Drie familieleden werkzaam bij Bell-fabriek

In 1939 begon Jan de Graaf te werken in de fabriek van Bell (BTMC), waar telefoons en centrales in elkaar werden gezet. Het bedrijf was gelegen aan de Scheldestraat. Na hem zou later zijn dochter Dicky bij de Bell in dienst treden en toen zij in 1966 huwde met Ger Knoester, waren uiteindelijk drie familieleden werkzaam bij hetzelfde bedrijf. Op een gegeven moment zaten ze zelfs in hetzelfde gebouw aan de 1e Van der Kunstraat.

Jan de Graaf (1912-2010) was geboren te Numansdorp op het Zuid-Hollandse eiland de Hoekse Waard, waar zijn vader en moeder een groot gezin de kost moesten geven. Het was een tijd van hard werken. Iedere cent werd menigmaal omgedraaid. Inmiddels waren twee kinderen uit het gezin naar Den Haag vertrokken, waar ze een baan hadden als politie-agent. Ook Jan had hier wel zin in en verhuisde eveneens naar de Hofstad. Helaas waren de lichamelijke eisen te hoog en kwam hij niet door de keuring heen. Geestdriftig ging hij op zoek naar een andere baan. Het duurde niet lang of hij kon aan de slag bij de Bell-fabriek in de Scheldestraat. “Dat moet in 1939 zijn geweest”, weet dochter Dicky Knoester-Van der Graaf aan te vullen. Jan was toen 27 jaar en was dolblij een serieuze baan te hebben, want op het eiland was weinig werk en zat hij wat in de fruitteelt om wat hand- en spandiensten te verrichten.

Ons bedrijf
Inmiddels was hij getrouwd met Sjaan Verschoor en in 1941 werd dochter Dicky geboren in hun woning aan de Ribesstraat. Ze groeide vol liefde op in het kleine gezin, waar ze enig kind bleef totdat in 1953 broer Hans op de wereld kwam.

“Vader had het reuze naar zijn zin en kon altijd smakelijk vertellen over ‘ons bedrijf’, zoals hij de Bellgigant constant noemde. Hij was trots op het bedrijf en sprak er thuis graag over. In feite was hij een soort instrumentmaker, die zich kon uitleven in het kleine priegelwerk dat moest worden verricht in de telefoonfabriek. Jan was een geduldige, rustige man, die de kunst verstond om nauwgezet zijn arbeid te verrichten.” Over de oorlogstijd weet Dicky zich niets meer te herinneren, ze was immers pas een kleuter toen de oorlog voorbij was. Maar wel weet ze dat de verhalen over Bell met de paplepel werden ingegoten. Vader kon goed overweg met zijn collega’s en door al dat enthousiasme was het niet zo verwonderlijk dat zijn dochter ook in het bedrijf zou komen werken.

Nummer 2
Maar zo simpel ging dat niet. De dochter had een eigen willetje en een heel andere interesse. Ze wilde liever de verpleging in en begon voortvarend aan een verpleegstersopleiding in Emmen. Ze vertelt met veel plezier over de avonturen die ze daar heeft meegemaakt. “Wat een heerlijke en ondeugende tijd was dat!” Die meiden onder elkaar wisten wel van wanten! Maar Den Haag had ook zijn charme en Bell bleef de gemoederen bezighouden. Het bedrijf, dat inmiddels ITT was gaan heten en nog later als Alcatel door het leven ging, werd alsmaar groter en fascinerender. Door de uitbreiding kwam er een plekje vrij op de loonadministratie en zodoende kwam nummer 2 alsnog binnen het bedrijf terecht.

Loonadministratie
In 1962 werkten vader en dochter alletwee op de locatie Van der Kunstraat. Hij in de fabriek en zij tussen de witte borden op het kantoor. Wrijving heeft het nooit gegeven. Ze zagen elkaar nauwelijks tijdens het werk. Ook de lunches waren op verschillende tijden. Tijdens haar werk ging er veel geld door haar handen. De fabrieksmedewerkers kregen iedere week een gevuld loonzakje en het kantoorpersoneel iedere maand. Verschil moet er zijn! Nee, haar vader, heeft ze nooit aan het loket gehad, daarvoor was een tussenpersoon die de loonzakjes dan later in de fabriek uitdeelde. Met een taxi haalde ze al het geld uit de Scheldestraat en bracht het naar de Van der Kunstraat. Dan was het tellen en verdelen geblazen. Een secuur karwei, want als de boel niet klopte dan moest alles weer over. Met een grote telmachine ging ze aan de slag. Samen met enkele collega’s, waarvan hun naam haar te binnenschiet. Carla Scheen, Frans Wareman, Leo van Driel, Constant Lindeman. “Zouden ze nog leven?”, vraagt ze zich spontaan af. In de achttien jaar dat ze bij het bedrijf heeft gewerkt, zag ze veel veranderen. Op een gegeven moment kwam Brother de loonadministratie langzaam automatiseren. Samen met enkele andere collega’s vormde ze een computerafdeling en ging het team ponskaarten tikken om de computer mee te vullen. Het was de eerste stap naar een versnelde uitbetaling. Achteraf kan je erom lachen, maar toentertijd was het een groots gebeuren. De techniek schreed voorwaarts en weldra gingen de uitbetaling via banden naar de bank om de salarissen op de rekening te laten bijschrijven.

Nummer 3
De Bellfabriek had nog een andere verrassing in petto: haar man! Dicky weet overtuigend te vertellen, dat ze altijd met haar eigen pen schreef. Daar was ze op gesteld omdat hij zo lekker in haar hand lag. Op een dag kwam een vriendelijke jonge employé zijn geld ophalen bij het loket en ondertekende voor ontvangst. De man groette en ging vriendelijk weg. Dicky meende dat hij haar pen had meegenomen en zei: “Meneer, u gaat er met mijn pen vandoor!” De vriendelijke jongeman vertelde dat het zijn eigen pen was en bij een blik op haar bureau zagen ze dezelfde pen liggen. Wat toevallig, dat ze beiden dezelfde pen hadden. Ze moesten wel voor elkaar gemaakt zijn. In ieder geval was het de eerste kennismaking en weldra volgde de rest van de romance met als slot het huwelijk in 1966 met Ger Knoester. Het was nauwelijks te geloven dat nu drie familieleden onder hetzelfde dak werkzaam waren. Een situatie die overigens niet lang heeft geduurd. Door de uitbreiding ging haar man spoedig naar een gebouw op de Binckhorst en later de Plaspoelpolder. De vader van Dicky ging in 1977 met pensioen. Hij zat in de ondernemingsraad waar hij het sociale gezicht van het bedrijf mee hielp te bepalen. De man ging na zijn pensionering, genieten van zijn vishengeltje en het liefst deed hij dat op de Hoekse Waard: zijn geboortestreek.

Het bedrijf had ook – net als zoveel bedrijven – een eigen voetbalteam en verder werd er van alles gedaan om de sociale samenhang te bevorderen. Van tafeltennis tot bedrijfsuitjes. Het zijn onvergetelijke tijden om op terug te blikken. En dan die keer dat ze met de baas gingen kamperen op Duinrell. Het recreatiepark was nog jong en bestond voornamelijk uit een grasveld met bomen en veel tenten. En daar hebben ze zo’n plezier gehad! Het vermaak werkte besmettelijk en sloeg over naar een tent verderop, waar ook collega’s zaten. Uiteindelijk kwamen ze gezellig bij elkaar buurten en hebben een heerlijk dag beleefd. Prachtige herinneringen!

Ger Knoester (1941-2015)
Over Dicky’s man, Ger Knoester, vallen alleen maar goede dingen te vertellen. Hij had gediend bij de Marine op Valkenburg en heeft zijn hele leven alleen de Bell en zijn opvolgers als baas gekend. Tevreden werkte hij door tot zijn zestigste, toen hij in 2000 met vervroeg pensioen kon. Het was de tijd dat het sociale gezicht van het bedrijf steeds meer deukjes begon te krijgen net zoals de hele samenleving. De collega’s waren meer concurrenten van elkaar geworden dan personeel dat met elkaar moest samenwerken. Het voetballen, tennissen, het uitgaan, de gezellige sfeer leek allemaal voorbij. Het was allemaal veel zakelijker geworden. Ger had gewerkt op verschillende afdelingen: Electro, Octrooien, Onderzoek en vermoedelijk nog wel enkele. Hij was een ambachtelijk man. Wat zijn hoofd bedacht, konden zijn handen maken. Uiterst creatief, zowel op het werk als thuis. Naast zijn werk was hij actief bij de voetbal (DUNO) en ook was hij geregeld op de tennisbaan te vinden. Bescheiden wijst Dicky naar een schilderij aan de wand dat door haar man is geschilderd. Hij kon zich heerlijk terugtrekken en de rust vinden om te schilderen. Niet voor niets had hij bij zijn afscheid een schildersezel gekregen.

F.J.A.M. van der Helm
helmhuis@ziggo.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann