Negen manieren om belletje te trekken

Het gebeurt bijna nooit meer. Is de huidige generatie het verleerd? Of weten ze hun wijsvinger alleen nog maar nuttig te maken op hun smartphone? Terwijl het toch echt leuk was. Voordat het in de vergetelheid raakt, hierbij nog wat gebruiksaanwijzingen.

Laatst ging de bel. Ik stond op om open te doen. Vlak voordat ik opendeed zag ik door het voordeurraampje twee meisjes van een jaar of tien wegrennen en zich verschuilen achter een paar groene struiken op het plein waar ik woon.

Het duurde even voor het tot me doordrong dat het hier om echt, onvervalst belletje-trek ging. Dat was lang geleden!

Ik herinnerde me nog van vroeger, dat het het leukste was als de mensen dan boos werden. Dus deed ik de deur open en riep heel boos: ‘Wie heeft er aangebeld?! Wie was dat?!’ En om de spanning nog wat op te voeren liep ik langzaam in de richting van de struiken.

‘Is daar iemand?’, riep ik weer en stond vlak voor de struiken stil waarna ik zogenaamd onverrichter zake weer op mijn schreden terugkeerde, terwijl ik de zuchten van verlichting achter me bijna kon horen.

Voordat de edele kunst van het belletje trekken voorgoed verloren dreigt te gaan volgt hier een overzicht van de (mij bekende) variaties van dit oeroude ritueel.

Belletje trek voor beginners:

– Gewoon op een bel drukken en dan hard weglopen.

– Leuker is om eerst te kijken waar je je kan verstoppen zodat je ongezien de reacties kunt bestuderen van degene die de deur opent, nadat je hebt aangebeld.

– Op de bel drukken en die dan met een speld of een tandenstoker vastzetten.

– Nog spannender, en trouwens ook sportiever is, om even te blijven staan als de deur opengaat en dan te zeggen: ‘Dag meneer (of mevrouw), ik ben Jan. En kijk eens hoe hard ik rennen kan’. Het is aan te bevelen, dat je je dan ook onmiddellijk uit de voeten maakt.

– Jongelui met een technische knobbel kunnen in de hal van een flatgebouw de draadjes van een aantal bellen verwisselen. Dat is natuurlijk niet echt leuk en ook niet aan te raden. Maar omdat het vroeger wel eens gebeurde, noem ik het hier voor de volledigheid toch maar even.

– Ook is het nogal flauw als je vraagt om oude kranten, nadat je hebt aangebeld. Wanneer ze die dan gaan halen, leg je een kiezelsteentje op de drempel aan de kant waar de zijkant van de deur, als hij openstaat, een schuine hoek maakt met de sponning. En dan maken dat je wegkomt en van grote afstand kijken hoe lang het duurt voordat de deur weer normaal dicht kan.

En voor gevorderden:

– Goed voor de bewustwording van de rangorde in een groep, is de variant die onder de naam ‘Vliegende Brandweer’ bekend staat.

Dat gaat als volgt: een rij van tien tot twintig jongens en meisje stellen zich achter elkaar op en rennen vervolgens langs een rij benedenwoningen, het liefst zonder voortuin. De Haagse Thomsonlaan leende zich daar vroeger heel goed voor. Misschien nu ook nog wel. Iedereen loopt dan rennend achter elkaar langs de deuren en trekt beurtelings aan de bel. Zodat al die bellen wel tien, twintig keer achter elkaar overgaan.

Nadeel is wel, dat mensen, na de vijfde of de zesde keer aanbellen, al opendoen. En dat de laasten in de rij, strikt volgens de regels nog zouden moeten aanbellen. Dat doen ze natuurlijk niet. Ze blijven wel in de rij om aan te bellen bij de deuren die nog niet open zijn. Als ze tenminste niet inmiddels bij de kladden zijn gevat.

De meest invloedrijke kinderen stellen zichzelf dan ook altijd vooraan in de rij op. Dat heeft met macht te maken. Toen ook al.

– Een nogal perverse variatie op het belletje-trek werd uitsluitend bij heel erg boze buurmannen toegepast. Dus bij buurmannen die het echt verdiend hadden. Bijvoorbeeld omdat ze je voetbal al drie keer in beslag hadden genomen.

Het gaat zo. Met z’n tweeën zoek je een verse hondendrol en wikkelt die in een krant. Die leg je dan voor de voordeur van de boze buurman en steekt hem aan. Je vriendje heeft zich inmiddels opgesteld aan de achterkant van het huis. Zelf bel je aan en maakt dat je wegkomt. De boze buurman doet open, ziet de vlammen en probeert de brandende krant uit te trappen. Dan timmert je vriendje hard op het raam aan de achterkant van het huis en maakt ook dat-ie weg komt. De buurman rent dwars door z’n huis naar achteren en merkt pas later dat-ie poep aan z’n schoenen heeft.

Persoonlijk vind ik dit de leukste variant. Maar dat kan natuurlijk aan mij liggen.

– Tenslotte nog een klassieker. Helaas niet meer uitvoerbaar, omdat de meeste huizen tegenwoordig zijn voorzien van een drukbel in plaats van een trekbel. Het vraagt wat voorbereiding en kan alleen op de eerste woonlaag van een portiek worden uitgevoerd. Daar zijn meestal bovenaan de trap vier deuren. Twee recht voor je. En dan nog eentje links en eentje rechts. Het gaat nu om die twee deuren links en rechts. Met een stevig, niet al te dik touw verbind je de knop van de trekbel van de linkerdeur met de deurknop van de rechterdeur. En andersom: de knop van de trekbel van de rechterdeur met de deurknop van de linkerdeur. De touwen dienen vrij strak te staan. Handig is, om dat met drie, vier kinderen tegelijk te doen.

Vervolgens trekt iemand hard aan een van de trekbellen. Als het knoopwerk degelijk is gedaan hoef je niet gelijk weg te rennen. Je kunt dan rustig blijven kijken hoe de ene deur een stukje opengaat, waardoor de bel van het tegenoverliggende huis gaat rinkelen. En als die andere deur dan opengaat…. Welnu. Blijf rustig kijken totdat er een raampje in de deur opengaat en een arm met een hand het touw probeert los te frunniken. Of totdat er zo hard aan een deur wordt getrokken, dat het veilgheidspinnetje uit het stangetje van de tegenoverliggende deurbelknop schiet waardoor die knop uit de sponning schiet.

Dan is het natuurlijk wél weer wegwezen.

Ben ik nog variaties op het belletje-trek vergeten? Mail het naar: julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann