Letterzetten in het slachthuis

Ik zet mijn fiets tegen het portiershok en zie dat de man binnen druk aan het bellen is, de zware bakelieten hoorn tussen wang en schouder geklemd. Onderwijl vult hij op een formulier allerlei zaken in en gebaart mij dat ik maar even buiten moet wachten.

Ik neem maar eens het grote terrein in ogenschouw, waar het, zelfs op dit vroege tijdstip al gonst van de bedrijvigheid. Het is een komen en gaan van grote vrachtauto’s waarvan enkelen heel cynisch opgefleurd zijn met lachende varkentjes. Ik zie achter hekken grote hoeveelheden koeien, schapen, varkens en geiten staan, wachtend op hun dood. Lachen doen de dieren alleen op de vrachtauto’s, hier wacht hun de hel. Want natuurlijk weten ze instinctief wat hun zo dadelijk te wachten staat, een snelle dood van hun veelal te korte leven.

Ik ben hier niet vrijwillig, ik word ook maar gestuurd. Het is in het kader van mijn eerste baantje, officieel als decorateur, maar als jonge jongen en nog zo groen als gras meer als duvelstoejager, min of meer speelbal van de boven mij geplaatsten. En goed beschouwd is dit helemaal niks voor mij, ik bewandel een totaal verkeerde weg, dat is wel duidelijk. Maar welke weg dan wél de juiste is en naar mijn interessegebied leid weet ik niet en mijn ouders en bekenden ook niet. Ik wil tékenen, illustreren, creatief zijn, dat soort zaken, maar bij gebrek aan beter moet ik het hiermee voorlopig doen.

De portier is uitgebeld en wenkt mij naar binnen. ‘Zeg het maar’, zegt hij roerend in z’n koffie en zonder verder notitie van me te nemen. Ik vertel hem dat ik hier ben om een tekst ‘veevervoer’ op een vrachtauto te schilderen, een sinds kort verplichte aanduiding. Hij weet het weer, heeft het al doorgekregen. ‘Je mot helemaal achter op het terrein zijn’, zegt hij, ‘En als je nou slím bent ga bínnendoor… dat is veel korter!’ Ik doe dus braaf wat de man zegt en loop met mijn doos verfspullen onder de arm de richting op die hij mij aanwees. De olijke blik is ’s mans ogen is mij ontgaan. Mijn fiets blijft zolang bij de ingang staan.

Ik kom bij een grote hal en stap een wereld binnen die ik het best kan vergelijken met de hel, de dierenhel. Een kakofonie van geluiden galmt door de hoge ruimte, angstschreeuwen mengen zich met machinegeluiden, mannen in met bloedbesmeurde witte overalls doen schijnbaar onaangedaan hun werk, begeleid door arbeidsvitaminen op het hoogste volume. Ik zie ongewild heftige taferelen. Dieren die zojuist nog in angst buiten wachtten, worden hier met een kopschot of andere methode tot zwijgen gebracht en al snel van kop en huid ontdaan, waarna ze in onderdelen worden gehakt of gezaagd. Een volgende ploeg verdeelt de karkassen in handzame brokken. Verder lopend zie ik een berg koeienkoppen in een plas bloed liggen en kan ik met moeite een man met kruiwagen ontwijken, de bak vol darmen die lillend op het loopritme bewegen. Het is hier een ommuurde, afgesloten gebied, waar je als buitenstaander geen benul van hebt. Terwijl ikzelf, als liefhebber van dieren, er nu grauw van ellende uit moet zien, zie ik verder niemand die hier enige afschuw toont. Dit werk moet wel afstompend werken, denk ik bij mezelf. Als je het hier kan uithouden moet je in staat zijn een denkbeeldige knop in je hoofd om te zetten óf, erger nog, totaal geen gevoel voor dieren hebben. Ach, de een zet fluitketels in elkaar, de ander demonteert dieren.

Ergens verderop is een kantine. Een deel van de mannen drinkt daar koffie en eet een boterham, sommigen vinden tijd om nog even een klaverjasje te doen. ‘Oók een bakkie?’, roept er een naar me. Maar ik wijs op m’n horloge en maak zo duidelijk dat me de tijd ervoor ontbreekt. Misschien laf, maar ik zou hier geen hap of slok naar binnen kunnen krijgen.

Dan ben ik tot mijn opluchting aan het einde van deze horrortocht. Via een grote klapdeur kom ik nu in een ruimte waar diverse vrachtwagens staan te laden. Eén ervan valt me op door een geel bordje zonder tekst boven de cabine, dat moet ‘m zijn. Ik loop naar de chauffeur, die een shaggie staat te draaien, en zeg wat ik kom doen.

‘Nou, dan mot je wel opschieten’, zegt hij, ‘want als ze klaar met laden zijn taai ik meteen af!’ Ik moet dus opschieten. Op mijn vraag hoe ik bovenop de hoge cabine kom, wijst hij met een hoofdbeweging naar een muur waar een groot formaat keukentrap staat.

Schokken
Na veel geworstel lukt het mij mijn doos met spullen en mezelf het dak op te krijgen. Boven me zie ik het gele bordje waarop dus ‘veevervoer’ moet komen te staan. Ik ga op m’n knieen zitten en begin boven en onderkant van het bord af te plakken, onderwijl gezellig meedeinend op de cadans van het laden. Snel teken ik, als steuntje, met potlood de tekst en probeer tussen de schokken door met penseel en zwarte verf de letters te schilderen. Maar menigmaal moet ik een letter weer wegvegen omdat ik door de bewegingen onder mij met het penseel uitschiet. Het is een worsteling tegen de tijd. Beneden me wordt geroepen: ‘Schiet je een beetje op?!’ En ik probeer nog vlugger te werken.

Uiteindelijk staat het er op. Het verdient geen schoonheidsprijs vind ik, maar gezien de omstandigheden kan het er mee door. En ik ben nog maar net van mijn hoge post weer beneden of ik hoor de truckmotor al brullen, de chauffeur schakelt in z’n één en weg is hij.

Wat versuft van alle gedoe zoek ik mijn spullen bij elkaar en maak aanstalten terug naar het portiershok te gaan. Een man spreekt me aan: ‘Naar de uitgang zeker? Als je nou slím bent…’ Ik wacht zijn verdere opmerkingen niet af en loop via een zijdeur de buitenlucht in. Eén tocht door de hel is wel genoeg voor vandaag…

Wim Hoogerdijk
whopictures@hotmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann