als Kees klaar was met de melk bij een klant, vroeg hij meestal – en alleen bij zijn goed ogende damesbestand: “Kan ik nog meer voor u betekenen?” Meestal ging dat gepaard met een vette knipoog en een wat langdurig oogcontact. De bestelling stond vaak al op een papiertje en anders schreef Kees met een potlood zelf een bestel briefje, dat was van stevig bruin pakpapier. Ik zag dat potlood eigenlijk voor het eerst, maar dat was wel logisch, vanwege zijn niet geringe flaporen en een bos krulhaar, verstopt onder een grote zwarte Basken baret. Dat potlood zat daar zo lang ik hem kende, een dik driekantig geel potlood en het was multifunctioneel, want het ging wel eens in een oor of lekker door zijn haar. Soms probeerde hij er iets mee op zijn rug te verwijderen, maar de meeste moeite kostte toch de bilnaad. Eén keer slechts gaf hij het potlood aan mij en wees op zijn bilnaad: of ik ff wilde… Ik heb du moment met mijn moeder gedreigd en daarna at hij (bij wijze van spreken) uit mijn hand.

Zeer memorabel was de Kerstweek en die heeft een diepe indruk op me gemaakt. Ik maakte zoveel gekke dingen mee en ik was handlangertje van de meest dwaze clown van de regio. Verkopen en handelen hoefde je Kees niet meer te leren. Alles ging met een grap en een grol en hij was nergens te beroerd voor. Aan de voorkant van de bakfiets zat een grote schuifla, met slotje (sleuteltje hing met vet leder koordje aan een oor van de vijftig literkan) Daar lagen de duurdere bestellingen, verpakte zakken of dozen, er zaten eenden en gele kippen in, kant en klaar schoongemaakt. De niertjes, levertjes en hartje, apart verpakt. Het meest frappante was het feit dat de afgehakte kop van het beest werd meegeleverd.

Kees was ook een beetje parlevinker, maar dan op straat. Hij leverde van alles aan de Westlanders, die hun duwboten met groenten en fruit naar de veiling aan de Troestrakade, door middel van een houten paal vooruit duwden. Gaven dan ook een bestelling op en haalden deze ’s middags af in de winkel. Veelal was het eend, gele kip en blokken vet en er werd vaak met gesloten beurzen betaald. Het spreekwoord ‘wie appelen vaart, wie appelen eet’ is daar door Kees uitgevonden.

Een klant, zeer zenuwachtig, riep Kees om naar binnen te komen. Er werd stiekem achter de hand wat gesmoest en wat zachter gepraat. Kees ging naar binnen en ik liep ook maar mee. Op het balkon had mevrouw twee konijntjes in een hok, lekker vetgemest voor de Kerst. Mevrouw en ik werden weggestuurd. Ik weet niet hoe Kees het deed, maar binnen een vloek en een zucht kreeg de klant een jutezak overhandigd. Ik ging gelijk naar het balkon en zag een leeg hok. “Gewoon, vanaf het nekkie tussen duim en wijsvinger en dan een keer of drie goed oprekken.” Ik zei: “Dan krijsen ze, toch?” “Nee, hoor. Niet als ik het doe.”
’s Middags naar de overkant van de Soestdijksekade, maar eerst verse handelswaar halen in de winkel, lege kratten ophalen die we tijdens de heenrit, langs de trottoirband hadden neergezet. De kar ging hierdoor ook minder zwaar rijden. Ik had wel trek gekregen, na een half flesje hele dikke en trage vanillevla, welke ik onder de rit mocht uitkiezen. Gezellig met z’n allen in de bijkeuken, de winkelbel ging een halfuurtje van slag en ik mocht alle soorten beleg opnoemen die ik op mijn boterhammen wilde hebben. Het werden lekkere verse witte kadetten, rijkelijk met roomboter besmeerd en daarop boerenham met een zwoerd en verse melk. Ik heb daar voor het eerst in mijn leven hardgekookte eendeneieren gegeten. Puddinkjes met geslagen slagroom. Ome Cor sneed de grote Gelderse ringworst niet in gewone ronde plakjes, hij ging met het machine- mes langs de zijkant, dan kreeg je lekkere lange plakken en het léék meer. Ik had het thuis echt niet slecht, maar bij deze familie… Ome Cor vroeg – vooraf van dit Jan Steen-gebeuren aan de familie en mee-eters – om een wijle stilte en ging zelf voor in gebed voor zijn gezondheid, de klantenkring en óók voor Jantje en zijn polio. Hij wilde ook nog om vergiffenis vragen, maar zijn vrouw schudde haar hoofd.

Harley Davidson
Kees had een garage om de hoek in de Schaarsbergenstraat en bij het openen van de deur zag ik hem staan. Een Harley Davidson, van de U.S Army, geruild voor wat roomboter en Gelderse worst, zei hij zonder blikken of blozen. Handgeschakelde Harley, met voetsteunen zo groot als surfplanken, in de matgroene camouflage kleuren en een buddy-seat. Aan de zijkanten twee grote leren tassen. “Wat vind je ervan?” Hij straalde en ik zag dat hij verliefd was en hij liep gelijk naar een doos poetsdoeken, om een beetje stof op de benzinetank te verwijderen. Ik had de verhalen over zijn motor in de straat al gehoord van mijn vriendjes en dat hij raar verkleed op zijn motor zat. Nu zag ik het met eigen ogen, hij trok een soort poncho van camouflagenet aan, waarin hij verzoop. Wat bleek, van de vuurwapenwet mocht je niet openlijk zichtbaar over straat met een dubbelloops jachtgeweer, welke hij uit een kast had gehaald en zeker niet met vier dozen hagelpatronen (niet van Venz) binnen handbereik. Het geweer ging geknakt voor zijn borst, onder de poncho. Na twee maal pompen op het trapijzer, sloeg de Harley Davidson aan bij de derde keer. Mooi geluidje. We gingen naar familie met een boerderij in de buurt van Hazerswoude. Schieten op talingen, eenden en mooie hazen met grote oren en wat er nog meer voor de loop kwam. Er werd en passant ook nog een reetje afgeschoten. Binnen twee uur waren de jagers klaar en we gingen terug naar de boerderij met goedgevulde weitassen. Alles werd keurig verdeeld onder de broers. Het leek wel een poeliersbedrijf. Ik zag daar ook de gele kippen die Kees verhandelde in zijn wijk. “Heb je al soep gekregen?”, vroeg Kees. Nou, nee dus. Binnen een paar minuten stond er een heel diep bord soep voor mijn neus. Een diep bord kippensoep, van een hele vette kip, veel grote doorzichtige vetvlekken dreven bovenop en twee witte boterhammen om te soppen. Dit was soep met een hoofdletter.

We hadden een luxeprobleempje, Kees had een jutezak teveel met dood gevogelte. De zijtassen van de motor puilden uit en Kees had zelfs een overvolle legerrugzak op zijn rug. De zak werd tussen de buddyseat en bagagedrager gepropt en goed vastgesjord. Ik zat op de terugweg wel erg wijdbeens op een zak verende lijken, gelukkig waren ze nog warm.

Buurvrouw kwam klagen over de honderden spreeuwen in de bomen, die tegen de avond neerdaalden met veel gekrijs achter in de tuin… Kees zou dat varkentje wel even wassen. Kwam trouwens mooi uit: hij had een zwaarder schietijzer aangeschaft, kon hij ff proefschieten. Schieten met een dubbelloops geweer, met als steun een ijzeren golfplaten dak in de tuin achter de winkel. Hij zou die spreeuwenboom wel even uitroeien. Deze knal (de grote oerknal moet een rotje geweest zijn) was zo overweldigend, de resonantie van het ijzer van de golfplaten en het gekrijs van de spreeuwen, was niet normaal. Wat eraan spreeuwen nog overeind zat in de boom, werd met een tweede schot vanuit de schouder weggeruimd. De oorlogsfilm Platoon was uiteraard nog niet verfilmd, maar ik probeer hiermede te schetsen wat er zich op die woensdagmiddag afspeelde. We hebben ons minutenlang verscholen onder het afdak, tot de zeer verontwaardigde buren weer naar binnen gingen, met de gelijkluidende conclussie: zal Kees wel weer geweest zijn. We bleven nog een paar minuten stil luisteren en Kees wilde gelijk misbruik van de situatie maken en probeerde mijn hand te pakken voor nog een explosie, maar ik was sneller. Schijnbaar was hij toch óók bang geweest altans, banger dan voor mijn moeder.

Buiten de gele kip, kreeg ik voor de schrik een zak eieren (dubbel dooiers) en een Gelderse ringworst mee en het dwingende verzoek: niks tegen je moeder zeggen.

Ger Hählen
g.hahlen@ziggo.nl
070-3888269?

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann