De Champs-Élysées van Den Haag

Eenentwintig jaar na zijn debuutroman De Erfenis is de Haagse schrijver en tv-maker Ap van der Meulen er deze zomer eindelijk in geslaagd zijn tweede roman af te leveren: De Engel van Detroit. Het boek is zeer goed ontvangen en vertelt onder meer over de verwoestende kracht van de tv en de radeloze eenzaamheid van mensen die een groot verlies te dragen hebben.

Ap van der Meulen.
Ap van der Meulen.

Iedere schrijver moet ergens beginnen. Ap schreef zijn eerste woordjes op de Leyweg, waar hij geboren en getogen is. Speciaal voor De Oud-Hagenaar neemt hij u mee terug naar het Morgenstond van de jaren zestig en zeventig.

Mijn vader was bedrijfsleider van de herenmodewinkel Borst aan de Leyweg, toen nog de Champs Élysées van Den Haag. Borst was een chique zaak voor een nieuwbouwwijk. Communies, bruiloften, verjaardagen, feestdagen, begrafenissen – iedereen die er af en toe een beetje netjes uit wilde zien kwam bij mijn vader terecht. Sterker, ze kwamen van heinde en verre. Uit het Westland kwamen de tuinders die volgens mijn vader altijd hun armen recht vooruit staken als ze een jasje pasten, en dan zeiden ze steevast: de mouwen zijn te kort. Maar ja, dat waren de Westlanders, de allochtonen van toen.

Wie er ook kwamen, waren de kampers, zij die het verrommelde gebiedje tussen het Westland en de uiterste oostkant Leyweg bevolkten. In de jaren zestig had dat kampje nog wel iets romantisch, maar in de jaren zeventig gaf het zigeunerkamp door diefstal, geweldpleging en drugshandel de aorta van Morgenstond een slechte naam: De Kamp Élysée, werd de Leyweg wel genoemd.

Mijn vader maalde daar niet om. Als de kampers kwamen kochten zij met inktzwart geld alle foeilelijke Tom Jones-overhemden en paarse velours colbertjes op die er in de winkel te vinden waren. De kinderen – mijn zusje, mijn broertje en ik – hadden dan het hele weekend feest: de zigeuners waren geweest!

De zaak van onze vader was een grote zaak. Tegenover de Appie Heijn – ik heb lang gedacht dat ik naar die winkel was vernoemd en vond dat de gewoonste zaak van de wereld. Zo meende ik ook dat ik jarenlang heb leren schrijven op de kardinaal De Jongensschool in de Tinaarlostraat. Er zaten alleen maar jongens op school die geen van allen dachten aan een gepromoveerde priester uit Ameland.

Wij woonden boven de winkel in een maisonnette. Een schitterend jaren zestig-woord voor een hoge portiekwoning. Voor de winkel van onze vader bevonden zich enorme eilandetalages – en dat moet wel een jaren zestig woord zijn, maar daar gaat het eigenlijk niet om. Het gaat om wat er in die etalages te zien was: kleding, uiteraard. Voor heren en voor jongens. Maar wat mijn vader deed – en neem het hem eens kwalijk, de goede man, god hebbe zijn ziel – was voortdurend manshoge zwart-witfoto’s ophangen van twee jongetjes in mooie kleding. Die jongetjes, dat waren mijn broertje en ik. Daar zouden Morgenstonders van een bepaalde leeftijd (50-plussers) mij eventueel van kunnen kennen. Op uw strooptochten naar snackbar Maja, de Jamin (altijd chique ‘Zjamin’ zeggen) of de Hema liep u langs de eilandetalages van mijn vader en dan zag u mijn broertje en mij daar hangen. Als goedgeklede blonde engeltjes lachten wij u toe, in de wetenschap dat de fraaie pantalons die wij droegen en waar wij bij ons volle bewustzijn scheten in lieten straks werden doorverkocht aan buurtjongens als Ronald Plasterk, Peter ter Horst en Cees Grimbergen.

Goed, ik mocht dan al op 8-jarige leeftijd een posterboy van de Leyweg zijn, mijn vader was een icoon van een geheel andere orde. Hij was namelijk structureel voorzitter van de winkeliersvereniging en in zo’n ontwikkelingsgebied betekende dat nogal wat. Zo was hij dikke maatjes met koningin Juliana, die alle premières van nieuwe films in de Euro Cinema op de Leyweg in levende lijve bijwoonde. Dat ging jaren door, ik denk van 1960 tot 1970, en daar kwamen Juliana en Bernard weer op een première, en daar gingen mijn opgedofte vader en moeder weer. In totaal ging het om twee films, die beide vijf jaar aan één stuk hebben gedraaid: Lawrence of Arabia en The Sound of Music. Geen wonder dat de mensen die fims 32 keer bekeken. Maar wij van de Leyweg hadden wel mooi een bioscoop, en kwam daar eens om in het Zuiderpark, Moerwijk, Bouwlust of Wateringen.

De Leyweg, sommige mensen zeiden Lei-weg, anderen zeiden weer Leyweg, is een straat waar hooggeleerden als Wim Willems in sociologisch opzicht helemaal los op kunnen gaan. De opkomst en de verbeelding, het verval en de werkelijkheid – de Leyweg is in goed Haags een zee om te zuipen. Wie nu langs onze vervallen maisonette wandelt kan zich haast geen voorstelling meer maken van de unieke rol die de Leyweg in de jaren van de opbouw was toebedeeld. Oorspronkelijk zou de Leyweg het Haagse centrum – de Grote Markt en zo – moeten ontlasten en die ambities waren er zeker.

Euro Cinema
Daarom was de Euro Cinema er. En de V&D met een monsterachtig groot warenhuis. En de Hema, waar onze moeders ons ondergoed en onze warme worst kochten, en wij bij de toen nog vleeskleurige bh’s vrijelijk rondkeken wat daar in vredesnaam allemaal in zou kunnen passen. Ook bijzonder: de allereerste McDonald’s van Nederland werd er gevestigd – en na een jaartje al weer gesloten. Dat gekke exotische vreten viel niet goed bij ons, gewend als we waren aan de Hema en snackbar Maja. Van nog vroeger herinner ik mij dat de radio en tv-zaak Torpedo – buren van mijn vader – de allereerste kleuren tv van het land tentoonstelde in hun eiland etalage.
Het was er allemaal, op de Leyweg. De jaarlijkse intocht van Sinterklaas, wielerrondes, u moet bij mij voor de deur hebben gestaan, wegduikend voor de met water gevulde ballonnen die mijn broer en ik vanaf 1968 steevast vanaf de vierde etage naar de goedheiligman mikten.

U was er op de markt op dinsdag, waar we als een kind zo blij voor een dubbeltje stroopwafelafval kochten in een gigantische puntzak, een onvoorstelbare versnapering die we tegenwoordig nog niet eens aan een zieke straathond durven te geven.

Maar ergens heeft de Leyweg de afslag naar de definitieve ontlasting van het Spui en de Grote Markt gemist. De ontwikkeling kwam tot stilstand, de planologische logica hield op. Goede winkels verdwenen, noodzakelijk onderhoud aan de ambitieuze maisonettes werd niet gepleegd. Waar ging het mis, waar ging het anders? Ik ben geen wetenschapper, dus ik kan roepen wat ik wil – ik denk dat het in 1974 mis ging.

Zoals ik net al zei had McDonalds het al snel gezien op de Leyweg. Kort daarna – of even daarvoor, dat kan ook – verloor het Nederlands elftal een bepaalde WK-finale. Mijn broertje en ik gingen na dat trauma – een huilende vader is geen pretje – zwijgend de Leyweg op om dat verdriet tussen de eiland-etalages met een balletje van ons af te trappen. Nog geen jaar later werd mijn vader ontslagen. Borst raakte in verval, andere winkels volgden dat voorbeeld en de eilandetalages bleven leeg. In Rijswijk kwam intussen winkelcentrum In de Bogaard vervaarlijk opzetten.

Nog weer later – in 1977 – verliet ik het ouderlijk huis om te gaan studeren. Toen ik na mijn studietijd terugkeerde naar huis wist ik het: in drie maanden is de Leyweg echt veranderd, het zaakje gaat achteruit. Geen Sound of Music meer in de Euro Cinema maar ordinaire Kung Fu films. Prominente bewoners zoals Aad Mansveld – wiens Opel Manta ik in de Wapserveenstraat jarenlang heb gewassen – hadden hun heil elders gezocht, Lotus – de befaamde Chinees aan het westelijke einde van de Leyweg – accepteerde geen van huis meegebrachte stalen pannen & potten meer bij het afhalen, dat kon wel in plastic bakjes tegenwoordig.

Het was allemaal anders geworden, kortom. Het leek alsof er een droom uiteen was gespat, de Avenue was een gewone straat geworden, zoals zo vele andere in aanpalende nieuwbouwwijken. Geen Torpedo, geen keurslager Ruva, geen Borst van vader maar lelijke Kwantumhallen en in plaats van mooie, verlegen en frêle blonde meisjes zaten er inenen dikke vermoeide huismoeders achter de kassa’s bij de Jamin.

Alles heeft zijn tijd – het Romeinse Rijk, de renaissance, de Europese campagnes van FC Den Haag, de Muur in Berlijn, de Twin Towers, de Drentse wijk achter de Leyweg – het is allemaal weg. Natuurlijk, er lopen nog zat Appies rond in Morgenstond. Alleen zijn dat geen korte namen voor Albert, maar voor Abdullah of Abdelkader.

Ik heb leren schrijven in Morgenstond, ik verslond boeken van Pim Pandoer en haalde altijd een 8 of een 9 voor Nederlands. Verhalen verzinnen, ik vond dat het mooiste wat er was. Zo kwam ik als 20-jarige leerling-verslaggever terecht bij dagblad Het Binnenhof – toen nog in hevige concurrentiestrijd verwikkeld met de Haagsche Courant en Het Vaderland. Ze zijn alle drie verdwenen. Maar wie schrijft die blijft, ik ben er nog, mijn herinneringen aan die fantastische Leyweg zullen er altijd blijven.

De Engel van Detroit.
De Engel van Detroit.

Mijn nieuwe roman De Engel van Detroit speelt zich af in een stad die ook ernstig is vervallen: Detroit. Toen ik in de jaren zeventig een onbekommerde jeugd in Morgenstond beleefde, floreerde Detroit als nooit tevoren. Een booming auto-industrie, fantastische muziek (Motown) en eindeloos dromen over een fraaie toekomst. Daar is in Detroit niets meer van over. De stad is na het verdwijnen van 270.000 banen in de auto-industrie in 2013 failliet verklaard, er was geen cent meer voor de lonen van de verpleegsters, brandweermannen en onderwijzers. Langzaam krabbelt Detroit nu weer op. Den Haag ook, beetje bij beetje. Ik wil dat beschrijven in mijn volgende roman, die hopelijk sneller klaar is dan De Engel van Detroit, waar ik 21 jaar over heb gedaan.

Ap van der Meulen
apvandermeulen@hotmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann