Van Zeggelenlaan: onze woning en de straat

Ik werd geboren in het eerste oorlogsjaar, 1940. Veel herinneringen aan de oorlog heb ik dus niet, hooguit wat flitsen. Maar enkele dingen staan mij nog duidelijk voor ogen.

Ik zie bijvoorbeeld nog de Duitse militairen bij ons op de hoek, voor de winkel van de bakkerij achter een mitrailleur liggen. Of die keer dat ik met mijn zus via de Sinjeur Semeijnsweg naar Rijswijk wilde lopen. Bij het bruggetje dat we daarvoor over moesten werden we door een Duitse soldaat tegengehouden, blijkbaar was het daarachter gelegen Sperrgebiet. Maar de soldaat was aardig tegen ons en we kregen een reep chocolade van hem. Nu mocht (en mag) je als kind geen snoep van vreemde mannen aannemen, maar in die bijzondere situatie vergaten we dat maar even. Wat smaakte die chocola lekker, zeg!

Een andere keer was ik met mijn vader op de Van Vredenburghweg, waar mensen met zagen en bijlen druk doende waren een gevelde boom in stukken te maken. Alles voor gebruik in de noodkacheltjes natuurlijk. Op een gegeven moment kwam daar een groep mannen aanmarcheren, die luidkeels het lied ‘W.A. marcheert, W.A. marcheert, voor vólk en váderland!’ aanhieven. En ik, niet wetend dat het een groep NSB’ers betrof, begon uit volle borst mee te zingen. Vader schrok zich rot en voorkwam erger door snel mijn mond met zijn hand te bedekken. Ik denk dat ik dit lied eens op de radio had gehoord of zo en was mij van geen kwaad bewust. Maar eenmaal thuis werd mij duidelijk gemaakt waarom ik dit nóóit meer mocht doen en zo was ik weer wat wijzer geworden.

Op een avond liep ik met vader over het Ledeganckplein. Het had gesneeuwd en het begon al aardig donker te worden. Opeens zagen we iets in de sneeuw liggen dat eetbaar leek, heel belangrijk in die tijd. Het bleken bruine bonen te zijn, her en der in een spoor verspreidt. Vlug werd er thuis een pannetje gehaald en verzamelden vader en ik zoveel kostbare bonen als er maar te vinden waren. Kennelijk had iemand ze uit een lekke zak of pan al lopende verloren. Thuisgekomen maakte moeder een ‘feestmaaltje’ van bonen en gebakken aardappelschillen. Klein geluk in een barre tijd.

Maar het meeste indruk maakte op mij toch die keer dat er weer eens grof vliegtuiglawaai in de lucht boven ons was en er plotseling met veel geraas een granaat naar binnen kwam zetten. Door ons platte dak zo de gang in, waar hij nog narokend op de gangloper bleef liggen. Hevig geschrokken kropen we met z’n allen snel onder het grote tweepersoonsbed in de ouderslaapkamer. En daar lagen we dan, moeder, wij kinderen, vader en onze buurvrouw die toevallig bij ons was, tegen beter weten in dat we daaronder wel wat veiliger zouden zijn… We hebben er nog een hele tijd gelegen, zolang tot er geen vliegtuigen meer hoorbaar waren, daarna schoven we omzichtig, alsof de strijders in de lucht ons zouden kunnen zien, onder het bed vandaan. Met een pannetje in de gang vingen we het regenwater zolang op. De granaat hebben we nog een poosje bewaard, maar toen er een actie kwam waarbij je gevonden munitie kon inleveren, wilden we er toch wel vanaf en hebben we dat toen netjes gedaan.

Fruitweg
Tot slot van deze oorlogsherinneringen een belevenis van kort ná de oorlog. We liepen op de Fruitweg toen ons een jeep met Canadese soldaten passeerde. En, alweer, waarschijnlijk omdat ik dat anderen had zien doen, begon ik te juichen en te springen en dat vonden de militairen schijnbaar zo leuk dat ze mij een grote appel toewierpen. Ik rende er naar toe en hield hem, ondanks de butsen van de val, als een kostbaar bezit stevig tegen me aangeklemd. Als dit fruit houdbaar zou zijn geweest had ik de appel nu nóg gehad als een reliek van die tijd. Tot zover de oorlog.

De Jeroenkerk en Ledegangkplein.

Wanneer op een mooie zondagse zomerochtend bij ons in de erker het grote schuifraam openstond en de zoele wind naar binnen woei, kon je vaak een ijl gezang vanaf de straat horen dat steeds wat dichterbij kwam. Er werd met een tenorstem gezongen door een magere man, gekleed in lange jas en met hoed op en de liederen die hij zo sfeervol liet klinken waren in de geest van ‘Ziet hoe het vriendelijk zo-hon-licht schijnt over weide en veld…’ of …’Klein vogellijn op groene tak, wat zingt gij ’n lustig lied, Wij hebben in ons hele boek zo’n aardig wijsje niet…’ Tijdens het zingen keek hij om zich heen om te zien wie van de toehoorders hem wat munten toebedeelde. Zonder zijn zang te onderbreken, raapte hij het geld van de straat, tikte aan z’n hoed en bleef ter plekke nog even verderzingen, om daarna langzaam zijn weg over het midden van onze laan te vervolgen. Verkeer was er nauwelijks en zeker niet op zondagochtend, dus hij had de ruimte voor zich alleen. Het enige dat verder hoorbaar was was het klokgelui van de St. Jeroenkerk, dat de gelovigen maande om ter kerke te gaan.

Op doordeweekse dagen was het drukker op straat, hoewel het aantal auto’s nog zeer beperkt was. Het waren meer de leveranciers met hun bakfietsen, een enkele heel modern met een motorcarrier en hier en daar een vrachtauto. Zowat alles kwam aan huis: bakkers (Hus, Dolle, Paul Kaiser, enzovoorts), melkboeren (de Sierkan vooral), de schillenman, de eierboer, de groenteboer, de scharensliep, de ijsboer (Jamin, met z’n dubbeldikke ijsjes) en vele anderen. Ook de Volendammer visboer die – gekleed in traditionele uitmonstering – wijde broek, gestreept hemd en een muts op het hoofd, zijn handkarretje voortduwend voor ons onverstaanbare kreten uitstootte, waarschijnlijk Volendams. Was het wel een Volendammer? Dan had hij al lopend met z’n karretje al een knap eindje achter de rug… Volgens mij was het een verklede Hagenaar. De man was een makkelijke prooi voor de brutale jeugd die niet naliet spottende opmerkingen over zijn niet alledaagse kledij te maken. Maar hij wist dat handig te pareren, want als het hem teveel werd, kwam hij dreigend op je af en dan was het, niet zonder humor, van ‘En nu ópduvelen ventjes, anders stop ik je in m’n bróek!’ En dan stoof iedereen weg. Handkarren en bakfietsen dus, alleen de kolenboer kwam bij ons per auto. En ruim voor de mannen hun zware zakken de twee trappen opsjouwden, had mijn moeder dan al alle traptreden plus de gang zorgvuldig met kranten belegd om vuile voetstappen op de lopers te voorkomen. Was de klus geklaard, dan was ons kolenhok op balkon weer boordevol en kon mijn vader weer vrolijk verder met het elke ochtend vullen van de kolenkit. Dan volgde het aanmaken van de haard, met zorgvuldig gestapelde stukjes hout en proppen krant, en zat daar eenmaal goed de brand in, dan was het zaak er voorzichtig kolen op te doen. Dat alles ging vergezeld van een scherpe brandlucht, waar je ogen van gingen tranen. Als het goed was gegaan, had je zodoende na ongeveer een halfuur een begin van warmte in de woonkamer, en het werd pas echt behaaglijk op het moment dat wij op weg moesten naar het werk en naar school.

Mevrouw Oosterweghel
Onze buurvrouw, mevrouw Oosterweghel, had de gewoonte om ’s avonds kliekjes eten voor de vogels op het dak van de ondergelegen schuur te gooien. Dat kwam altijd netjes op de plaats van bestemming aan. Behalve die éne keer dan… Toen ging er iets mis, want in plaats van op het schuurdak, kwam haar goede gave op het hoofd van de benedenbuurvrouw terecht, die nét even in de tuin moest zijn. De buurvrouw slaakte een kreet en spoedde zich, eenmaal gewaar wat haar ten deel was gevallen, op hoge poten de portiektrap op, de prak nog in het haar. Er vielen wat minder vriendelijke woorden, maar nadat mevrouw Oosterweghel haar wat had laten uitrazen, sprak zij de legendarische woorden: “Hier is een tientje voor een permanent, maar mogen we nú even lachen?!” Gelukkig was daarmee de zaak in der minne geschikt en kon zelfs het slachtoffer er een beetje om lachen. Nog jaren later werd deze gebeurtenis op verjaardagen succesvol gememoreerd.

Onze erker, op de hoogste etage, vormde een mooie uitkijkpost op het gebeuren in de laan. Het bood ons een ruime blik op het straatleven. Vooral als ik ziek thuis was (eerlijk gezegd soms ook wel wat ‘schoolziek’), was het fijn om daar op voor mij ongebruikelijke tijden te zitten, normaal was je op school. En ik mocht dan graag naar de vuilnisauto’s kijken en alles wat daarmee gemoeid was. Dan liep een man vooruit met een grote houten ratel om de bewoners attent te maken op de komst van het vuilophalen. Daarna kwamen mannen de zinken afvalemmers (‘asbakken’) in het ruim van de wagen kiepen, wat met veel lawaai gepaard ging. Was de wagen wat vol aan het raken, dan volgde er een voor mij interessant schouwspel. De laadbak ging dan in z’n geheel omhoog en maakte zo verticaal staand ruimte vrij voor meer afval. Daarna zakte hij weer in de normale stand terug.

Tot slot volgde dan de man met de twee grote tonnen op een soort bakfiets die de straat met veger en blik aan stokken netjes maakte, en daarna het bij elkaar geveegde met een behendige zwaai in een van de bakken gooide – en zelden ernaast.

Maar als ik geluk had, moest het mooiste dan nog komen. Zo eens in de maand verscheen er een grote tankauto met slurf in de straat, van de gemeentereiniging, de puttenzuiger ! Voor de auto uit liep er dan ook weer een man die met een soort pook de putdeksels optilde en opzij schoof. De auto reed dan steeds naar de dichtstbijzijnde put.

Weer een andere man pakte dan met beide handen de enorme slurf beet en draaide deze van de wagen naar het putgat. De slurf verdween er wel een meter in en de chauffeur startte de motor. Je hoorde de machine zuigen, waarbij af en toe iets hards of grofs door de slang kletterde. Vaak waren dat onze tennisballen en dergelijke, die tijdens het spel door de gaten waren gerold en die waren dan helaas voor ons reddeloos verloren.

Al deze reinigingsactiviteiten kon ik zo eersterangs wel twee keer bekijken, want was de ene kant van de straat klaar, dan draaide de auto en volgde de andere kant eenzelfde behandeling.

Ballen
Het dak van onze woningen was een plek waar je normaal gesproken nooit kwam. Maar toen ik eenmaal doorhad hoe ik er kon komen – namelijk door mij via een dwarslat aan de binnenkant van de schuurdeur omhoog te werken en dan me aan het zinken dakje op te trekken en vervolgens daarvandaan hetzelfde te doen naar het grote dak – ontdekte ik daar een nieuw stukje wereld. Het straatlange platte dak was met grind bedekt en het enige dat er stond waren de rookkanalen en hier en daar een lichtkap voor de eronder gelegen badkamer en/of binnentrap. Het uitzicht was er geweldig, je kon stratenver kijken, zelfs een eind Rijswijk in. Maar wat ook de moeite waard was, waren de ballen die je er kon vinden. Die waren er vanaf de straat in het vuur van het spel nogal eens terechtgekomen en het was dan toch teveel gedoe om de klim te gaan maken, bovendien moesten je ouders dat maar goedvinden. Er kwam al dan gauw een nieuwe bal in het spel en de vorige werd vergeten, en aldoende vormde zich van tijd tot tijd een interessante vindplaats voor de dakklimmers. Wat je in de putten verloor, kreeg je zodoende via het dak terug, zoiets.

Buurjongens in de sneeuw: links Wim Hoogerdijk, rechts Wim van den Burg.

Iglo
En dan de winters. Toen nog met veel sneeuw en ijs. Op de straat dikke lagen bevroren sneeuw waarmee het fijn spelen was, lange glijbanen bijvoorbeeld en ijshutten bouwen. Wij bouwden van uitgehakte blokken ijs een soort iglo en als het bouwsel na uren klaar was en het inmiddels donker was geworden, zaten we er met z’n allen in, bij kaarslicht te bibberen. Zo’n hut stond er dan vaak dagenlang, gewoon op het fietspad, niemand die daar moeilijk over deed. En als je dan met gloeiende wangen thuiskwam kreeg je van moeder een kop warme chocolademelk en tintelde je nog lang na.

Als ’s avonds weer eens een dichte sneeuwbui neerdaalde, zagen we vanuit ons huis de verlichte klok van de Jeroenkerk langzaam achter de vlokken vervagen. En als je, bij uitzondering, voor het slapen gaan nog even op straat mocht, leek je een andere wereld binnen te stappen. Alles was er doodstil, gedempt door de sneeuw, en het normaal zo alledaagse straatbeeld was veranderd in een wonderlijk decor.

En ’s morgens, als je de slaapkamergordijnen opzij schoof, wachtte je nog iets bijzonders. Dan stonden er op de ramen ijsbloemen in de mooiste vormen. Het hoorde bij de vorst, van verwarmde slaapkamers was geen sprake. Alleen de woonkamer in huis was verwarmd, dat wil zeggen – nadat vader het dagelijks aanmaakritueel achter de rug had. Maar kwam je op school, dan was het door de centrale verwarming al lekker warm en bovendien mocht je dan je kwartliterflesje schoolmelk ter opwarming in de ribbels ervan leggen. En zo werd je weer helemaal mens.

De Van Zeggelenlaan. Lang geleden woonde ik daar, eerst met ouders, broer en zus, later met ons gezin, moeder, vader en twee zonen. We hadden er over het algemeen een leuke tijd en de buurt bood veel afwisseling. Maar nu is er, zoals dat gaat als je ouder wordt, vrijwel niemand meer van toen te vinden. Overleden, verhuisd, naar elders in Nederland en soms zelfs geëmigreerd. Ikzelf heb er eigenlijk nu niets meer te zoeken. Maar de herinneringen blijven. En dat is maar goed ook.

Wim Hoogerdijk
whopictures@hotmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann