Aangrijpend dagboek over vrijheidsstrijd

Onlangs is van de hand van de Haagse gemeenteambtenaar Dinah Marijanan (1956) een bijzonder boek verschenen. Het is getiteld ‘Njonja’ en het betreft het dagboek van de weduwe van de voormalige president van de Republiek der Zuid-Molukken, mr. dr. Chris Soumokil. Njonja betekent ‘Moeder van het Volk’ en zo wordt mevrouw Soumokil nog steeds door de Molukse gemeenschap beschouwd.

Aan de hand van de notities, die Njonja tijdens het jarenlange verblijf van haar en haar man in de binnenlanden van het Molukse eiland Ceram heeft bijgehouden, en ook op basis van enkele met haar gevoerde gesprekken beschrijft Dinah Marijanan een adembenemend verhaal over een welhaast uitzichtloze vrijheidsstrijd onder buitengewoon zware omstandigheden.

Wie was deze Chris Soumokil? Christiaan Robbert Steven Soumokil werd in 1905 in Soerabaya geboren. Zijn vader was directeur van het postkantoor aldaar. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden en woonde in die tijd in Oegstgeest. In 1934 promoveerde hij op het proefschrift “De deskundige in de Nederlandsch-Indische jurisprudentie – studie van materieel strafrecht”. Kort daarna keerde hij terug naar Nederlands-Indië, waar hij na de onafhankelijkheid van Indonesië hoge ambtelijke en politieke functies bekleedde in Makassar. Zo werd hij minister van Justitie in de deelstaat Oost-Indonesië, waar de Zuid-Molukken onderdeel van vormden. Toen duidelijk werd dat de regering in Jakarta van plan was de verschillende deelstaten op te heffen en de staatsvorm wilde omvormen tot een gecentraliseerde republiek, werd op 25 april 1950 de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (Republik Maluku Selatan) uitgeroepen. Nog steeds wordt in Nederland op 25 april de proclamatie van de onafhankelijkheid van de RMS herdacht. Vele jaren vond op die dag in de Houtrusthallen in Den Haag een massaal bezochte herdenkingsplechtigheid plaats. Kort na de onafhankelijkheidsverklaring werd Chris Soumokil gekozen tot president van de republiek. Het antwoord van de Indonesische regering liet niet lang op zich wachten. Verschillende eilanden van de Zuid-Molukken werden door militairen bezet en Soumokil en zijn medestanders moesten uitwijken naar het eiland Ceram. Van hieruit begonnen de RMS-strijders een guerrilla tegen het Indonesische leger. Op Ceram ontmoette hij in 1951 een 17-jarig meisje, Josina Taniwel, die zijn vrouw zou worden. En hier begint ook het verhaal dat Dinah Marijanan heeft opgetekend aan de hand van de dagboeknotities die Josina – oftewel Njonja – heeft gemaakt. Het onwaarschijnlijke verhaal van een lange tocht door de ondoordringbare oerwouden van Ceram van een jonge vrouw met haar man, de politiek leider van een onafhankelijkheidsbeweging die door het Indonesische leger steeds verder in het nauw wordt gebracht. Zo wordt het echtpaar telkens gedwongen te vluchten van dorp naar dorp en van kamp naar kamp onder bijna onmenselijke omstandigheden. Bij een inval van Indonesische troepen in het kamp waar de familie verblijft worden Njonja’s moeder en twee jongere zusjes gedood; haar vader wordt vermist. Het verblijf in de kampen wordt nog vele malen zwaarder, als op 26 augustus 1954 hun zoon Thommy wordt geboren. Het is bijna niet voor te stellen hoe een jonge moeder van net twintig jaar onder dergelijke primitieve omstandigheden voor haar baby kan zorgen. Op de vlucht voor oprukkende Indonesische troepen moet het gezin met enkele vertrouwelingen regelmatig en vaak in allerijl het kamp opbreken en op zoek gaan naar een veiliger schuilplaats. Zo lang als het duurt, want militair gezien zijn de Indonesiërs aan de winnende hand tegen de vaak ongeorganiseerde en matig bewapende strijders van de RMS. Een citaat uit het boek: ” 28 december 1957 ergens op west-Ceram. Sinds de aanval op de omgeving van Lumioli trekken wij weer voortdurend van plek naar plek in het oerwoud. De strijd is opnieuw in alle hevigheid losgebarsten. We blijven niet langer dan twee dagen op één plek. Heel af en toe verlaten we onze schuilplek en bezoeken we even één van de kampongs in de binnenlanden. We zijn inmiddels geheel gewend geraakt aan het leven in het oerwoud. We houden ons zoals altijd aan een vast dagschema. Dat betekent onder meer dat we pas koken als het donker is.” Onderwijl wordt de toestand voor de RMS-strijders steeds nijpender, zowel militair als politiek. Soumokil komt tot de conclusie dat de Molukkers in Nederland er kennelijk niet in slagen de zaak van de RMS bij de regering in Den Haag of in internationaal verband aanhangig te maken. Men kan zich afvragen wat hem tot zijn missie drijft. Hij gaf een veelbelovende loopbaan bij het openbaar bestuur op, terwijl hij alle mogelijkheden bezat om het ver te schoppen in de nieuwe Republiek Indonesië. Hij is trouwens niet eens opgegroeid op de Molukken en heeft notabene een Nederlandse moeder. Waarom heeft hij dit zekere bestaan opgeofferd voor een loodzware strijd voor de onafhankelijkheid van een eilandenrijk waar zijn wieg niet eens heeft gestaan? Volgens het boek antwoordt hij zijn vrouw op deze vraag als volgt: “Jij weet als geen ander dat dit land, dit volk, een eigen geschiedenis, een eigen identiteit en een eigen cultuur heeft, die ver afstaan van die van de overheersers. Ook al ben ik hier niet opgegroeid, toch voel ik mij tot in mijn diepste poriën verbonden met dit land en dit volk.”

Aan de ongelijke strijd tussen de steeds verder oprukkende troepen van het Indonesische leger en het op de vlucht zijnde gezin Soumokil komt in de nacht van 2 op 3 december 1963 een einde, als een bataljon van een man of dertig de schuilplaats van het gezin binnenvalt en Soumokil arresteert. Het verblijf in de binnenlanden van Ceram heeft dan bijna dertien jaar geduurd. Soumokil wordt met zijn vrouw en zoontje overgebracht naar Jakarta, waar hij in 1964 na een proces van amper vier dagen ter dood wordt veroordeeld wegens staatsondermijnende activiteiten. De voltrekking van het vonnis vindt twee jaar later plaats op 12 april 1966, nadat verzoeken om een nieuw proces waren afgewezen en pogingen om Soumokil een vrijgeleide te geven naar een ander land op niets waren uitgelopen. Njonja, Tommy en haar enige overgebleven zuster Tina vertrokken kort hierna naar Nederland. Nog altijd hebben de Indonesische autoriteiten Njonja niet willen vertellen waar zich de laatste rustplaats van haar man bevindt.

Dinah Marijanan heeft een aangrijpend boek geschreven over Njonja Soumokil, een vrouw die als echtgenote van de president van de RMS grote persoonlijke offers heeft moeten brengen. Het boek is een terecht eerbetoon aan deze bijzondere vrouw. De schrijfster heeft het eerste exemplaar aan Njonja aangeboden. Ook heeft zij een exemplaar overhandigd aan burgemeester Van Aartsen, die te kennen gaf zeer geïnteresseerd te zijn in dit onderdeel van de geschiedenis en het persoonlijke verhaal van Njonja Soumokil. Het boek is bij de auteur te verkrijgen door 13 euro (inclusief verzendkosten) over te maken op bankrekening NL42INGB0007489119 t.n.v. D. Marijanan o.v.v. ‘Njonja’.

Hans Lingen
hrlingen@gmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann