Bokstijn Feestartikelen in de Weimarstraat

Johannes (Jan) Bokstijn is de grondlegger van Bokstijn Feestartikelen. Hij wordt op 3 juni 1887 in de Cellebroersteeg 4 in Delft geboren als eerstgeborene van Adriaan Frederik Bokstein (met korte ei), van beroep smid, en L.H. van Peppen, die op 18 april 1877 zijn getrouwd. Kort na zijn geboorte verhuist het gezin naar Den Haag waar nog vijf broers en zussen geboren worden. Het gezin woont op diverse adressen in Den Haag.

Jan Bokstijn (3 juni 1877 – 20 december 1955).

Jan trouwt op 21 juni 1905 met C.J. Groenewegen en zij gaan aan de Vaillantlaan 140 wonen. Hij staat geregistreerd als hoefsmid bij de infanterie. In zijn vrije tijd bespeelt hij verschillende instrumenten. Hij is daarom een graag geziene gast op bruiloften. Daarna kwam ook de vraag om feestartikelen, zoals hoedjes en toeters die vaak zelf gemaakt moesten worden, mee te brengen. Hij besluit in 1909 om een kantoorboekhandel aan de Vaillantlaan 127 over te nemen en gaat achter in de winkel feestartikelen verkopen. Zo wordt hij de grondlegger van Bokstijn Feestartikelen. Achter in de winkel, die door aannemer Duivestein was ingericht, komt een piano te staan waarop Jan de melodieën kan voorspelen die in de cabaretteksten voorkomen. Dat worden de voorlopers van de latere voordrachten en schetsen.

Adriaan Frederik Bokstijn (9 december 1908 – 1 april 1971).

Weimarstraat 187
Op 9 december 1908 wordt Adriaan Frederik, roepnaam Adriaan, de latere oprichter van de winkel in de Weimarstraat 187, geboren. Zijn vrouw maakt achter de winkel de nodige feestartikelen waaronder schilden met de tekst ‘Hulde aan het bruidspaar’. Hoe ging dat in zijn werk? Mijn oma nam een oud fluwelen gordijn en knipte daar een stuk van 40 x 60 cm uit. Aan de boven- en onderkant kwam een stok om de lap aan een draadje op te hangen en op het fluweel werden gouden letters geplakt. Het was best veel werk en de vraag was erg groot, want er waren natuurlijk verschillende teksten mogelijk. In 1928 overlijdt zijn vrouw op jonge leeftijd aan een hartaanval. Jan hertrouwt in 1930 met de negentien jaar jongere C.J. van Lier. Voor die tijd was mijn vader Adriaan van de HBS afgehaald om zijn vader in de winkel te helpen. Maar het bleek niet zo goed te boteren met zijn pleegmoeder. Daarom besloot mijn opa zo’n zelfde winkel in de Weimarstraat te openen waar hij zijn zoon Adriaan in kon laten beginnen. Dezelfde aannemer bouwde de winkel aan de Vaillantlaan helemaal na aan de Weimarstraat met moderne kasten met glazen deuren. In de zomer van 1928 werd de nieuwe zaak geopend. Adriaan was op dat moment nog geen 21 jaar en daarom moest er eerst handlichting worden aangevraagd om zelfstandig te mogen tekenen.

Na het overlijden van zijn vrouw en voor zijn tweede huwelijk had hij een achternichtje in huis genomen om hem bij het huishouden te helpen als hij de hele dag in de winkel stond met zijn zoon Adriaan. Ja, dan kan het gebeuren dat je verliefd wordt op dat mooie meisje dat maar vijf jaar ouder was dan Adriaan. Op 24 juni 1931 trouwt hij met Maria Elisabeth Rozenburg en gaat met haar achter de winkel in de Weimarstraat wonen. Vlak voor de oorlog verhuizen zij naar de eerste etage, waar zij (mijn moeder) tot haar overlijden op 96-jarige leeftijd in 2000 woont.

Hans (Johannes) en Guido Bokstijn in 2003.

Zelf ben ik, Johannes (Hans) geboren op 14 mei 1941. Toen ik in 1956 mijn vader en moeder in de winkel ging helpen, was mijn vader al druk bezig de winkel aan te passen aan die tijd. We hadden een grote afdeling toneelstukken van de meeste toneeluitgeverijen in Nederland. Hoe werkte dat? In Den Haag en omstreken woonden heel veel mensen die toneel speelden en meestal verbonden waren aan verenigingen waar een afdeling een toneelclubje had, zoals o.a. de personeelsvereniging van HTM, brandweer, politie, ministeries, gemeenten, provincie, sport- en gymverenigingen en nog veel meer. Omstreeks de jaren 50 waren er meer dan honderd toneelclubs. Al die verenigingen hadden een regisseur die voor zijn club een stuk moest uitzoeken. Ze gaven vaak drie keer per jaar een uitvoering. Sommigen van hen hadden meer verenigingen en zij zochten vaak dus meerdere stukken. Die waren voor ons het makkelijkst. Zo kon het gebeuren dat zij elkaar op zaterdagmiddag in de zaak tegenkwamen en dan was het best gezellig. Drie volle asbakken op een middag was in die tijd heel gewoon. Maar dan ging de winkeldeur weer open en een vrouwenstem riep dan ‘Kom je nog, ik sta al een uur in de kou’! Een vaste klant in die tijd was Piet van Zwieteren, die ook verschillende verenigingen had. Hij bracht dan zijn dochtertje Teddy van 11 jaar mee. Later werd zij Teddy Scholten, die kwam toen niet meer met haar vader mee.

Omstreeks die tijd kwam er ook steeds meer vraag naar carnavals- en sintnicolaaskleding. In eerste instantie gingen de sinten naar de bedrijven in Indonesië zoals PTT en Shell. De eerste zendingen waren niet zo goed bevallen. Het fluweel was een beetje warm daar. De kleermaker naast ons, de fa. De Ridder, kon wel kostuums uit voeringstof maken en die waren een stuk beter. Maar omdat er steeds meer gemaakt moesten worden, moesten wij op zoek naar nieuwe naaisters die het leuk vonden om deze pakken voor ons te maken. Intussen was ik op 19 september 1964 getrouwd met Yvonne Hemmes. Het was een geluk dat haar moeder goed kon naaien en het haar dochter goed geleerd had. Je voelt de bui al hangen: zij nam het naaiwerk over van verschillende naaisters. Wij begonnen met zes stuks, maar dat werden er heel snel veel meer. Het fluweel moesten wij altijd in september bestellen, want het was altijd bestemd voor de kerstkleding in de modewinkels. Maar wij hadden het pas voor de sint van het jaar daarop nodig, zodat wij het hele jaar thuis met rode sintmantels in de kamer zaten. Op 22 september 1965 werd onze dochter Monique geboren en onze zoon Guido op 9 mei 1968. Als ik nu die heibel hoor over de Sint en zijn slaven, moeten onze kinderen een verschrikkelijke jeugd hebben gehad tussen al die rode mantels en zwarte piet-kostuums het hele jaar door in de huiskamer! Maar ik kan u verzekeren dat ze er niets aan hebben overgehouden. Integendeel zij zijn beiden in hetzelfde vak doorgegaan waar wij al meer dan 100 jaar mee bezig zijn. Guido heeft sinds 2006 mijn zaak in de Weimarstraat overgenomen en Monique staat in ons filiaal in Leiden.

In de 50 jaar dat ik met Yvonne in de zaak heb gewerkt hebben wij heel wat leuke dingen meegemaakt, die ik u niet wil onthouden. In 1928 was de winkel niet meer dan twee kamers, een voordeur en een gangetje. De scheidingswand tussen de kamers was verwijderd en de muur tussen de voorkamer en de gang ook. De eerste verbouwing was het maken van een kantoortje achter in de winkel. Daarna volgde, na het overlijden van mijn vader in 1971, de bouw in de tuin van een kantoor en kluis voor de opslag van vuurwerk (250 kg de eerste in Den Haag). Vervolgens werd de muur van de keuken verwijderd, zodat de winkel achterin breder werd. Daarna begon de grote verbouwing van het dichtmaken van de tuin en het afbreken van de vuurwerkkluis, aangezien wij daarna geen vuurwerk meer verkochten en het slopen van de laatste binnenmuur in de winkel naar de gang en de toiletten. Toen echter Guido in de zaak kwam, vond hij het nodig om alle tussenmuren die er nog stonden ook weg te halen. Dat was dus de achtergevel en de ondermuur van de uitbouw. Er was in die tijd ook nog een nieuwe voorgevel geplaatst met een deur in het midden, die ook al weer vervangen is door twee deuren. Je moet dit meegemaakt hebben om te weten hoeveel stof er tevoorschijn komt bij zo’n verbouwing. Van de oude winkel is bijna niets over, alleen nog een winkelkast en een stuk toonbank.

Met de verkoop van de kleding was het nodig om een kleedkamer te hebben. Die kleedkamer kwam in een hoek achter in de winkel, zodat je van de straat niet zag dat de klanten verkleed in de winkel naar de spiegel liepen. Zo kon het gebeuren dat op een morgen twee meisjes in de zaak kwamen en vroegen of ze wat mochten passen. ‘Natuurlijk, ga je gang maar. Het is toch stil. Ik ga in mijn kantoortje nog wat doen en als je iets wilt vragen, hoor ik dat wel.’ En ja hoor, daar kwam ze in haar slipje naar de deur van het kantoortje en vroeg of er nog een grotere maat was van de jurk die zij in haar handen had. Maar op dat moment ging de winkeldeur open, want de bel ging over. Mijn vrouw, die even een boodschap was gaan doen, kwam binnen. Het meisje schrok zo van de bel dat zij gelijk weer naar de kleedkamer liep. Ik kon vanuit het kantoortje niet zien wie er binnenkwam, maar we moesten toen wel even uitleggen waarom er een half gekleed meisje uit mijn kantoor kwam! Alles is toch goed gekomen, want wij zijn ruim 50 jaar getrouwd.

Doos met de spin
Tijdens de verkoop van schrik- en springartikelen kan er ook van alles verkeerd gaan. Een luciferdoosje met een muisje is nu niet zo’n spektakel, maar een sigarenkist waar een spin van vijftien centimeter uitspringt, wil nog wel eens voor schade zorgen als de schrik zo groot is dat ze met een sprong tegen de etalage vallen, zodat wij drie dagen moeten etaleren om alles weer netjes te krijgen. Mijn vader heeft in 1949 een rubbervloer op multiplex laten leggen. Dat was voor die tijd heel bijzonder, want de meeste winkels hadden houten vloeren of kokosmatten op de vloer. Na een lekkage onder de vloer moest een stuk multiplex worden vervangen. De timmerman was daarmee bezig voor de toonbank, terwijl ik een klant de doos met de spin liet zien. De klant gaf een gil die drie straten verder te horen was. Toen de klant vertrokken was kwam het gezicht van de timmerman boven de toonbank uit en zei: ‘Zag je dat, ze stond zo in haar broek te plassen en nu is mijn nieuwe hout weer nat!’

Ruit ingegooid
Na het betrappen van iemand die een spuitende aansteker wilde meenemen, werd er een half uur later op de brommer voorbijgereden en een volle bierfles door het raam van de etalage gegooid. Dat was de eerste keer in al die jaren dat zoiets gebeurde. Later is er nog eens een ruit ingegooid voor een doosje schmink van 2,50 gulden. Het opruimen daarvan is vele malen duurder dan de kosten van het doosje schmink.

Ooit kwam er eens een mevrouw in de zaak die naar de uitvaart van een vriend moest. Hij was kunstschilder en verfde altijd circussen. Zij wilde echter geen bloemen meenemen en vroeg of wij iets konden maken. Met een papieren puntmuts, oogmaskertje, clownsneusje en wat serpentine werd er een stukje gemaakt voor op de kist. Bij het weggaan bedankte zij ons voor het bijzondere stuk, maar dacht er wel bij dat ze de hele familie over zich heen zou krijgen met dat idee van haar.

Hans Bokstijn
jbokstijn@live.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann