Een sportieve jonkheer: Jan Feith en Den Haag

Zomer 2016 was Den Haag het sportieve middelpunt van Nederland. In augustus kon men op het strand van Scheveningen de Olympic Experience ondergaan. Met een Olympisch dorp waar men zelf kon sporten en op grote schermen waren de verrichtingen in Rio te volgen. Tijdens de Olympic Experience maakte wethouder Baldewsingh bovendien bekend dat Den Haag zich kandidaat stelt voor de titel Europese sporthoofdstad 2021. De organisatie van de Olympic Experience, de kandidatuur voor de titel Europese sporthoofdstad en vele andere nationale en internationale sportactiviteiten bewijzen dat Den Haag op sportgebied in Nederland een belangrijke plaats inneemt. Wat weinigen weten is dat de basis hiervoor is gelegd in het begin van de vorige eeuw; of eigenlijk al eerder. Zoals ruim tachtig jaar geleden de (sport-)journalist en schrijver jonkheer Jan Feith heeft aangetoond. In een artikel uit 1934 geeft hij aan waarom Den Haag alles in zich heeft om de sportstad van Nederland te zijn. Wie is deze Jan Feith en waarom vindt hij dat Den Haag de titel sportstad van Nederland verdiend?

Jonkheer Johannes (Jan) Feith is geboren te Amsterdam op 12 mei 1874, maar groeit op in het Bezuidenhout. Hij is een telg uit een oud adellijk geslacht dat teruggaat tot de middeleeuwen. In een lange rij van illustere voorouders is Jan nummer 201. Hij stamt uit een familie van rechtsgeleerden. Zijn vader is vice-president van de Hoge Raad der Nederlanden en zijn broers doorlopen een juridische carrière. Jan zal in dit milieu een buitenbeentje zijn. Als jongetje voetbalt hij met vriendjes in het Haagse Bos. De noodzakelijke doelpalen worden gevormd door eigenhandig afgesneden boomtakken. Verscherpt ‘politietoezicht’ maakt een einde aan deze handenarbeid. Waarna bloesjes of jasjes voortaan de doelpalen vormen. De voetbal is voor de jongens de belangrijkste investering. Voor een cent kan op de kermis of in een stiekem winkeltje een kastiebal worden gekocht en zijn er geen centjes, dan worden kranten tot een bal samengepropt. Een ander probleem zijn de voetbalschoenen. Eigenlijk zijn deze even belangrijk als de voetbal. Gelukkig is er altijd wel een snuiter, die op z’n verjaardag of met Sinterklaas, ’n paar echte voetbalschoenen cadeau heeft gekregen. De trotse bezitter is dan zo sportief ze kameraadschappelijk te verdelen: één speler de rechter- en een ander de linkerschoen. Dit zijn – omstreeks 1885 – de beginjaren van het voetbal in Den Haag en Jan is hier actief bij betrokken. Eigenlijk te actief. Als kind is hij erg energiek, we spreken nu van ADHD (alle dagen heel druk); een toen nog onbekend begrip. Voorbeelden te over. Als knaap van een jaar of acht treedt hij op in een toneelstukje voor de familie. Bij de repetities maakt hij het zo bont dat de regisseur in een vlaag van woede Jan van een zoldertrap, met twintig treden, afgooit. Hij maakt een poppenkast en behaalt hiermee zijn eerste triomf als hij van Jan Klaassen een politieke figuur maakt. Slechts eenmaal is er – naar zijn mening – een fiasco tijdens een voorstelling van ‘De negerhut van oom Tom’. Met zijn broertje van enkele weken oud in de armen geeft hij op het dak een natuurgetrouwe voorstelling van Eliza’s vlucht over het ijs. Het publiek kan dit maar matig waarderen. Ook deinst hij er – om onduidelijke redenen – niet voor terug een steen te gooien door een ruit van het ministerie van ‘Waterstaat, Handel en Nijverheid’. Kortom: Jan maakt het zo bont dat hij ‘uit huis’ wordt gedaan.

Zo komt hij in 1887 in Haarlem bij een gezin waar meer onevenwichtige jongens gefatsoeneerd worden. Daar bezoekt Jan de HBS, maar als hij na vier jaar nog in de derde klas zit, moet hij de school verlaten. Jan verhuist daarop naar Amsterdam en wordt toegelaten tot de Handelsschool. Die doorloopt hij wel met goed gevolg en behaalt in 1894 het diploma. Zijn vader is zo ingenomen met dit resultaat dat hij Jan als beloning voor de keuze stelt: óf een racefiets óf een bootreis door de Middellandse Zee. Jan kiest voor de zeereis, omdat hij weet dat die fiets er toch wel komt! Op deze reis vindt hij inspiratie voor zijn eerste boek ‘De reis naar de Levant’. Het verschijnt in 1894. Oh ja, die fiets krijgt hij uiteindelijk ook. Na een zeer korte kantoorloopbaan, onder andere bij de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ waar zijn ambtelijke prestaties bestaan uit een handstand op de lessenaars en discuswerpen met de ronde leren kussens van de bureaukrukken, wordt hij journalist bij het Algemeen Handelsblad.

Jan zal uitgroeien tot een van de belangrijkste journalisten uit het begin van de twintigste eeuw. Als goed journalist houdt hij van primeurs. Hij is een van de eerste Nederlanders die in 1910 als passagier meevliegt in een vliegmachine; als journalist de eerste Elfstedentocht grotendeels mee schaatst en aan boord kruipt van de eerste Nederlandse duikboot, toepasselijk ‘Luctor et Emergo’ genaamd. Natuurlijk doet hij van deze belevenissen uitgebreid verslag in het Algemeen Handelsblad. Ook weet hij als journalist een bende Russische zwendelaars te ontmaskeren die kopervijlsel als goud verkoopt.

In 1918 trekt hij als oorlogsjournalist door Vlaanderen en ziet een Belgische patrouille Feith aan voor een Duitse spion. Als neutrale Hollandse journalist wordt hij echter spoedig vrijgelaten. Ook krijgt hij bekendheid door zijn interviews met beroemdheden als Jules Verne, Sarah Bernhardt en Anthony Fokker. Door zijn reizen binnen en buiten Nederland staat hij bij collega’s bekend als de journalist-met-het-koffertje.

Inmiddels is hij in 1898 getrouwd met Johanna de Kock, dochter van een makelaar in effecten. Zij krijgen twee kinderen. Zijn echtgenote is in de eerste jaren van hun huwelijk vaak alleen thuis. Jan is meestal op pad. Hij maakt een reis rond de wereld en doorkruist Europa op zoek naar kopij. Ook zwerft hij dagen en nachten door arm en donker Amsterdam. Bijvoorbeeld over de Zeedijk tussen lawaaiige dronken zeelui die laveren tussen kroeg en bordeel. Maar ook bezoekt hij Artis. Kortom: hij is dikwijls van huis en komt soms in riskante situaties terecht. Terwijl Johanna thuis in onzekerheid zit te wachten.

Voor zijn journalistieke arbeid heeft Feith een netwerk van relaties opgebouwd. Hij is bevriend met vele bekende Nederlanders variërend van de schrijver Louis Couperus tot de industrieel Anton Philips. Met Couperus reist hij in 1921 naar Nederlands-Indië en met Anton (evenals Feith ook een onhandelbare jongen) heeft hij op de Handelsschool gezeten. Niet alleen als journalist, maar ook als schrijver heeft hij profijt van zijn vriendenkring. Zo krijgt hij van Anton Philips leuke opdrachten, bijvoorbeeld voor het schrijven van een gedenkboek in 1916.

Door zijn journalistiek en redactioneel werk woont Feith in verschillende plaatsen: Amsterdam, Hilversum en Bandoeng (Nederlands-Indië). Uiteindelijk vestigt hij zich in 1926 definitief in Marlot op de Hoogwerflaan en wordt hij bij de ANWB (eind-)redacteur van De Kampioen.

Behalve journalist is Jan Feith schrijver van talloze boeken en toneelstukken. Zijn Wikipedia-pagina telt ruim honderd titels (!), met de nadruk op jongensboeken; die hij vaak zelf illustreert onder het pseudoniem Chris Kras Kzn. Zijn boeken zijn in de vergetelheid geraakt. Ooit zijn ze stukgelezen en verschijnt herdruk op herdruk. Maar geen van zijn personages heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Dik Trom, Pietje Bell of Kruimeltje, ‘eeuwige’ bekendheid gekregen. Het zijn met recht jongensboeken, want meisjes spelen een ondergeschikte rol en zijn er alleen om verliefd op te worden. Hij is ook de schrijver van het eerste jongensboek waarin sport (wielrennen en voetbal) een grote rol speelt; namelijk ‘Uit Piets vlegeljaren’ verschenen in 1905. Sport speelt niet alleen een rol in zijn boeken, maar ook in zijn leven.

Sport
Het belang van Jan Feith voor de sport in Nederland kan niet in enkele zinnen worden afgedaan, omdat men hem daarmee tekort zou doen. Met een beschrijving van al zijn sportieve belevenissen, zowel als sportman, sportjournalist en sportbestuurder kunnen meerdere nummers van De Oud-Hagenaar worden gevuld. Ik beperk me tot de hoofdlijnen. We hebben gezien dat hij op jeugdige leeftijd met zijn vriendjes voetbalt in het Haagse Bos. Later in Haarlem raakt hij bevriend met sportpionier Pim Mulier (1865-1954) en de legendarische schaatser en wielrenner Jaap Eden (1873-1925). Jan voetbalt in de voorhoede van de eerste Nederlandse voetbalclub H.F.C. en is lid van de Haarlemse atletiekclub ‘de Damiaatjes’. In Amsterdam, als student aan de Handelsschool, speelt hij bij RAP, tot een voetbalknietje een eind maakt aan zijn voetbalcarrière. Een blessure die toen niet behandeld kan worden. Voor Jan is dit de reden over te stappen op het wielrennen.

Wielrennen
Jan heeft talent voor (baan-)wielrennen. In augustus 1892 wordt hij door de ANWB – toen nog met recht een wielrijdersbond – uitgezonden naar een regenachtig Londen voor een race tussen een Engelse en een Nederlandse ploeg. Daar wint hij als 18-jarige debutant de wedstrijd over de Engelse mijl. Deze wedstrijd is een Haags onderonsje; als nummer twee finisht de Haagse wieleramateur Wim Rademaker. Wim Rademaker (1871-1941), de latere directeur van de befaamde ‘hopjes’-fabriek, behaalt in de jaren 1889-1896 op de wielerbaan veel successen, waarbij hij verschillende records vestigt. Zijn bijnaam luidt ‘de dreumes’, omdat hij klein van stuk is. De overwinning van Feith heeft een bijzonder tintje. Door regen en opspattende gravel zijn de glazen van zijn lorgnet rood gekleurd en daardoor bijna ondoorzichtig. Misschien denkt hij na deze overwinning even aan zijn bezorgde moeder die vlak voor zijn vertrek had gezegd: “Wees voorzichtig en vooral niet te hard rijden.” Jan Feith zal in 1892 en 1893 nog veel wielersuccessen behalen. Maar hij krijgt een geduchte concurrent in Jaap Eden. De wielersport inspireert hem tot het schrijven van het wielerblijspel ‘De Papa van Daisy Bell’ dat in 1895 – hij is dan 20 jaar – in première gaat. In dit stuk worden de verwikkelingen beschreven rond de invoering van een wet tegen het wielrijden, die het natuurlijk niet haalt. Daisy Bell, waarin op subtiele wijze een pleidooi wordt gehouden voor de (wieler)emancipatie van de vrouw, beleeft veel opvoeringen door het gehele land.

In 1896, als Jan bij het Algemeen Handelsblad begint, staat de sportjournalistiek nog in de kinderschoenen. Of eigenlijk… er is nog geen sportverslaggeving zoals we die nu kennen. De kranten vermelden uitsluitend ‘kale’ uitslagen, ranglijsten en aankondigingen van wedstrijden. Volgens Feith kan dit anders en beter. Dus begint hij wedstrijdverslagen te schrijven. Voor deze pioniersrol zal hij begin jaren twintig tot erevoorzitter worden benoemd van de Nederlandse Sportpers. Hoogtepunt van zijn sportverslaggeving is het verslag van de eerste officiële Elfstedentocht in 1909. Hij schaatst bijna de hele wedstrijd mee met de toekomstige winnaar; Minne Hoekstra, een theologiestudent. Toen deze in het zicht van de finish tekenen van vermoeidheid vertoonde, moedigt Feith hem aan met kreten als: “Toe domineetje, vooruit nou!” en “Allo domineetje een klein eindje nog maar!” En domineetje wint.

Sportbestuurder
Zijn sportieve prestaties, maar ongetwijfeld ook zijn adellijke afkomst, maken dat hij een veelgevraagd (bestuurs-)lid is voor sportcommissies en -organisaties. In 1924 is hij voorzitter van de Nederlandse Kunstcommissie voor de VIIIste Olympiade van 1924 te Parijs. Tot 1948 is er namelijk ook een kunstolympiade waarbij kunstenaars met op sport geïnspireerde kunstwerken goud, zilver of brons kunnen winnen. Ook bekleedt hij diverse functies in de hockey- en tenniswereld. Van 1912 tot 1921 is hij voorzitter van de Nederlandsche Lawn Tennis Bond. In deze functie doet hij veel voor de bloei van het Nederlandse tennis. Hij beseft dat spelers naar het buitenland moeten om op internationaal niveau te kunnen komen. Daarom organiseert hij landenwedstrijden en bevordert de Nederlandse deelname aan internationale toernooien zoals de ‘International Lawn Tennis Challenge’, de latere Davis Cup.

Tot het eind van zijn leven blijft Jan Feith schrijven. “Ik schreef om te… schrijven”, zegt hij vlak voor zijn dood. “’t Was m’n beroep; ik werd er voor betaald.” Inderdaad is schrijven zijn beroep, zoals blijkt uit de vele romans, jongensboeken, toneelstukken, gedenkboeken en artikelen voor bedrijven. Op latere leeftijd werkt hij mee aan de bekende plaatjesalbums voor de serie ‘Zwerftochten door ons land’ van de beschuitfabriek van Hille, die tussen 1931 en 1938 zijn verschenen.

Zijn laatste levensjaren in Marlot vallen samen met de Duitse bezetting. In 1941 verschijnen nog drie boeken van zijn hand, waaronder een over sport in Indië. Begin 1942 wordt de Nederlandse Kultuurkamer opgericht. Vele kunstenaars en schrijvers, waaronder ook Feith, weigeren lid te worden. Op 2 september 1944 overlijdt Jan Feith, na een ernstige ziekte, op zeventigjarige leeftijd. In de herdenkingsartikelen bij zijn dood wordt hij geroemd om zijn invloed op de ontwikkeling van de sport in Nederland en om zijn letterkundige en journalistieke kwaliteiten. Een van deze artikelen besluit met de opmerking: “In alle sportkringen zal Feith door zijn goed humeur, zijn onafscheidelijke humor en als vlot causeur niet vergeten worden.” De werkelijkheid is anders. Hij raakt al spoedig in de vergetelheid. Een enkele keer wordt zijn naam genoemd als de Elfstedentocht ter sprake komt. In publicaties over jeugdliteratuur wordt niet of nauwelijks aandacht aan hem besteed.

Het voorgaande geeft een zeer beperkt beeld van het leven en werk van jonkheer Johannes Feith. Het wachten is op een historicus die een biografie over hem schrijft; want hij was op vele terreinen een pionier en had contacten met interessante persoonlijkheden. In deze biografie zal sport ongetwijfeld de rode draad zijn.

Den Haag als sportstad
In 1934 bestaat de bekende Haagse boekhandel W.P. van Stockum honderd jaar. Een mooie gelegenheid om een boek uit te geven, het wordt ‘Het boek van Den Haag’. Dit boek geeft een beeld van karakteristieke Haagse zaken en de vooruitstrevendheid van de residentie. Onderwerpen als literatuur, toneel, architectuur, de band met Indië, de internationale gerechtshoven komen aan de orde en er is ook een hoofdstuk: ‘Den Haag als sportstad’. Voor dit hoofdstuk kan maar een Haagse schrijver in aanmerking komen: Jan Feith. Hij kent de sport en sportorganisaties van binnenuit en weet waar hij het over heeft. Bovendien zorgt zijn journalistieke achtergrond voor een populair en vlot geschreven artikel.

Zijn visie, waarom Den Haag omstreeks 1935 de sportstad van Nederland is, onderbouwt hij met argumenten en voorbeelden. Dit doet hij aan de hand van de geschiedenis van Den Haag, de geografische ligging van de stad en de vele takken van sport die er worden beoefend. Ook komen aan de orde de goede samenwerking tussen gemeente en sportbestuurders en de initiatieven van Den Haag om de jeugd te laten sporten.

Sportbeoefening heeft in Den Haag – aldus Feith – een lange voorgeschiedenis. In de middeleeuwen is er de jachtsport, door de Hollandse graven, in de wildrijke bossen rond ‘des Graven – hage’ en dan zijn er de balspelen op het Malieveld. In latere eeuwen wordt Den Haag een garnizoensplaats met sportief aangelegde militairen. Ook is het de woonplaats van rentenierende oud-Indischgasten en mondaine burgers, met hun sportieve liefhebberijen. Voorts verkondigt Feith de stelling, die nog steeds geldt, dat om te kunnen sporten de sportbeoefenaar sportgelegenheid nodig heeft, liefst zo dicht mogelijk bij huis. Sportvelden moeten makkelijk bereikbaar zijn, zwembaden mogen niet te ver van iemands woning liggen en sportcentra dienen een soort kernen in de stad te zijn. Welnu, volgens Feith voldoet Den Haag aan deze voorwaarden. We moeten bedenken dat toen Feith dit schreef de voeten en de fiets het voornaamste vervoermiddel waren, zodat de sportaccommodaties op loop- of fietsafstand moeten liggen. Maar er is meer. Den Haag is fraai gelegen met zee, strand en duinen aan de ene kant en poldergebied aan de andere kant, met daartussen uitgestrekt bosgebied; een ideale omgeving voor zeebaden, kamperen, paardrijden, wandelen en fietsen. Ook de open en ruime aanleg van de stad zelf is een belangrijke factor. Parken, bossen, speelplaatsen en sportterreinen vormen een natuurlijk onderdeel van het stadscomplex. Deze voorzieningen stellen de bewoners in staat zich naar lichaam en geest te ontspannen. Vermeldenswaard is volgens Feith dat de ligging van Den Haag ideaal is voor veldsporten. De meeste speelvelden liggen namelijk boven N.A.P. op zandige duin­grond en zijn dus niet drassig zoals de terreinen in de omgeving van Amsterdam en Rotterdam!

Zwembaden en sportvelden
Uit zijn betoog blijkt welke sporten tachtig jaar geleden in en om Den Haag populair zijn: zwemmen, paardensport, wielersport, wandelen, zeilen, roeien, schaatsen, voet­bal, hockey, tennis, waterpolo, atletiek, gymnastiek, cricket, golf, korfbal en turnen. Aan ieder van deze sporten besteedt Feith in meerdere of mindere mate aandacht. Meestal door het vermelden van het aantal clubs, leden en sportvelden. Zo komen we te weten dat Den Haag twee binnenzwembaden kent, de een aan de Mauritskade en de ander in de Weimarstraat (het Regentesse-bad). Maar het nieuwe zwembad in het Zuiderpark is voor Nederland een unicum. Dit zwembad telt twee bassins, gescheiden door een caisson. Dit caisson kan bij wedstrijden worden verwijderd, zodat een baan van 100 meter ontstaat. Volgens Feith is er nergens ter wereld een vergelijkbaar zwembad. Ter geruststelling van zijn lezers of lezeressen (?) benadrukt hij dat in alle Haagse zwembaden mannen en vrouwen een eigen kleedgelegenheid hebben en dat zij gescheiden zwemmen!

Dit gescheiden sporten geldt niet voor het schaatsen. Een sport die destijds alleen mogelijk is tijdens strenge winters op natuurijs. Meestal in het ‘wild’ op sloten, vijvers of meren. Maar ijs en weder dienende kan men ook gebruik maken van twee natuurijsbanen. Een van de Haagsche IJsclub die een ijsbaan bezit van 8,5 hectaren aan de Bezuidenhoutseweg nabij Huis ten Bosch. Deze baan zal weldra verdwijnen door de uitbreiding van Den Haag. Daarom is het een wijs besluit om een tweede ijsclub op te richten, genaamd ‘Nieuwe ’s Gravenhaagsche IJsvereeniging’. Deze vereniging heeft een ijsbaan bij de Bosjes van Pex.

Maar het liefst schaatst heel Den Haag op de vijvers van het Haagse Bos. Voor de echte schaatser zijn er – als sportief alternatief – de lange afstand tochten door het Zuid-Hollands meren- en plassengebied.

Net als tegenwoordig, is in de jaren dertig voetbal een populaire sport. Volgens een ruwe schatting van Feith zijn er 50 clubs met minstens 200 elftallen, die aan de KNVB-competitie deelnemen. Het aantal niet erkende voetbalclubjes is niet vast te stellen. Erkend of niet erkend; veel clubs leiden een onzeker bestaan, omdat zij door stadsuitbreiding van hun voetbalveld worden verdreven. Voor de statistiek vermeldt Feith dat de totale oppervlakte van alle voetbalvelden ruim vijftig hectaren beslaat.

Ook tennis is een belangrijke sport. Den Haag heeft in verhouding meer tennisbanen, minstens 100, dan andere sportieve steden en bij belangrijke tenniswedstrijden bevinden zich vaak Haagse spelers onder de kampioenen. En dan heeft Den Haag de primeur van de door architect Co Brandes ontworpen overdekte ‘tennis-hall’ in Marlot. Er liggen twee banen die ’s avonds op ingenieuze wijze elektrisch verlicht zijn, zodat de spelers tijdens het spel niet verblind worden.

Voorts besteedt Feith onder meer aandacht aan: roeien op de Trekvliet, het concours hippique op de Malie- of Alexandervelden, de jaarlijkse groei van het aantal hockeyclubs, het feit dat korfbal dertig clubs telt, de oudste Nederlandse cricketvereniging de Haagsche Cricket Club (opgericht in 1887), de Haagsche golfclub die 800 leden telt en de turndemonstraties in de zalen van de Dierentuin. Zo zijn er nog vele sporten die in Den Haag of naaste omgeving worden beoefend.

Sport wordt beoefend door alle lagen van de Haagse bevolking; ook door de bovenste laag. Zonder zijn naam te noemen maakt Feith melding van een (oud-)minister en lid van de Raad van State die nog steeds actief is als hockeyspeler, tennisser, zwemmer, fietser, etc. Hij verwijst hier naar de sportiefste minister die Nederland gekend heeft, namelijk mr. J.B. (Jan) Kan (1873-1947). Ter illustratie: als hij officieel een zwem­bad moest openen, deed hij dat door een duik in het water te nemen (natuurlijk in zwemkledij). En nu zullen er lezers zijn die denken Kan is dat niet de vader van…? Inderdaad, zijn zoon heet Wim.

Samenwerking
Feith concludeert dat sportieve activiteiten alleen tot stand kunnen komen door een goede samenwerking tussen gemeente en sportverenigingen. Hierbij is vaak het probleem waar de taak van de gemeente begint en waar die ophoudt. En wanneer de sportorganisaties deze taak oppakken of voortzetten. Zo kunnen zij op sportief gebied samengaan, elkaar aanvullen en versterken. In Den Haag is men, volgens Feith, erin geslaagd tot deze opbouwende samenwerking te komen.

Van deze samenwerking plukken we nu nog de sportieve vruchten. Voor de jeugd worden speelterreinen ingericht waarvan de aanleg gelijke tred houdt met de uitbreiding van de stad. Deze terreinen zijn zo ingericht dat zij geschikt zijn voor spelende kleine kinderen en oudere jeugd. Een ander gemeentelijk initiatief is het groeperen van openbare scholen om een centraal sport- en speelterrein. Als voorbeeld geeft Feith de scholencomplexen aan de Spionkopstraat en de Escamplaan. Belangrijk is dat deze terreinen, buiten schooltijd, ook bestemd zijn voor particuliere sportverenigingen. Het beheer en exploitatie van deze sportterreinen is in handen van de Stichting voor Haagsche Sport- en Speelterreinen. In het stichtingsbestuur zitten gemeenteambtenaren en afgevaardigden van particuliere sportorganisaties.

Na tachtig jaar zijn veel van deze sportcomplexen, bijvoorbeeld die aan de Escamplaan, nog volgens hun oorspronkelijke opzet in gebruik.

Een bruisende sportstad
Terugkijkend op het betoog van Jan Feith kunnen we constateren dat Den Haag destijds een bruisende sportstad was. De stad telde vele sportverenigingen, er waren goede sportvelden en landelijke sportorganisaties waren hier gevestigd. De gemeente nam belangrijke initiatieven om de schooljeugd te laten sporten en de samenwerking tussen gemeente en particuliere sportorganisaties was goed. Met het Zuiderpark-zwembad en de Marlot-tennishal bezat Den Haag twee sportaccommodaties van internationaal niveau. Kortom, Den Haag verdiende in 1934 volgens Feith met recht de titel ‘Sportstad van Nederland’.

Kees de Raadt
raadtvanleeuwen@ziggo.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann