De opkomst en neergang van het HIVO

De lezersvraag in De Oud-Hagenaar van 18 oktober vormde voor mij de aanleiding om me met deze zin tot de schrijver van het artikel te wenden. Met zijn instemming doe ik hierbij mijn verhaal over de opkomst en neergang van het HIVO. Een verhaal, dat mijns inziens waard is om te worden verteld door iemand die er bovenop heeft gezeten.

Ik deed in juli 1946 het MULO-A-examen en was toen dus rijp voor de arbeidsmarkt. Zelf stond ik daar niet zo bij stil. Ik zag uit naar een liefst zo lang mogelijke vakantie. Mijn zes jaar oudere broer dacht er anders over. Hij was wijkhoofd van het HIVO en hoorde op het kantoor van dit instituut, dat men een jongste bediende zocht. Het leek mijn broer een goede betrekking voor mij. Zo werd ik de derde betaalde kracht. Ik was voorgegaan door de directeur, de heer Herman Broekhuizen en de administratrice mevrouw Noorman-Nijhof.

Voor de rest dreef het HIVO, oftewel het Haags Instituut voor Volksontwikkeling, op zeer veel vrijwilligers. Die waren in nog geen jaar tijd gevonden in alle stadsdelen, inclusief Scheveningen, Rijswijk en Voorburg. Overal waren wijkhoofden, contributie-ophalers en kaartverkoopadressen.

Het kantoor was gevestigd aan de Stille Veerkade, maar verhuisde al gauw naar de Molenstraat en ik verhuisde natuurlijk mee.

Het HIVO was in feite een naoorlogse voortzetting van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, zij het dat dat een socialistisch instituut was, terwijl het HIVO statutair een instituut op algemene grondslag was. De voorstellingen, waarvan reeds melding is gemaakt, vonden plaats op zondag. Het aanvangstijdstip was 10.00 uur. Van kerkelijke zijde bestond daar aanvankelijk bezwaar tegen. Omdat de voorstellingen besloten waren mochten deze gewoon doorgang vinden.

Tot de activiteiten, waarvoor veel belangstelling bestond, behoorde ook een volkszang- en dansgroep. Hiervoor werd een gymnastiekzaal gehuurd. De zang werd geleid door de heer Broekhuizen, die in opleiding was voor koordirigent en als zodanig later veel succes oogstte. De heer Bakkerus was de volksdansleraar. Het was een hechte groep, die met Pasen 1947 op pad ging naar Maarn. Het weer was prachtig. Er werd geslapen in treinwagons. Ik kan het weten, want ik was er zelf bij! Ik was ook degene, die de deelnemers en deelneemsters had ingeschreven. Daartoe moest iedereen naar het kantoor komen. Telefoonverkeer was er nog nauwelijks. Trouwens men moest ook vooruit betalen. Het meisje, dat later mijn vrouw zou worden, was er ook bij. Zij liet zich door een vriendin inschrijven. Ik had toen nog geen enkele binding met de betrokken groep. Ik deed niet aan volkszang en -dans.

Wat me dan ook bewogen heeft om mezelf op de deelnemerslijst te zetten, weet ik na 69 jaar nog steeds niet. Feit is, dat het is gebeurd. En dat ik alsnog volkszanger en -danser ben geworden.

De filmvoorstellingen op zondagochtend waren niet uitsluitend in het City-theater. We maakten ook wel eens gebruik van theater Odeon en van het Flora-theater. Ik had daar niet veel mee te maken, behalve dat ik vrijwel elke keer op mijn post was in het theater om de kaartjes af te scheuren. We deden dat met een man of vier. Overigens waren de plaatsen niet besproken. Wie het eerst kwam, het eerst maalde. Eén keer had ik deelgenomen aan een nachtwandeling over het strand. Toen naar het theater en kaartjes afgescheurd. Van de film heb ik niets gezien! Een bijzonderheid was nog, dat de voorzitter, de heer Van Staveren, voor elke filmvoorstelling het toneel beklom om een toelichting te geven op de te vertonen film. Dankzij de omstandigheid, dat de heer Van Staveren beroepsmatig voorzitter was van de Centrale Commissie voor de Filmkeuring, hadden we dikwijls een filmpremière. Behalve filmvoorstellingen hadden we ook wel voordrachtochtenden. Ik herinner me Nel Oosthout en een katholieke geestelijke, Pater Leopold Verhagen. Hij trok ook veel radioluisteraars. Later is hij ook een bekende televisiepersoonlijkheid geworden. In het theater had hij graag een rustieke stoel. Die vonden we in een klooster in de Juffrouw Idastraat (niet ver van de Molenstraat). Bakfiets gehuurd en daar ging de jongste bediende, die nog nooit op een bakfiets had gereden, op zaterdag door de binnenstad van Den Haag naar het City-theater en ’s maandags terug! De stoel en ik hebben het overleefd.

Met een aantal leden van de volkszang en -dansgroep vormden we later een hechte vrienden- en vriendinnengroep, die met elkaar op vakantie ging naar natuurvriendenhuizen (iets luxer dan jeugdherbergen en ingesteld op langer verblijf).

En het HIVO? Dat ging over zijn hoogtepunt (meer dan 10.000 leden). Na de heer Broekhuizen, die zijn glanzende toekomst had gevonden bij de Avro, trad Drs. G.R. Kruissink aan als directeur. Hij heeft de goede tijd nog meegemaakt, maar zag het allengs toch minder goed gaan met het instituut. Ik was inmiddels als dienstplichtige naar Indië vertrokken en ontving daar een brief, waarin de heer K. naar mijn toekomstplannen informeerde. Als ik terug wilde komen, was ik hartelijk welkom, maar ik kon beter elders solliciteren (wat ik ook gedaan heb). Een fusie met de Volksuniversiteit maakte ten slotte een einde aan het HIVO. De heer Kruissink werd vervolgens directeur van het Zuiderzeemuseum.

Theo Groenewege
thgroenewege@ziggo.nl
071-5762455

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann