Lager onderwijs in de jaren zestig (1)

Drie keer per jaar in de pauze een half uur vergaderen op het kamertje van het hoofd der school. Een jaarlijks routinebezoekje van de inspecteur. Dat was alles. Verder mocht je het als leerkracht voor een klas van 35 leerlingen zelf uitzoeken. Geweldig! Maar eerst dus die vaste aanstelling.

In 1963 stapte ik voor het eerst een klaslokaal binnen om daar nu eindelijk eens zèlf de baas te spelen. Van binnen hypernerveus. Maar van buiten de rust zelve. Op de Kweekschool had ik weliswaar geleerd, dat kinderen, als er een nieuwe leerkracht de klas instapt, direct al door hebben wat voor vlees ze in de kuip hebben. Maar ik meende toch, dat ik me niet kon permitteren te laten zien hoe ik me werkelijk voelde. Ik stelde me voor en vertelde mijn kersverse toehoorders, dat ze een jaar lang vrijwel íedere dag met me te maken zou hebben. En dat ik daarom hoopte dat we het goed met elkaar zouden kunnen vinden. Daarna mochten ze iets over zichzelf vertellen.

We vonden het, zo bedenk ik me achteraf, allemáál wel spannend en hoopten allemáál dat we het met elkaar zouden treffen. Maar ja. Op zo’n eerste schooldag weet je dat maar nooit.

Twee jaar lang heb ik als onderwijzer voor de klas gestaan. Op de Huis te Nieuburch lagere school aan de Wijnandt van Elststraat in Rijswijk. Onderwijzer, ja. Omdat dat toen nog geen leraar of docent heette. En in Rijswijk, omdat je daar, als je eenmaal ‘vast’ was aangesteld, een huis kreeg. En dat was in die tijd van woningnood natuurlijk een godsgeschenk.

Die vaste aanstelling bleek echter nog een hele toer. Van het hoofd der school, de heer Damsteeg, kreeg ik te horen dat hij na een half jaar ineens onaangekondigd bij mij in de klas op bezoek zou komen, vergezeld van de inspecteur van het lager onderwijs, de heer De Joode en de Rijswijkse wethouder van onderwijs, de heer Brederode.

Ik betrok mijn leerlingen in het complot door ze te vertellen dat het hoofd weldra, onverwacht met twee andere heren de klas in zouden komen om te kijken ‘hoe de meester het deed’. Deed-ie het goed, dan kreeg hij een huis in Rijswijk. Deed-ie het niet goed dan moest hij nog een jaar langer iedere dag op de fiets van de Haagse bloemenbuurt naar de Wijnandt van Elststraat. Daar voegde ik aan toe, dat het natuurlijk vooral van het gedrag van de leerlingen af zou hangen of de meester het goed zou doen of niet. En zo oefenden wij van te voren urenlang op dat bezoek.

‘Netjes geschreven!’
Een andere voorbereiding betrof het instellen van twee soorten schriften voor rekenen en taal. Kladschriften waarin naar hartenlust geoefend kon worden en die ik slechts steekproefsgewijs af en toe eens nakeek. En netschriften, waar alleen keurig in geschreven mocht worden, waarin ik àlles minutieus nakeek en waarin ik zeer goede prestaties voorzag van een stempel met daaronder ‘Goed gedaan hoor!’. Of: ‘Netjes geschreven!’.

‘En, Siem’, (zo droeg ik Siem van Leeuwen, mijn meest trouwe leerling, tijdens de voorbereidingen op het bezoek van de inspecteur en de wethouder op) ‘En Siem, als ze de klas in komen sta jij op en begeleidt ze beleefd naar de drie stoeltjes achterin de klas. En als ze vragen of ze de schriftjes in kunnen kijken, geef jij ze alleen de stapel netschriften! Alléén de netschriften! Heb je me goed gehoord?’

Zo naderde de dag waarop we hoopten, dat we met z’n allen een buitengewoon intelligente en beschaafde indruk op de heren zouden maken.

Toen het zover was, ging het gelijk al mis. Ik had, afgezien van mijn eigen stoel, alleen maar kleine stoeltjes in de klas. En had drie daarvan achterin neergezet in de veronderstelling, dat de heren daar voor een half uurtje wel genoegen mee zouden nemen. Nee dus.

Siem, Tommy en Freddy werden erop uitgestuurd om grote stoelen uit het hoofdenkamertje te halen (want stoelen dragen was toen nog jongenswerk) en ondertussen constateerde de inspecteur verbolgen, dat ik met aardrijkskunde bezig was terwijl er reken op het rooster stond. Dat rooster hing naast de deur. Er stond stond precies op welke vakken er op welk uur gegeven moesten worden.

Delen door een breuk
Toen de stoelen er eenmaal stonden en de heren gezeten waren, ving de rekenles aan. Die liep op rolletjes. Terwijl Noortje de netschriften voor rekenen uitdeelde vroeg ik aan Siem of hij de andere schriften uit de kast wilde halen om ter beoordeling aan de heren te overhandigen. Dat wilde Siem wel en vergiste zich gelukkig niet in de aan te reiken stapel.

Ondertussen vroeg ik aan de klas wie er nog wist wat er het eerst moest: vermenigvuldigen of optellen. De hele klas stak de vinger op.

‘Nicoline?’

‘Meneer van Dalen wacht op antwoord’, zei Nicoline.

‘Goed zo’, zei ik. ‘En Richard. Weet jij nog hoe je het gemakkelijkst kan delen door een breuk?’

‘Delen door een breuk is hetzelfde als vermenigvuldigen met het omgekeerde van die breuk, meester’, antwoorde Richard onmiddellijk.

Dat moest Richard maar eens even voordoen op het bord. Want dat kan iedereen wel zeggen. Ik schreef een hele moeilijke deelsom met helen en breuken op het bord die Richard in een oogwenk oploste. ‘Goed zo, Richard!’, prees ik.

Alles verliep op rolletjes.

Vieze schoteltjes
Maar toen de leerlingen even later met bewonderenswaardige rust in hun ‘nette’ rekenschriften sommen uit het boekje maakten (die ze overigens al vier keer gemaakt hadden) stond inspecteur De Joode ineens op, liep langs de raamkant van het lokaal waar in de vensterbank wat planten stonden die de kinderen bij toerbeurt zèlf verzorgden, streek met z’n vinger over de schoteltjes onder de bloempotten en verkondigde luidop: ‘Nou zeg! Die schoteltjes zitten onder de vieze aarde. Die hadden ook wel eens schoongemaakt kunnen worden’. Waarop enkele leerlingen terluiks van boven hun schriftjes verschrikt naar mij opkeken met in hun blik iets van: gaat dat wel goed?

‘Het is het eerste waar we aan gaan werken, meneer De Joode’, zei ik. ‘Willemijn, Kitty en Beppie, jullie mogen in de kleine pauze binnenblijven om de schoteltjes onder de planten schoon te maken’. Want schoteltjes schoonmaken was toen nog meisjeswerk.

Tenslotte vertrokken de heren. Maar ze hadden de deur nog niet achter zich dichtgetrokken toen Siem ongevraagd hardop door de klas riep:

‘En? Meester? Heb u nu een huis?’

Waarop de wethouder zijn hoofd weer even door de nog half openstaande deur naar binnen stak en zei: ‘Dàt heb ik gehoord!’

Die vaste aanstelling (360 gulden per maand) en dat huis (65 gulden per maand) zijn er trouwens wel gekomen.

En of u nou leerkracht of leerling was: mail uw schoolherinneringen naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Dit was de eerste van een driedelige serie met schoolmeesterservaringen uit het lager onderwijs. Daarna volgen er weer ‘gewone’ afleveringen van Kleine Nostalgie.

Julius Pasgeld
julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann