Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie-excursie

Als kind waren er begin jaren vijftig bij mij in de buurt, omgeving Rhenenstraat, nog veel ‘landjes’ waarop nu huizen of scholen staan, of zelfs een politiebureau. Eigenlijk nog volop platteland en buiten. Ik was daar vaak te vinden, volgens de overlevering van mijn moeder kwam ik eens thuis op mijn sokken en met mijn kaplaarzen vol gevuld met kikkerdril. Hadden ze mij maar niet het boekje ‘Hoe ik kikker werd’ moeten geven. Met de kikkerdril en wat water werd een grote stopfles gevuld en kijken maar tot er donderkopjes uit kwamen. De kikkervisjes werden nooit echte kikkers zoals in het boekje. Daarna volgden salamanders die vervolgens uitgedroogd in de kamer terecht kwamen, niet in de tuin, want we woonden in een bovenhuis. Stekelbaarsjes en goudvissen volgden, hond en kat mochten terecht niet, in een bovenhuis was dat niks.

Met de school aan de Baanbruggenstraat gingen we met meester Paulus (zijn achternaam!) naar de kinderboerderij in het Zuiderpark. Daar kregen we les van meester Swenne en freule De Ranitz. Voor het eerst zag ik daar een goudhamster. Niemand had toen een goudhamster als huisdier. Met veel moeite wist mijn moeder daar zo’n goudhamster tegen betaling los te krijgen, tatata, verjaarscadeau. De muizen kwamen later, stiekem binnengebracht, maar dat was vanwege de geur moeilijk geheim te houden. Het was dan ook geen wonder dat toen er begin 1956 op mijn middelbare school een briefje ophing dat de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie een excursie hield, ik daar enthousiast op reageerde. Dat was precies wat mij leek! Ik schreef mijn naam op een briefje en kreeg een ‘convo’ van afdeling Haag V, genaamd Lotus, toegestuurd. Zondagmorgen kwart over acht, begin januari, Valkenbosplein. Ik kon niet wachten en stond al om acht uur ’s morgens moederziel alleen op het Valkenbosplein. Ook om kwart over acht, nog steeds alleen, te blauwbekken. Tegen half negen kwamen de eerste mensen aangezet. Kaplaarzen, lieslaarzen, anoraks en grote prismakijkers om de nek en ook tasjes die later pukkels gingen heten, maar toen nog gewoon een legertasje uit de dump op het Westeinde waren. Heel grote jongens, meisjes ook erbij. Ik was het nieuwe ‘klunsje’ of eigenlijk ‘klunzinnetje’. Het NJN-taalgebruik moest mij nog eigen worden. We gingen naar het Noorderstrand, ik was daar eigenlijk nog nooit geweest en zeker niet in de winter en op de fiets. Met fiets en al het strand op ten noorden van de boulevard en ploegen maar.

Haag V
Er ging daar een wereld voor mij open, allerlei dingen waarvan ik nog nooit gehoord had. Er werd schelpengruis meegenomen, daar scheen van alles in te zitten. We vonden een aangespoelde bruinvis, nog nooit van gehoord en zeker niet gezien. Een van de grote jongens wilde zijn kop afsnijden met een bajonet, maar dat kwam er niet van. Het stonk teveel. Verder waren er heel veel ‘stookoliepieten’, vogels die volkomen besmeurd waren met stookolie die toen nog volop geloosd werd op zee. Een van die grote jongens, Frans Beekman, nam sommige vogels mee in zijn fietstas. Later bleek hij bij hem thuis, aan de aan de Van Boetzelaerlaan, hokken op het balkon te hebben voor de lichtere gevallen. Maar de meeste vogels werden uit hun lijden verlost. Schoonmaken was onbegonnen werk en ze hadden ook in hun lijf veel stookolie, ze zouden toch dood gaan. Ik vond het heel zielig. We hadden ook nog hout gevonden met paalwormen, dat waren schelpdieren die zich door hout boorden, ik had daar nog nooit van gehoord en allerlei soorten wier. Kortom, er ging een wereld voor mij open en ik voelde me heel goed op mijn plaats, al begreep ik af en toe de terminologie niet helemaal, dat was NJN-taal en soms wetenschappelijk biologiejargon. De afdeling waarin ik terecht was gekomen, was Haag V. Er waren ook nog afdelingen Haag I, II en IV. Waar III was gebleven, is me nooit duidelijk geworden!

Na afloop van de excursie gingen we naar het huis van Frans, een wapenschildje met drie haringen boven de deur, we waren immers in Scheveningen! Boven werden op tafel kranten uitgespreid en werd het schelpengruis erop gekwakt. Heel kleine horentjes, wadslakjes genaamd, zeeboontjes dat waren een klein soort zeeëgeltjes. Ook nog een heel kleine, volgens een van die grote jongens zeldzame, schelp! Ze gingen compleet uit hun dak, een miniem schelpje met de naam Montacuta ferruginosa, alleen een Latijnse naam, want zo’n klein schelpje had natuurlijk geen Nederlandse naam. De Latijnse namen, waarvan ik eigenlijk ook nog nooit had gehoord vlogen mij om mijn oren!. Boeken werden erbij gehaald om de schelpen te determineren, ik wist niet eens dat dat soort boeken bestond.

Gemengd slapen
Maar de klap op de vuurpijl moest nog komen. Een van de stookoliepieten was dood. In het gezelschap bevonden zich ook een medische student en een student biologie. Het gruis verdween en een andere krant werd op de tafel gelegd. Beneden werd een schaar uit de keuken gehaald, we gingen het dier ontleden. Dat was me wat! Het beest was echt dood, de kop was er al af. Het was fantastisch, alle organen lagen erbij zoals in het biologieboek van school stond, alleen bij het hartje aangekomen, schrik! Dat hartje klopte nog! Later heb ik begrepen dat dat niet zo raar was, hoe zou anders ooit een hart getransplanteerd kunnen worden, het hart was gewoon door de aanraking of de warmte of wat dan ook weer gaan kloppen. Los van dat kloppende hart, liet die excursie mijn hart ook sneller kloppen, ik vroeg aan mijn vader en moeder gelijk of ik lid mocht worden. Dat mocht gelukkig. Zo gingen we iedere week op excursie, vaak ver weg. En ook op kamp. Op de fiets naar Hulshorst, Petten en Nieuwkoop. Inmiddels had ik wel ontdekt dat je alleen maar lid mocht zijn van 12 tot 23 jaar, er was geen volwassen leiding, alles werd zelf georganiseerd en gedaan. Op je 23e werd je ‘ouwe sok’ en moest je verdwijnen. Deze kennis hield ik wijselijk voor mijzelf, ik werd uiterst beschermd opgevoed. Toch was alles altijd tot in de puntjes georganiseerd! Ook de kampen en het eten en de excursies op die kampen.

En het was er best puriteins, het was natuurlijk ook een andere tijd en we hadden juist zonder volwassen leiding, de eer hoog te houden! Gemengd slapen was niet erg, gemengd wakker liggen wel! Ook was er een strikt drankverbod. We aten wel stratenmakers, brood in de lengte doorgesneden versierd met ‘jajem’, in tegenstelling tot de echte jajem, was dat appelmoes met jam één op één. Dat wil zeggen: één literblik appelmoes gemengd met één pot jam – merk Ringen, de goedkope variant van Flipje jam.

Met de fiets naar vogeleiland De Beer. Nu ligt er het havencomplex Europoort, maar toen mocht je er vrijwel nooit komen, omdat het zeer beschermd natuurgebied was. We hadden een speciale vergunning! Eerst door de duinen bij Monster fietsen naar Hoek van Holland. In Hoek van Holland met een bootje, de Mary Kok, genoemd naar een toenmalige zwemkampioene, over een buitengewoon hoge en enge steiger. De jongens met de zevenmijlslaarzen en de kijkers, in extase voor allerlei pietjes. Ik zag ze niet eens. Er groeide ook Parnassia, kende ik ook alleen uit de boekjes net als de zeekraal en andere zoutminnende planten. Spartina Townsendiï, slijkgras, volgens de jongens genoemd naar de toenmalige, verboden gescheiden minnaar van Prinses Margareth van Engeland, Peter Townsend, waarmee de kranten toen vol stonden. Er lagen veel mij onbekende schelpen. Op het einde van de dag gehaast terug om op tijd maar één maal terugvarende bootje weer te nemen. En ik er maar achteraan hobbelen. Ze vonden alles gaaf en spraken voor mij in tongen, steeds weer die NJN-taal. Over Paka, Pika, Schier en Skylge, anderen gingen ‘hupsen’. Er was ook nog iets met een ‘tijger’. Ik had geen idee, maar het wende snel. En zo waren die eerste NJN-excursies het begin van een lange ‘Jeugdbondcarrière’ met nu, zestig jaar later, nog steeds echte vrienden uit die tijd.

Joan Verheij
vogelsang@zeelandnet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann