Austin 1100 Glider

Na de introductie van de Mini had BMC (The British Motor Company) de smaak te pakken van dit soort auto’s met veel ruimte, motor dwars geplaatst, wielen op de uiterste hoeken en Hydrolastic vloeistofvering en dus introduceerden zij de Austin 1100 Glider.

En niet alleen deze, maar met dit model als basis, introduceerden zij gelijksoortige onder hun andere merken, zoals de Morris 1100, Wolseley 1100, Riley Kestrel, MG 1100 en de Van den Plas Princess 1100, met her en der een stukje extra merkidentiteit. Maar zoals gezegd, de basis was hetzelfde. Slim, hè?

Terug naar de Austin. Een vlot vierdeursmodel met een ruimtelijk interieur en daarmee bedoel ik ‘een beetje kaal’, want alles was ondergeschikt gemaakt aan opbergruimte. Ik kan mij nog herinneren dat de vader van een schoolvriend Leo Leutscher uit Voorburg zo’n tweedeursmodel had.

Het dashboard was een smalle rand metaal met voor je een smalle snelheidsmeter met drie tuimelschakelaars, het contactslot, een trekknop van de choke, een drukknop voor de ruitensproeiers en vier controlelampjes, met in het midden ruimte voor een optionele radio met Midden en Lange Golf en daarnaast alleen maar metaal. Daaronder over de hele breedte een royale aflegplank waar links en rechts ruimte was voor kleine kleinigheden. En daaronder de schuifjes voor de kachel en links van de bestuurder een zwart rond bakje in een zwart houdertje, dat moest dienen als asbak. Lekker handig daar beneden.

Het stuur had de typische Mini-stand en was wat schuin naar het midden geplaatst, zodat je er wat scheef voor zat. De plaatsing van het stuur was ook wat hoog. Kan nooit echt lekker gestuurd hebben naar mijn idee. Het contactsleuteltje was er een uit de Union-serie, een wat trapeziumvormig exemplaar dat ik nog in mijn collectie heb, met als code FS954. Het aardige was dat om de sleutel een lapje kunststof was bevestigd waar je de sleutel in kon draaien, zodat de sleutelbaard geen slijtage aan je jas- of broekzak kon veroorzaken. En ja, het lapje kunstleer was hetzelfde als de kunstleren binnenbekleding van de auto. Leuk, toch? Het portier van binnenuit openen deed je door een langwerpig zwart kunststoffen hendel, dat licht naar beneden gericht stond, omhoog te duwen en dan snel het andere deurhendeltje te grijpen om het portier vast te houden. Geen armsteunen, want die zaten alleen achterin. In de portieren grote opbergvakken voor van alles en nog wat. Natuurlijk waren de voorportieren voorzien van de bekende tochtraampjes, de ideale binnenkomer van het inbrekersgilde. De stoelen waren in die tijd flink in lengte verstelbaar. De bagageruimte was mooi plat en vierkant, maar je moest wel uitkijken dat je ruimte overliet voor de inscharnierende metalen beugels, anders werd bij het sluiten de bagage geplet. Handig was de toen gebruikelijke hoedenplank tussen het achterraam en de leuning van de achterbank. Nou, ja, handig? Alles wat je daarop legde zeilde tijdens het rijden regelmatig van links naar rechts. De benzinedop was overigens niet met een sleutel afsluitbaar. Dat kon in die tijd nog. Rijden deed de 1100 Glider heel plezierig. Uitstekende wegligging, straffe maar toch comfortabele vering en het mooie vond ik altijd de diepbruine uitlaatbrom. Voor de rest was hij typisch Engels afgewerkt en dat betekende in die tijd dat er nog wel eens wat vanaf viel, zoals een raamlijst of zo. Desondanks een hele fijne Britse auto!

John Vroom (autojournalist)
johnvroom@planet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann