Ode aan de Nieuwe Scheveningse Bosjes

Bijna dagelijks maken we een wandeling met de hond door de Nieuwe Scheveningse Bosjes. Heel spannend en groot zijn de Bosjes niet, ze liggen ingekneld tussen de Badhuisweg, Pompstationsweg, Doorniksestraat en Brusselselaan en kunnen geen kant meer op. Maar het is gewoon het loopje geworden van je hond en van jou. Je komt dezelfde mensen tegen, dezelfde honden. De naam van de hond ken je wel, intieme verhalen van het baasje ook, maar de naam van het baasje… Je hoeft je er gelukkig niet voor te schamen, zo gaat dat eenmaal in de hondenwandelwereld.

De Nieuwe Scheveningse Bosjes, jaren geleden was ik de wandeling er nog niet begonnen of ik was al verdwaald en kwam steeds weer uit bij de rijweg. Wat een stom bos, dacht ik. Toen was daar opeens een prentbriefkaart uit circa 1910, met een afbeelding van een belvédère met parasol, opschrift ‘Nieuwe Scheveningsche Boschjes met Piramide’. Prachtig, dat zou je toch moeten kunnen terugvinden in die kleine bosjes. Het begeleidende verhaal uit 2010 vertelde, dat er nog een overblijfsel zou zijn van die parasol op dat duintopje. Ik kende maar twee toppen in het bos en zocht me daar suf naar overblijfselen. Zouden ze ‘archeologische’ overblijfselen bedoelen? Ik nam mijn schepje mee op zoek naar de ijzeren houder van de parasol, maar niks. Tijden later kwam ik er achter dat er nóg een duintop was, hoog en steil, in de zomer verscholen achter bladerrijke bomen. Wat een vondst! Ineens kregen de Bosjes een historische lading. Inderdaad, de ijzeren houder van de parasol stond er nog! Ik keek en ik keek om me heen, dit heette toch een belvédère? Er was geen uitzicht te bekennen, Kurhaus niet te zien, zeezicht, nee.

Wat wil je, de Nieuwe Scheveningse Bosjes dateren van 1892-1895. Als werkverschaffingsproject werden ze aangelegd voor de bewoners van de toenmalige nieuwe wijken rondom. Aanvankelijk om het stuivende zand de wacht aan te zeggen. Een hoge duintop werd midden in het bos opgeworpen en ingericht als uitkijkpunt, met zitbankjes rondom de parasol, de zogenaamde ‘Piramide’. Helaas zijn alle hoge duintoppen in de omgeving hun functie als uitkijkpunt kwijtgeraakt, we moeten blij zijn met groen en dat het te hoog of te veel wordt, daar moeten we niet over zeuren.

Overigens moeten we al helemaal niet zeuren over de huidige Nieuwe Scheveningse Bosjes, als je leest wat men er voor plannen mee heeft gehad. Wie herinnert zich niet Reindert Zwolsman! Projectontwikkelaar in de jaren zestig en zeventig. Heel Scheveningen moest op de schop om aanzien te krijgen! Er moesten activiteiten komen in groengebieden, publiekstrekkers moesten het worden! En wat waren zijn plannen met de Bosjes? Een dolfinarium met een levende tandwalvis en een kanovijver op de hoogste top, zoals een artikel uit De Waarheid van 6 juni 1968 vermeldt! Waarschijnlijk kostte de grootheidswaanzin van Zwolsman te veel geld, veel van zijn plannen in Scheveningen zijn niet doorgegaan, gelukkig!

Toch hebben deze bosjes iets, de dennen doen denken aan de zee. Het is een lief bos. Het is vertrouwd. Uit een krantenartikel in Het Vaderland van 12 april 1933 blijkt, dat een zekere L.W. net zo denkt over de bosjes, hij houdt er van, vanwege het ‘boschachtige’, ook hij verdwaalt. Hij merkt nog een aantal andere dingen op. Wat is er veranderd, nu 81 jaar verder, en wat niet? De lezer kan het zelf invullen.

Boschjes…
‘Den Haag munt uit in Boschjes, …van al die boschjes, … houd ik nog het allermeest van de Nieuwe Scheveningsche. Die hebben zooiets… boschachtigs…Natuurlijk: er zijn té mooie paden in, dat geef ik toe, ze zijn te netjes om te kunnen doorgaan voor pure natuur, er fietsen teveel agenten in en de Blauwe Tram raast er dwars doorheen, wat aangenaam is voor de passagiers, maar sneu voor de boschjesmenschen. En niettemin…, welk een genot verschaffen die boschjes, waar het nog betrekkelijk stil is… Ze zijn geaccidenteerd, deze boschjes, met elegante heuveltjes, zóó comfortabel, dat ook oude dames ze bestijgen kunnen, er is een belvédère zonder entrée, puur gratis en zonder prentbriefkaartenstalletje… Het is er best en het eenige bezwaar is, dat je er weer zoo gauw uit bent, als je den truc niet kent. Die truc is natuurlijk: het pad te vinden dat er nog het langste over doet, dat pad is er, dat weten de ingewijden, maar de anderen loopen onbeholpen en staan op eens in de Brusselsche laan, of voor één van de tallooze beveiligde levensredders-hekjes, die de directie van de Blauwe Tram heeft laten aanbrengen, om het spatten van het bloed een beetje tegen te gaan… De Nieuwe Scheveningsche Boschjes zijn zóó ingebouwd, dat ze ze niet meer kunnen uitbreiden. Maar laat ons blij zijn met wat we hebben en niet eeuwig en altijd méér begeeren! Ik herhaal: het is er heerlijk. En het is er netjes. En Haagsch. Er promeneert een goed publiek, er staan vele bankjes… Ik wandel graag in deze boschjes. …de Boschjes zónder uitspanning, zonder schoolkinderen op vacantiereisje, zonder autobewaarplaats, zelfs zonder flikjes-automaat en dergelijke voordeelen van de West-Europesche beschaving… Dat maakt, dat ik van die Boschjes ben gaan houden. Er is iets van: kost geen geld, van: enkel voor de mooiigheid en niet om er ook nog gauw aan te verdienen. En dat is eigenlijk al bijna natuurschoon genoeg.’

De schrijver brengt ons wel op een idee, een flikjes-automaat, een ‘voordeel van de West-Europesche beschaving’! Wat zou er heerlijker zijn dan tijdens de wandeling voor vijf eurocent een Drosteflik uit een automaat te trekken. Of nee, het idee dat zo’n automaat nog zomaar in het bos zou kunnen staan, is eigenlijk nog aantrekkelijker dan de flik zelf.

Eeke Crabbendam
crab@telfort.nl2

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann