Lager onderwijs in de jaren zestig (3)

Rond 1960 begon de ellende. Ineens kwam het idee op, dat er moest worden vernieuwd. Sindsdien lijkt men zich op scholen nog slechts uitsluitend bezig te houden met vernieuwing. Mensen die nog nooit een krijtje in hun handen hebben gehad, weten van geen ophouden en denken nu al te weten wat goed is voor onze kinderen in 2032.

Daar zaten we dan. Met z’n 35-en allemaal op een rijtje langs de oever van de Vliet langs de Delftweg. Allemaal met een hengel in de hand. Het was op een zomerse woensdagmiddag in 1964. Wekenlang hadden we er naar toe geleefd. De lessen biologie gingen over vissen. We hadden ons verdiept in aas en aassoorten. Maden werden van te voren door Teddy en Ronny in ruime hoeveelheden aangeschaft. Brood werd met geheimzinnige ingrediënten gekneed tot een culinaire uitdaging voor al wat maar onder water zwemt. Hengels werden gereserveerd bij vaders, oudere broers en ooms. Vier jongens, waaronder Valentijn van der Broek, hadden zelf een hengel en werden aangesteld als begeleiders van de anderen.

Achteraf weet ik nu vrijwel zeker, dat het, toen we daar eenmaal aan de oever van de Vliet zaten, voor driekwart van mijn leerling niet alleen de eerste, maar tevens de laatste keer zou zijn dat ze gevist hadden. Zelf was ik ook geen enthousiast visser. Maar als normaal ontwikkeld mens moest je in je leven toch tenminste één keer hebben gevist, zo meende ik.

Wonderbaarlijke visvangst
Na tien minuten waren alle problemen, zoals in war zittende vislijnen, meisjes die geen wurm aan het haakje durfden te doen en Tommy die half in het water was gevallen, door het begeleidingsteam opgelost en zaten we allemaal vredig te wachten tot er een dobber onderging.

Dat duurde niet lang. Dat was de dobber van Valentijn. Die haalde de vis deskundig binnen en gooide hem weer terug. Want dat hadden we afgesproken. Na tien minuten weer. Opnieuw de dobber van Valentijn. En toen nog een keer. Alwéér Valentijn. Gelukkig had nu ook Frans beet en kon een ander eens bijdragen aan de totaalscore.

Om een lang verhaal kort te maken luidde de eindscore:

Valentijn: 12

Frans: 1

Siem: 1

Beppy: 1

En dit ondanks het feit dat Valentijn zijn hengel, zijn plek en zijn aas gedurende de middag wel vier keer afgestaan had aan anderen. Want daar lag het natuurlijk allemaal aan.

Ik begrijp zelf tot op heden ook niks van deze wonderbaarlijke visvangst maar denk er nog steeds met veel plezier aan terug.

‘De tien rode potloden’
Op mijn school in Rijswijk was het de gewoonte, dat als iemand de inspecteur zag aankomen, hij dit aan zijn collega’s liet weten door onmiddellijk een leerling de klassen rond te sturen met de vraag of hij ‘de tien rode potloden even voor de meester of juf mocht lenen’.

Die code was nodig omdat het bepaald niet onmogelijk was, dat de inspecteur inmiddels al ergens in een klas zat te snuffelen in de cahiers. En we konden het natuurlijk niet maken om dan een leerling de klassen rond te sturen met de boodschap: ‘Juf! (of: Meester!) De inspecteur is er! Ruim alles gauw netjes op en zorg dat u bezig bent met de les die in het rooster vermeld staat!’

Nu wilde het geval, dat de inspecteur al bijna een jaar niet was geweest. Maar toen ik uit het raam van de klas naar buiten keek zag ik hem toevallig net uit z’n auto stappen. Snel dus Siem de klassen rondgestuurd met de opdracht om steeds tien rode potloden te lenen.

Hij kwam terug met dertig rode potloden. Drie van de zes collega’s waren de afspraak vergeten.

Laatst sprak ik een vriend hierover die zelf ook onderwijzer in het lager onderwijs was geweest. In Middelburg. Hij herkende het verhaal onmiddellijk. Alleen was de code bij hem op school ‘de drie grote scharen’.

Typisch, dacht ik toen. Zou het een landelijk verschijnsel zijn geweest? En zo ja, hoe luidden die code’s dan. Ik zou dat graag willen onderzoeken. Dus als u er meer van weet: julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email

Onderwijsvernieuwing
En dan moet me tenslotte toch iets van het hart. In de jaren zestig ontstond in het onderwijs iets dat ‘onderwijsvernieuwing’ is gaan heten en al na tien jaar spottend ‘onderwijsvernieling’ werd genoemd. Maar daarna vaak onder de meest wonderlijke benamingen toch weer hardnekkig opdook. Het hield niet op.

De ene vernieuwing was nog niet mislukt of de volgende diende zich alweer aan. Dat kostte allemaal zoveel tijd en energie, dat men zich in het onderwijs nog vrijwel uitsluitend bezig kon houden met vernieuwing in plaats van met de wezenlijke en leuke dingen in het onderwijs zelf. In een tijd dat de scholen almaar groter werden en de kinderen zich dus meer en meer van elkaar vervreemden.

Is het einde in zicht?

Welnee.

De laatste onderwijsvernieuwing (oktober 2016) strekt zich zelfs uit tot 2032. Mensen die zich daarmee bezig houden weten kennelijk nu al wat het beste is voor kinderen over 15 jaar.

Een bedenkelijk bijverschijnsel bij vrijwel iedere onderwijsvernieuwing is steeds, dat de laag ‘onderwijstussenbaasjes’ (vroeger noemden ze dat: ‘mensen die nog nooit een krijtje in hun handen hadden gehad) almaar groter en dikker wordt. Steeds meer mensen die zelden een klas van binnen hebben gezien, gaan de mensen in zo’n klas vertellen hoe ze zich moeten gedragen. In de meeste gevallen komt dat neer op het invullen van formulieren, het schrijven van verslagen, het onder woorden brengen van van alles en nog wat en het bijwonen van steeds maar meer vergaderingen.

En dus minder tijd voor de kinderen zelf.

Zo. Dat moest er even uit. Moet u ook iets van het hart na zestig jaar onderwijsvernieuwing? Mail het naar: julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Julius Pasgeld

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann